|
|
door Günter Brandorff
|
|
Zoals de meeste Joodse begraafplaatsen ligt ook die van Dalfsen buiten het dorp zelf, in de buurtschap Gerner. De Israëlitische gemeente (= kille) werd gekenmerkt door een eigen begraafplaats en een eigen synagoge. Soberheid en natuurlijk verval zijn voor een Joodse begraafplaats karakteristiek. De Joodse traditie accepteert ook geen verschil tussen de doden.
Om die reden kenmerken zich Joodse begraafplaatsen door eenvoudige grafzerken, die volgens oeroud gebruik boven het graf worden geplaatst om zó door middel van de herinnering de overledene te eren. "De doden zullen eens weder herleven" is één van de door de Joodse geleerde Maimonides geformuleerde dertien geloofspunten. Vandaar dat een Joodse begraafplaats vaak "Beth Chaim" (= huis des levens of in het Jiddisj "Gedort" = goed oord) wordt genoemd. Vandaar de wens om een graf als erfelijke bezitting te verwerven als teken dat Israël leeft. Dit eeuwig grondbezit maakt het volgens de Joodse wetgeving onmogelijk en ondenkbaar dat een begraafplaats wordt geruimd.
|
|
Lees meer...
|
|
door Gunter Brandorff
|
|
Zoals de meeste joodse gemeenten, werd ook de Israëlitische ‘kille’ van Hardenberg gekenmerkt door een eigen begraafplaats en een eigen synagoge. Hardenberg beschikt zelfs over twee joodse begraafplaatsen, die zoals de meeste joodse begraafplaatsen allebei buiten het centrum liggen. Het ‘Jeudenbarchien’ ligt op een terpvormige heuvel aan de Vecht en de begraafplaats ‘Mulopaadje’ is in de buurt van de tot het begin van de 20ste eeuw vrijwel onbebouwde Gramsbergerweg gelegen.
Soberheid en natuurlijk verval zijn kenmerkend voor een joodse begraafplaats. De joodse traditie accepteert ook geen verschil tussen de doden. Om die reden kenmerken joodse begraafplaatsen zich over het algemeen door eenvoudige grafzerken, om door middel van de herinnering de overledene te eren.
|
|
Lees meer...
|
|
door Teun Oosterbroek
|
|
Al vanaf de vroegste bewoning van Nederland laat het begraven sporen na in het land. Aan het begin van de christelijke jaartelling werden overledenen begraven of gecremeerd in grafvelden die buiten de nederzettingen lagen. Met de verbreiding van het christendom, sinds de achtste eeuw, werd lijkverbranding verboden, omdat het zou indruisen tegen het geloof in de opstanding van lichaam en ziel. Het werd belangrijk om in gewijde aarde te worden begraven. Dergelijke plaatsen waren te vinden rond de kerken, waar geestelijken de grond wijdden. Een laatste rustplaats in kerk en hof was voor de gelovigen vooral van belang, omdat in het godshuis veelal een reliek aanwezig was van een heilige. Een graf in de kerk was vooral weggelegd voor geestelijken, edelen en welgestelde burgers. De minder gegoeden vonden hun laatste rustplaats op het kerkhof. Die situatie was in het dorp Wijhe niet anders. Tijdens de Franse overheersing (1795-1813) werd in Wijhe begraven in en rond de Nicolaaskerk. Na het vertrek van de Fransen braken echter nieuwe tijden aan.
|
|
Lees meer...
|
|
door Leon Bok
|
|
Er zijn veel plaatsen in Nederland die je passeert met een vaartje van een kilometer of 100, waarbij je je afvraagt 'wat ligt daar nu eigenlijk?' Zoiets heb ik bij het passeren van Zwolle en dan men name bij het stuk bos aan de linkerkant na de afslag Zwolle-Noord. Welnu, het blijkt geen bos te zijn, maar van een afstand zie je dat niet. Het is een begraafplaats daar, en wel één met een boskarakter. De begraafplaats is aangelegd op het voormalige landgoed bij de havezate Kranenburg, wat veel verklaart. Aan de lange oprijlaan staat nog de zogenaamde Prinsenpoort, bestaande uit twee hekpijlers die herinneren aan de status van het landgoed. Bijna aan het eind van de lange laan die naar de begraafplaats voert ligt aan de rechterzijde nog het oude koetshuis. Even verderop ligt op de begraafplaats ook het crematorium van Zwolle.
Ontstaan
De begraafplaats werd in 1928 vormgegeven door de firma J. Copijn en Zn. op de plaats van het voormalige landgoed Kranenburg. Dat landgoed lag destijds in de gemeente Zwollerkerspel (opgeheven in 1967). De havezate Kranenburg werd al genoemd in de 15de eeuw en is in de loop der tijd in verschillende handen geweest. In 1810 kwam het landgoed in handen van de familie Vos de Wael. Zij gebruikten het voornamelijk voor de jacht. In 1844 lieten ze de havezate afbreken.
|
|
Lees meer...
|
|
|
|
|