| Huis ter Heide - De begraafplaats van de Johannes Stichting op Sterrenberg |
|
| door R.P.M. Rhoen |
|
Vereniging Johannes-StichtingIn 1887 werd in Nieuwveen bij Alphen a.d. Rijn de "Vereeniging 'Johannes Stichting' Christelijk Toevluchtsoord" opgericht. In de eerste drie artikelen van de statuten uit 1887 worden het doel en de grondslag van de vereniging geformuleerd: (1) "Het doel der Vereeniging is, zich het lot van verstootene, onverzorgde, hulpbehoevende, oude, zwakke of gebrekkige personen, hetzij gehuwd of ongehuwd, aan te trekken." (2) "Haar doel tracht zij te bereiken door hen, die aan haar toevertrouwd worden, op te nemen in hare gestichten, hen geheel te verzorgen en te leiden in Christelijke liefde en barmhartigheid, overeenkomstig Gods onfeilbaar Woord." (3) "De Vereeniging staat ten opzichte der Heilige Schrift, op het standpunt van de officieele belijdenissen uit de dagen der reformatie." Op den duur ging men zich vooral richten op de verzorging van zwakzinnigen. Maar ook zwaksocialen, epileptici, randpsychiatrische mensen, soms ook alcoholici, ongehuwde moeders, zwervers of mensen met een 'vreemd' gedrag vonden er onderdak. In 1990 werd de vereniging omgezet in een stichting.
Sterrenberg
Aanleg en ingebruikneming van de begraafplaatsHet bestuur van de Vereniging Johannes Stichting vroeg nog voor de opening van het nieuwe gebouw op 16 maart 1928, aan het gemeentebestuur van Zeist vergunning voor het aanleggen van een bijzondere begraafplaats op het terrein van het gesticht. De vergunning werd op 28 februari verleend, waarbij de aandacht werd gevestigd op artikel 18 van de Wet op het begraven van lijken. In dat artikel werd bepaald dat elke begraafplaats door een muur, heining, rasterwerk of heg van tenminste twee meter hoogte moest worden afgesloten. Om te voldoen aan de door de wet gestelde voorwaarde werd om de nieuwe begraafplaats een hekwerk van vlechtdraad aangebracht. Binnen het hekwerk werd een strook van tien meter breedte van dichte beplanting met struiken aangelegd. De voorwaarde die Gedeputeerde Staten in 1972 bij het verlenen van een vergunning stelde, namelijk dat de begraafplaats door een behoorlijke aaneengesloten beplanting moest worden omgeven, was dus eigenlijk overbodig. Voor beplanting op de begraafplaats werd ook gezorgd. Op de begraafplaats stonden verder een stuk of tien forse bomen. De begraafplaats werd voor het begraven van zowel patiënten als voor medewerkers van de instelling gebruikt. De begraafplaats werd in gebruik genomen met de begrafenis van de patiënt Willem Burger, die op 4 mei 1928 overleed. Die begrafenis vormde voor het bestuur aanleiding om te bepalen dat in één grafruimte slechts één lijk begraven mocht worden en dat boven de lijkkist niet het wettelijke minimum van 65 centimeter, maar minstens zeventig centimeter aarde zou komen. Ruim een jaar later, op 25 mei 1929, overleed de verpleegster Anna van der Woude. Zij werd er als eerste personeelslid begraven. Haar grafsteen staat er nog steeds. De kosten voor een begrafenis bedroegen in die jaren ongeveer vijftig gulden. In 1970 bedroegen de kosten twee honderd gulden, inclusief de grafkist; ook voor die tijd een laag tarief. Het gestichtbestuur besloot in zijn vergadering op 5 september 1928 dat geen bijdrage zou worden verleend in de kosten van een begrafenis, indien de overleden patiënt elders werd begraven. In de vergadering van het gestichtbestuur op 24 maart 1928, direct na de opening van het gebouw, werd geconstateerd dat nog geen baar en lijkkisten aanwezig waren. Besloten werd dat als de architect daar niet voor zou zorgen, hetgeen wel de afspraak met hem was, de directeur twee of drie reserve lijkkisten en een baar zou bestellen bij de timmerman W.J. Boot in Zeist.
Droevig sterfgevalOnder dit kopje wordt in de notulen van het gestichtbestuur van 29 augustus 1929 melding gemaakt van de zelfmoord van een van de patiënten. Dat die patiënt suïcidaal was, stond niet in zijn medisch dossier. De directeur deelde mee dat een correspondent van De Telegraaf geprobeerd had sensatie te wekken door bij het Burgerlijk Armbestuur van Amersfoort te vertellen dat in het gesticht van de Johannes Stichting drie of vier zelfmoorden per maand voorkwamen en dat er twijfel bestond of van het begraven van hen die zelfmoord gepleegd hadden, wel aangifte gedaan werd op het gemeentehuis van Zeist. 'Gepubliceerd heeft hij die leugens echter niet.', aldus de directeur.
AulaBij de begraafplaats hoorde ook een aula. Het uit de eerste bouwfase van de instelling daterende gebouw was opgetrokken in baksteen en deed denken aan een kapel. Het gebouw had een rechthoekige grondvorm van 5,50 m x 3,50 meter en een nokhoogte van 6,70 meter. Een ietwat terugliggende, dubbele, boogvormige deur gaf toegang tot de aula. Het gebouw had een vrij spits zadeldak. Alleen een hoog, smal raampje boven de deur zorgde voor lichttoetreding. Tegen de aula aan was een berging gebouwd, die waarschijnlijk dienst deed voor het opbergen van het gereedschap en de baar. De ingang was in de westgevel gesitueerd en lag vlakbij het pad naar de begraafplaats. In 1962 werd de aula verbouwd tot bergruimte, waarbij het gebouw werd verlaagd en een platdak kreeg. In hetzelfde jaar werd tegenover de oude aula een nieuwe aula met een mortuarium gebouwd. Circa vijftien jaar later werd de nieuwe aula bestemd tot bejaardensoos en sinds 1990 is hierin een kinderdagverblijf gevestigd. De oude aula werd later afgebroken.
Sluiting begraafplaatsHet algemeen bestuur van de Johannes Stichting vroeg zich in zijn vergadering van 29 april 1970 af of het nog wel zinvol was een eigen begraafplaats in stand te houden. Het plannen van de uitbreiding van de gebouwen, werd er door bemoeilijkt. Men vond de begraafplaats ook allerminst fraai. In zijn vergadering op 30 september van hetzelfde jaar besloot het bestuur dat er niet meer begraven zou worden op de eigen begraafplaats. Het bestuur liet in een brief van 18 februari 1971 aan het gemeentebestuur weten dat men de begraafplaats met ingang van 18 oktober 1970 buiten gebruik had gesteld. De datum van de definitieve sluiting van de begraafplaats is 11 maart 1971.
Inrichting gedenkplekRuimingTien jaar nadat de begraafplaats buiten gebruik was gesteld, ontvouwde het bestuur van Sterrenberg, sinds 1973 de nieuwe naam van de instelling, in 1980 een stedenbouwkundig plan. In dit plan was op de plek van de begraafplaats een gebouw gepland, waarin zowel een zwembad, een gymnastiekzaal als een fysiotherapeutisch centrum zou worden ondergebracht. Om dit onderdeel van het stedenbouwkundige plan te kunnen uitvoeren, was ruiming van de begraafplaats noodzakelijk. De vergunning daartoe werd door Gedeputeerde Staten op 15 maart 1983 verleend. Het was niet de bedoeling van het bestuur van Sterrenberg om alle herinneringen aan de begraafplaats uit te wissen. Men wilde rekening houden met aspecten van piëteit tegenover de doden en hun nabestaanden. Uit ethische overwegingen was het wel noodzakelijk een oplossing te vinden voor de slechte staat waarin de begraafplaats verkeerde. Gedacht werd aan het inrichten van een gedenkplek. In de jaren 1981 en 1982 werd nagedacht welke wettelijke procedures er gevolgd moesten worden en hoe dat plan kon worden uitgewerkt. Eind januari, begin februari 1983 werd in enkele kranten geadverteerd om belanghebbenden attent te maken op de voorgenomen veranderingen op de begraafplaats. Het dagelijks bestuur stemde op 16 februari 1983 in met het besluit van de bestuurscommissie om een krediet beschikbaar te stellen voor het ruimen van de begraafplaats en het inrichten van een gedenkplek. De opdracht tot de ruiming van de graven werd op 7 april 1983 verleend aan een hoveniersbedrijf uit Amsterdam. Nadat de opdracht was verstrekt, werd het bedrijf op 10 mei, vlak voor de aanvang van de werkzaamheden, nogmaals op het hart gedrukt dat grote waarde werd gehecht aan een zorgvuldige ruiming. De begraafplaats is aangelegd op zandgrond, waardoor ook de skeletten sneller vergaan dan bijvoorbeeld in kleigrond. De stoffelijke resten van de ongeveer 540 overleden personen werden herbegraven in een massagraf in de nieuw aan te leggen gedenkplek. Voor het herbegraven van de stoffelijke resten werd een put gegraven van circa zestien vierkante meter met een diepte van twee meter. Als plaats hiervoor had men een plek in de zuidoosthoek van de begraafplaats gekozen. Het ruimen van de graven en het herbegraven heeft ongeveer drie maanden in beslag genomen. Achteraf bleek dat het gebouw toch niet op de oorspronkelijk beoogde plek kwam.
Programma van eisenVoor de aanleg van de gedenkplek werd een programma van eisen geformuleerd. Dit programma is van 18 april 1983. Over de functie werd vastgesteld: 'De gedenkplek zal voor bewoners, familie en andere belangstellenden de gedachtenis hebben aan de eertijds hier begraven personen, [en] een punt zijn waar die gedachtenis kan plaatsvinden. Zij zullen dit ook in de toekomst blijven zien als een begraafplek. Het zal als zodanig dan ook een funktie hebben.' Aan deze bijzondere plek werden de volgende eisen gesteld: 'Het moet herkenbaar, bereikbaar zij. / Je moet er naar verwezen worden en het moet bij Sterrenberg horen. / Het mag ook als begraafplaats herkenbaar zijn, in de uitvoering moet dit tot uiting komen. / Nadrukkelijk, de huidige bewoner wil op die plek een stukje begraafplaats terug vinden. / Er moet een afbakening plaatsvinden van de plek door middel van planten of andere materiaal. Toch moet het ook in de omgeving zijn plaats en aanpassing vinden. / De bestaande grafstenen op of in de gedenkplek verwerken.'
Monument
AanlegDe gedenkplek is een ontwerp van Mien Ruys van het gelijknamige Buro Mien Ruys Tuin & Landschapsarchitectuur BV. De opdracht werd eind 1983 aan dit bureau verstrekt, alhoewel het sinds het begin van de werkzaamheden op de begraafplaats bij dit project betrokken was. Bij de vormgeving van de gedenkplek was de kunstenaar het leidende motief, maar de inbreng van Mien Ruys is zeker groot geweest. Men had tot die volgorde besloten om de kwaliteit van de gedenkplek geen gevaar te laten lopen. Een grindpad leidt van de weg naar de gedenkplek. Van de andere kant leidt een boslaantje naar de gedenkplek. Een zitbank biedt de gelegenheid om plaats te nemen en te mijmeren. Jammer dat aan de keuze van het model van de bank weinig aandacht is besteed. De gehele gedenkplek wordt aan het oog onttrokken door bosschages, maar vormen tevens het decor voor het monument.
Ingebruikneming'Nu het voorjaar is begonnen en alles weer groen wordt, zijn wij ook toe aan de definitieve inrichting van de "gedenkplek".', met deze woorden nodigde de directeur in een brief van 22 april 1985 de beeldhouwer uit voor de ingebruikneming. Op 7 juni 1985 werd de gedenkplek met een korte bezinningsbijeenkomst in de kerkzaal 'Het Lichtpunt' officieel in gebruik genomen. (2002)
Bronnen
|
|
Laatst aangepast op zondag 03 oktober 2010 18:52 Heeft u op- of aanmerkingen over bovenstaand artikel? Uw reactie wordt op prijs gesteld. |