| Nederlandse begraafplaatsen in Amerika: geschiedenis en instandhouding |
|
| door Leon Bok |
|
Hoe het begon
Overigens moet wel gezegd worden dat hoewel gesproken wordt van Nederlanders, het meer om een heterogene groep van mensen ging met een Nederlandse achtergrond. Taal en geloof waren bindend voor hen die uit de lage landen waren vertrokken naar de kolonie. Sommigen van hen hadden slechts enkele jaren in de Nederlanden doorgebracht nadat ze uit Duitsland, Wallonië of Scandinavië naar de Lage Landen waren gekomen, meestal vanwege hun geloofsovertuiging. Sommige Hollandse kolonisten trouwden in het nieuwe land met Engelsen, Schotten, Walen of anderen. Wat hen tot 1664 bond was de afkomst van de hoofdgroep van kolonisten en hun gemeenschappelijke taal en regels die ze naleefden. Onder de Engelsen duurde het nog zeker een eeuw voordat die achtergrond opging in wat Amerika zou worden.
Oudste nederzettingenNiet lang na 1609 reisden nieuwe schepen naar de Hudson, die men in eerste instantie de Noordrivier noemde. Men ging namens de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) of op basis van een octrooi van de Staten-Generaal. Langs de Hudson werden door deze pioniers allerlei kleine handelsposten opgezet. De handel betrof vooral bont en huiden. In 1614 werd nabij het huidige Albany (NY) het Fort Nassau opgericht. Dit was niet de eerste bebouwing op die plek want Franse pelsjagers en handelaars hadden er al eerder een post opgezet. Die was echter niet lang daarna weer verlaten. In 1618 werd Fort Nassau verlaten vanwege continue overstromingen. Meer zuidelijk werd Fort Oranje gebouwd. Nadat in 1621 de Verenigde West-Indische Compagnie (WIC) was opgezet, kreeg die het alleenrecht voor de handel in Nieuw-Nederland. Het was niet de bedoeling van de WIC om Nieuw-Nederland te koloniseren, maar het te gebruiken als een wingewest voor de handel. Niet lang daarna, in 1624, werden de eerste kolonisten naar Noten Eiland (nu Governors Island) gestuurd. Dit eiland, gunstig gelegen in een baai waarin de Hudson en East River uitkomen, werd als eerste uitvalsbasis gebruikt. Van daar trok men door naar andere handelsposten die ondertussen langs de Hudson of elders waren opgezet of naar Fort Oranje. Over waar die eerste kolonisten, niet alleen Nederlanders, maar vooral ook Franse Hugenoten en Walen hun doden begroeven, is nagenoeg niets bekend. Kerken werden pas veel later gebouwd, maar begraafplaatsen zal men zondermeer al eerder nodig hebben gehad. In al de geschiedenisboeken en onderzoeken naar Nieuw-Nederland wordt hier echter niet over gerept. Omdat het in die eerste jaren om slechts enkele honderden mensen ging, verdeeld over een groot gebied, zullen de doden die vielen ook over een groot gebied begraven zijn. Ook zal het niet om grote aantallen zijn gegaan. Pas met de oprichting van de kerken, is er ook meer bekend over de begraafplaatsen. Ten aanzien van de eerste grafmarkeringen in de Hudson-vallei en rond Nieuw-Amsterdam kan het volgende verondersteld worden:
Over de begraafplaatsen zelf is echter wel wat meer bekend. Dankzij oude plattegronden en kerkarchieven kan een beeld gereconstrueerd worden van de eerste begraafplaatsen in wat nu New York City is.
Nieuw Amsterdam en de eerste begraafplaatsAl snel bleek Noten Eiland te klein om te kunnen dienen als uitvalsbasis voor de verdere uitbouw van Nieuw Nederland. Het vee dat men op de schepen had meegebracht, had op het kleine eiland nauwelijks ruimte om geweid te worden. Het vee wilde men gaan houden om te kunnen voorzien in de eerste levensbehoeften. Daarvoor had men dus meer land nodig. In het voorjaar van 1625 besloot de WIC om een fort te bouwen op het land aan de overzijde van het eiland. Dat land bleek ook een eiland, genaamd Manhattan maar met meer land dan het kleine Noten Eiland. Willem Verhulst, de tweede gouverneur van Nieuw-Nederland, kreeg vanuit Nederland allerlei instructies over hoe het fort opgezet diende te worden. Het fort zou de naam Amsterdam krijgen, maar het plaatsje stond al snel bekend als Nieuw-Amsterdam. In juli 1625 startte men met de bouw en Verhulst volgde ook voor de aanleg van wegen, de verdeling van het land nabij het fort de uit Nederland afkomstige richtlijnen. Daarin stond ook welke juridische regels hij diende toe te passen. Dat waren over het algemeen nog niet zo lang geleden gevormde regels die teruggingen op het Romeinse recht. In de instructies werd over een begraafplaats niets gezegd. Dergelijke zaken liet de WIC waarschijnlijk ook over aan de kerk. Dat was de Hervormde kerk van Amsterdam. Die organiseerde echter pas in 1628 daadwerkelijk een kerk met een eigen dominee. Tot die tijd gebruikten gelovigen voor de samenkomst een ruimte in de molen van Nieuw-Amsterdam en werd de dienst verzorgd door een lekenpredikant. De eerste echte kerk werd gebouwd in 1633 in de Herenstraat, nu Broadstreet. Het zal geen groot gebouw zijn geweest, maar voldoende voor de toen aanwezige populatie. In 1642 was de kerk echter te klein geworden en werd in het fort een nieuwe kerk gebouwd. Deze was van steen en mogelijk begroef men hier ook in de kerk. De eerste echte begraafplaats werd iets ten noorden van het fort aangelegd (kruising huidige Morrisstreet en Broadway) en is op latere kaarten terug te vinden als ‘old church yard’. Hier werd mogelijk vanaf 1628 begraven, maar de precieze datum is onbekend. Met de groei van Nieuw-Amsterdam komt er meer informatie beschikbaar. Zo komt de begraafplaats in de archiefstukken voor omdat de begraafplaats niet was voorzien van een hek. Hierdoor konden loslopende varkens er in de grond wroeten, wat gezien werd als hinderlijk. Uit die stukken weten we ook dat de begraafplaats ongeveer 25 bij 25 meter groot was. Op 24 januari 1656 stelden de kerkmeesters voor om de oude begraafplaats op te ruimen en te gebruiken als bouwgrond voor nieuwe huizen. De begraafplaats verkeerde in zeer slechte staat en er werd voorgesteld om een nieuwe begraafplaats aan te leggen ten zuiden van het fort. Er zouden daar dan wel een aantal huizen gesloopt moeten worden. Burgemeesters en schepenen gaven echter aan daar niet veel voor te voelen. Zij stelden een plek voor ten westen van het fort in de buurt van de windmolen. Er gebeurde uiteindelijk niets. Waarschijnlijk was de situatie rondom het begraven hetzelfde als in het oude Amsterdam. De kerk zorgde voor de uitvaart, de begrafenis en alles wat daarbij hoorde, maar de gemeente zorgde voor de grond en het toezicht op het onderhoud. Maar wie het werk behoorde te doen was soms zeer onduidelijk, evenals wie voor wat behoorde te betalen.
Tweede begraafplaats van Nieuw-AmsterdamDe tweede begraafplaats die aangelegd werd in Nieuw-Amsterdam was niet voor de hervormde kerk, maar voor de kleine joodse gemeenschap. Het betrof Sefardische joden die gevlucht waren uit Brazilië en hun toevlucht zochten in de als tolerant bekende staande Nederlandse kolonie. Zij hadden in 1654 de Shearith Israel congregatie opgericht. Om hun doden te begraven, kreeg de congregatie een klein stukje land toegewezen buiten de stad, hoewel de gouverneur Stuyvesant eerst daar tegen was. In 1656 werd hier voor het eerst begraven. In 1681 werd de begraafplaats uitgebreid en in 1729 nog eens. Ondertussen werden ook in andere dorpen, op het ‘t Lange Eylandt (Long Island) en in het noorden van Manhattan, kleine begraafplaatsen aangelegd. Daarover later meer.
Aanleg van de nieuwe stadsbegraafplaats van Nieuw-AmsterdamIn 1662 was de eerste begraafplaats van Nieuw-Amsterdam kennelijk niet meer te gebruiken en werd net buiten de muur (nu Wallstreet), langs de doorgaande weg naar het noorden van Manhattan, een nieuwe openbare begraafplaats aangelegd. Op sommige kaarten van Nieuw Amsterdam staat deze begraafplaats niet als zodanig aangegeven, maar uit de archieven blijkt wel degelijk dat de begraafplaats toen werd aangelegd. Langs de weg (nu Broadway) strekte de begraafplaats zich uit over ongeveer 25 meter. Het had daarmee ongeveer dezelfde afmeting als de eerste begraafplaats. Nadat de Engelsen in 1664 het bestuur hadden overgenomen en de stad New York werd genoemd, werd over de oude begraafplaats wederom gemeld dat deze in een zeer slechte staat verkeerde. In juni 1666 stelde de stad 500 gulden beschikbaar om een hek op te zetten omdat de kerk daar geen geld voor had. De kerk diende het geld wel terug te betalen aan de stad. In 1676 werd de oude begraafplaats opgeruimd en al snel werden hier huizen gebouwd. Nu staat er een wolkenkrabber op dezelfde plek. Vanaf 1676 was de nieuwe openbare begraafplaats buiten de wal volop in gebruik.
Meer begraafplaatsen
In 1693 nam de Dutch Reformed Church, zoals de kerkgemeente nu genoemd werd, een tweede kerk in gebruik in Garden Street (nu Exchange Place). De diensten in de kerk werden nog gewoon in het Nederlands gedaan, net als in alle andere kerken van de Dutch Reformed Church. Rondom de kerk aan Garden Street werd vanaf 1701 ook begraven. Dat duurde tot 1766 toen de gemeente het begraven in de almaar groeiende stad verbood. Kerk en begraafplaats bleven in stand tot 1835. Tijdens een grote brand dat jaar raakte de kerk zo zwaar beschadigd dat die niet meer werd opgebouwd. De graven werden overgebracht naar een tweetal grafkelders op de New York Marble Cemetery [1]. Wat er met eventuele grafmonumenten is gebeurd, is niet bekend. Het vernielde gebied werd totaal
Buiten de stad New YorkBuiten de almaar groeiende stad werden in de loop van de 18de eeuw nog veel meer begraafplaatsen aangelegd. Veel van die begraafplaatsen werden aan de rand van de stad aangelegd, maar die haalde zo’n plek vaak snel weer in. De Nederlandse kerk groeide hard in New York en had al snel behoefte aan meer kerken. Zo werd in 1729 de Middle Dutch Church in gebruik genomen met daaromheen een begraafplaats. De kerk lag zo’n 200 meter noordelijk van de kerk aan Garden Street. Het kerkhof werd iets minder dan een eeuw gebruikt. In 1823 mocht er niet meer begraven worden. Door straatverbredingen verdwenen daarna hele delen van het kerkhof totdat in 1844 alles werd opgeruimd. Nu staat er ter plekke een groot bankgebouw. In 1768 werd de North Dutch Church gebouwd met daarbij ook een kerkhof. Deze moest ook gesloten worden in 1823 en in 1866 werd het land verhuurd. In 1875 werd de congregatie opgeheven. Zo ging het met meer kerkgenootschappen en dus ook met de kerkhoven. Van de eerste begraafplaatsen van de stad New York bestaan er nog enkele, waaronder de joodse. Van Nederlandse sporen is op die plekken nagenoeg niets te vinden. Veel van oorsprong Nederlandse gezinnen waren al in de 17de eeuw uitgeweken naar het landelijke deel van Manhattan of naar Long Island, waarover later meer.
Nog onder de heerschappij van de WIC werden buiten Nieuw-Amsterdam veel nieuwe nederzettingen gesticht met voornamelijk Nederlandse bewoners, zoals op Manhattan, Staaten Eylandt (nu Staten Island), ‘t Lange Eylandt (nu Long Island) en in de Hudson-vallei. Die dorpen ontstonden nadat de bevolking sterk toenam. Rond 1630 waren er ongeveer 300 Nederlanders in het gebied aanwezig. Dat aantal was vijftien jaar later gegroeid tot ongeveer 3.000. De groei bracht met zich mee dat er nieuwe nederzettingen opgezet werden. Het aantal anderstalige inwoners in de kolonie groeide ook sterk, met name door Engelse nieuwkomers. Zij stichten onder de Nederlanders plaatsen als Vlissingen, Heemstede en Middelburgh. Deze dorpen hadden dan wel een Nederlandse naam, maar het merendeel van de bevolking sprak geen woord Nederlands. Nieuw-Amsterdam en Beverwijck bleven lang de grootste plaatsen in de kolonie. De dorpen die verderop genoemd worden, hadden gemiddeld aan het eind van de 17de eeuw zo’n 100 tot 200 inwoners. Bij de overname van de Engelsen woonden er zo’n 10.000 mensen in de hele kolonie.
ManhattanOp het eiland Manhattan werden buiten Nieuw-Amsterdam nog enkele dorpen gesticht. Het eiland is iets meer dan 20 kilometer lang en het breedste punt meet bijna 4 kilometer. Op het totale oppervlakte van 59 vierkante kilometer besloeg Nieuw-Amsterdam slechts een klein deel in het uiterste zuiden. In het noorden van het eiland werd in 1658 Nieuw Haarlem gesticht. In 1667 werd de kerk gebouwd en kon men er ook begraven. Gedurende de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) werd de kerk vernield, maar op dezelfde plek weer opgebouwd. Toen ook werden grafkelders aangelegd. In 1881 werd elders een nieuwe kerk gebouwd en delen van de grond werden verkocht. De resten van het kerkhof en de grafkelders werden overgebracht naar Woodlawn Cemetery in the Bronx. Aan de westkant van Manhattan, net even boven Nieuw-Amsterdam werd Noortwijck of Greenwijck gesticht. Dit kleine gehucht kreeg pas aan het begin van de 19de eeuw een kerk en eigen kerkhof. Het verdween een eeuw later voor de aanleg van 7th Avenue. Nog wat verder naar het noorden, nu aan de westkant van Central Park, lag het district Harsenville met het dorp Bloemendaal. Harsenville was genoemd naar een Nederlandse boer die hier land had en in 1805 de Bloomingdale Reformed Dutch Church stichtte. Vanaf 1809 werd hier ook begraven, maar het begraven moest in 1851 gestaakt worden. Dat was niet omdat het kerkhof vol was, maar omdat de stad toen het begraven ten zuiden van de 86ste straat verbood. In 1913 werd de kerkgemeenschap opgeheven. De kerk, alweer de derde van de gemeenschap, werd gesloopt.
Long Island
Niet alle dorpen werden opgezet door Nederlandse kolonisten. Zo werd Gravesende gesticht door lady Moody, een Engelse die vanwege haar afwijkende geloof vanuit de Engelse kolonie naar Nieuw-Nederland was gekomen. Ook bij de stichting van Boswijck waren maar weinig Nederlanders betrokken. Van de negen individuele dorpen is nauwelijks nog iets te herkennen in de huidige stad. New York City bestaat nu uit vijf boroughs [3] waarvan Queens en Brooklyn op het meest westelijke deel van Long Island liggen. Flushing, Jamaica en Elmhurst liggen nu in Queens en er is weinig meer dat herinnert aan de stichting onder de Nederlanders. In Brooklyn is van de oorspronkelijke Nederlandse nederzettingen wel wat meer bewaard, zei het alleen al omdat op het wapen van de stad Brooklyn het motto “Eendracht maackt macht” prijkt. Nu telt er in Brooklyn zo’n 2,5 miljoen inwoners en bestaat de stad uit een strak geometrisch patroon van wegen en gebouwen. Hierdoor zijn oudere wegen nauwelijks nog te herkennen. Ondanks de enorme groei van Brooklyn zijn van vier van de zes oorspronkelijke dorpen nog de oude begraafplaatsen bewaard.
Ook de begraafplaats bij de kerk van Boswijck (nu Bushwick) bestaat al lang niet meer. Begrafenissen vonden plaats tot 1870 en de kerk werd in 1919 verlaten. De oudste stenen dateerden van 1655. In 1872 zijn alle resten, inclusief de stenen overgebracht naar Cypress Hill Cemetery op de grens van Brooklyn en Queens. Getuigen verklaarden echter nog in 1935 enkele stenen te hebben gezien op de plek van de begraafplaats. Het gehele gebied is in ieder geval na 1872 opnieuw uitgegeven en bebouwd. Van de vier nog bestaande begraafplaatsen kennen twee nog een kerk die op de oorspronkelijke plaats staat. Dat zijn Flatlands en Flatbush. De kerk van New Utrecht is verplaatst en de Nederlandse kerk van Gravesend stond elders in het dorp. De kerkhoven van Flatlands en Flatbush zijn het meest interessant. Maar dat betekent niet dat de andere twee geen aandacht verdienen. In Gravesend werd vanaf ± 1650 begraven en de Nederlands Hervormde kerk van Gravesend koos na haar oprichting in 1654 deze plek als haar begraafplaats. Er werd tot 1810 door de congregatie begraven waarna de begraafplaats werd overgedaan aan de gemeente. In de loop der tijd werd er steeds minder begraven totdat de begraafplaats in handen kwam van het departement van Parken & Recreatie van de stad New York. Helaas is de begraafplaats gesloten voor bezoek. Naast de begraafplaats ligt nog een begraafplaats van de familie Van Sicklen. Op de begraafplaats vinden we een aardig aantal oudere stenen waaronder ook een aantal met Nederlandse tekst. Ze dateren van de tweede helft van de 18de eeuw en zijn uitgevoerd in het typische bruine zandsteen dat men uit New Jersey haalde. Over de wijze van bewerking en de soort steen wordt verderop meer in detail verteld. In New Utrecht werd waarschijnlijk vanaf 1654 begraven terwijl de kerk in 1677 georganiseerd werd. Tot 1826 stond de kerk op de begraafplaats, maar deze werd verplaatst naar een plek waar de gemeente beter bediend kon worden. De begraafplaats bleef ter plekke in gebruik en had een eigen, afgescheiden gedeelte voor slaven. Tot op de dag van vandaag wordt de begraafplaats gebruikt, maar dan slechts voor het bijzetten van urnen. De oudste grafstenen op de begraafplaats zijn alle in de Engelse taal, maar veel namen zijn onmiskenbaar van Nederlandse afkomst zoals Cortelyou, Van Brunt, Van Pelt en Cowenhoven. De begraafplaats wordt door vrijwilligers onderhouden en is ondanks hun inzet sterk overwoekerd. Ten opzichte van de andere begraafplaatsen in Brooklyn is dat nogal een groot verschil. Het kerkhof van Flatbush, gelegen in het midden van de eerder genoemde dorpen, kreeg in 1654 een kerk en niet lang daarna zal hier ook voor het eerst zijn begraven. Er werd waarschijnlijk ook in de kerk begraven, maar dat is tot op heden niet duidelijk. Wel bleek bij latere verbouwingen dat er oudere graven onder de kerk liggen. Maar of dat nou kwam doordat ze overbouwd waren bij kerkuitbreidingen of dat er daadwerkelijk in de kerk was begraven, werd niet duidelijk. Het kerkhof was in gebruik tot 1913. Opvallend veel Nederlandse teksten komen hier voor, wat wellicht komt doordat hier tot 1783 alle diensten in de kerk in het Nederlandse waren en mogelijk ook daarna nog door velen Nederlands werd gesproken. De oudste stenen dateren van rond het midden van de 18de eeuw en bevatten Nederlandse teksten. De oudste Engelse tekst op het grafteken van iemand met een Nederlandse naam dateert van 1781. Op graftekens van op hoge leeftijd overleden lieden met een Nederlandse achtergrond, komt nog vaker Nederlands voor dan bij jonger overleden personen. De jongste Nederlandse tekst dateert van 1807, maar daarna is het allemaal Engels.
De verschillende oude kerkhoven hebben in ieder geval gemeen dat ze nu als een kleine groene oase temidden van de drukke stad liggen.
Langs de HudsonNet als op Manhattan en Long Island werden ook in de Hudson-vallei allerlei kleine nederzettingen gesticht. Van Nieuw-Amsterdam tot Fort Oranje (Albany) en zelfs nog verder werden in de 17de eeuw nieuwe dorpjes opgezet. In het gehele gebied verschenen ook zogenaamde patronaatschappen, grote stukken land in eigendom van een rijke Nederlander die de grond liet bebouwen door boeren. Rensselaerswijck was zo’n patronaatschap met eigen dorpen en boerderijen. Een patronaatschap had vaak ook eigen regels. Terwijl de forten langs de rivier werden gebouwd, verschenen dorpen en boerderijen vaak wat verder van de rivier. Dit was een soort veiligheidsmaatregel tegen invallen van indianen die zich gemakkelijk over het water verplaatsten. Die enkele kilometers landinwaarts gaven de dorpelingen net de tijd om zich voor te kunnen bereiden op aanvallen. Ondanks deze voorzorgsmaatregel werden nederzettingen regelmatig doelwit van plundering en brandstichting. Een van de grotere nederzettingen was Wiltwyck, nu Kingston geheten. Deze plaats, zo’n 140 kilometer ten noorden van New York, werd gesticht rond 1655. Het voorbestaan van Wiltwyck was wellicht een gevolg van een opstand niet lang daarvoor. Bewoners van verspreid liggende boerderijen trokken zich toen terug in het versterkte dorp. Hoewel men de voorkeur bleef houden aan de eigen boerderijen kreeg Wiltwyck juist door de dreiging van de indianen bestaansrecht als veilige plek voor de bewoners in de omgeving. In 1663 vonden vele inwoners van Wiltwyck de dood bij de laatste opstand van de indianen. Een jaar later werd de naam Wiltwyck onder de Engelsen veranderd in Kingston. Er veranderde echter weinig voor de Nederlanders ter plekke. Ze bleven gewoon naar hun in 1659 gestichte kerk gaan en hun doden begroeven ze op de begraafplaats bij de kerk. In 1777 werd de kerk verwoest door plunderende Britten en daarbij zal ook het kerkhof sterk te lijden hebben gehad. Toch zijn er vandaag de dag nog aardig wat oude grafstenen te vinden op het kerkhof, waaronder enkele met Nederlandse tekst. In het meer noordelijk gelegen Albany is dat echter heel anders. Albany startte rond 1618 als Fort Oranje, langs de Hudson, opgezet als vervanging van een eerder fort. Onder de WIC werd Fort Oranje van belang als doorvoerpost voor de bonthandel. De kleine nederzetting ten noorden van het fort kreeg in 1652 officieel de naam Beverwyck. De kerk had een klein kerkhof, maar doden die voor de stichting van dit kerkhof vielen, werden begraven op een klein stukje land bij het fort. Er werd ook begraven in de kerk maar er was al snel te weinig ruimte. In het huidige centrum was een kleine begraafplaats van de Dutch Reformed Church, maar die werd al in 1780 gesloten. Aan de rand van het uitdijende stadje werd een gemeentelijke begraafplaats aangelegd, maar ook die werd niet lang gebruikt. In 1801 werd een nog grotere begraafplaats geopend ten westen van Albany. Deze werd tot 1868 gebruikt. Toen was ook deze begraafplaats ingehaald door de Een aantal andere kleinere nederzettingen langs de Hudson kreeg pas in de loop van de 18de eeuw een eigen kerk met kerkhof. Daar zijn dan ook geen bijzondere grafmonumenten te vinden.
Staaten Eylandt en New Jersey
In de loop van de 18de eeuw werd steeds meer land naar het oosten ontgonnen en werden kleine gemeenschappen gesticht door Engelse en Nederlandse kolonisten. In enkele van de dorpen werden Gereformeerde kerken gesticht, maar de Nederlanders behoorden in dit gebied niet tot de meerderheid. Daardoor zijn sporen van Nederlandse graven en namen wat moeilijker te traceren, maar sommige familiebegraafplaatsen zijn bewaard gebleven. Een mooi voorbeeld is te vinden in New Brunswick. Daar ligt een kleine begraafplaats met enkele stenen van de familie Leydt van rond 1760. De teksten zijn in het Nederlands en de steen is van een opvallende grijzige zandsteen. De vormgeving van de stenen lijkt op die van de bruine zandstenen stèles uit het gebied rond New York, maar het steenhouwwerk laat andere vormen zien, wat er op wijst dat er meer een Engelse stijl werd gevolgd.
De gebruikte natuursteen en steenhouwtraditiesOp de tot nu beschreven begraafplaatsen zijn de oudste grafstenen alle gehakt uit een bruine zandsteen die voornamelijk afkomstig is uit lokale steengroeven in Newark (New Jersey). Dit in tegenstelling tot het gebruik van leisteen in New England. Slechts enkele grafmonumenten van leisteen worden aangetroffen in de Hudson-vallei. De oudste zandstenen voorbeelden hier dateren uit het begin van de 18de eeuw. Die stenen van zandsteen volgen al aardig het latere voorbeeld van een smalle stele met een geschouderde, afgeronde top. Maar er is nog een aantal plaatsen waar voorbeelden te vinden zijn die aangemerkt kunnen worden als de De reden waarom het beeldhouwwerk in de Hudson-vallei pas halverwege de 18de eeuw op gang kwam, heeft zeker te maken met het feit dat de WIC gilden verbood in Nieuw-Nederland. Vakmanschap en tradities werden in Nederland vooral via gilden overgeleverd, maar de gilden hadden ook veel macht. Dat wilde de WIC juist niet in hun kolonie. Dat betekende tegelijk dat er nauwelijks een steenhouwerstraditie op gang kwam in de kolonie. Bovendien was er zeker in de 17de eeuw nog onvoldoende werk voor een steenhouwer op het gebied van grafmonumenten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de eerste steenhouwers die bekend raakten vanwege hun grafwerk afkomstig waren uit de Engelse koloniën. Hoewel die gewend waren monumenten te hakken in leisteen, adopteerden ze in de regio van New York het gemakkelijk te bewerken zandsteen. Vanuit hun Engelse achtergrond namen de steenhouwers ook de traditie mee van funeraire symbolen die zo herkenbaar zijn op de 18de-eeuwse grafmonumenten. Gevleugelde doodshoofden en engelen komen veel voor. Vanaf 1720 hakten steenhouwers uit New Jersey grafwerk dat ook verspreid werd in de Hudson-vallei. Rond 1750 ontstond ook in New York een grafsteentraditie die vervolgens een hele ontwikkeling doormaakte. Die ontwikkeling is anders dan die in New England en neemt een eigen plaats in binnen de geschiedenis van de grafcultuur in Amerika.
In diezelfde tijd traden ook andere steenhouwers naar voren. Vaak waren ze afkomstig uit Engeland of uit de omgeving van Boston, New England. Net als Zuricher betekende de revolutie een hapering in hun productie. Veel steenhouwers raakten door de oorlog afgesloten van hun klanten. Ze pakten de draad weer op nadat de Britten waren verdwenen. Veel stenen met data tussen 1776 en 1783 zullen na die tijd zijn gemaakt.
Het gebruik van zandsteen en marmer werd aan het eind van de 19de eeuw ingehaald door graniet of andere meer duurzame steen. Ook zink werd wel toegepast, maar niet zoveel als bij ons gietijzer. Hout werd nauwelijks gebruikt, maar dat is met de grote hoeveelheden steen in de nabije omgeving ook logisch.
Nederlandse teksten
ConclusieIn tegenstelling tot de Engelse grafmonumenten in New England is de grafcultuur in de Hudson-vallei nog maar weinig onderzocht. Een goed beeld van de grafcultuur vanaf het begin van de eerste kolonie is in dit deel ook nauwelijks meer te maken door de sterke stedelijke groei van dit gebied. Al vanaf de 17de eeuw moesten begraafplaatsen plaats maken voor wegen en gebouwen. Van sommige begraafplaatsen zijn de restanten overgebracht naar nieuwe begraafplaatsen, maar vaak werden de stenen voor andere doeleinden gebruikt. Veel is ook nog onbekend over de gewoonte van de Nederlanders om in de kerken te begraven. Lange tijd werd aangenomen dat de Nederlanders geen enkele traditie op dit terrein hadden en dat ze hun graven niet markeerden. Toen ze dat wel gingen doen, zouden ze eenvoudigweg de Engelse tradities hebben overgenomen. Recent onderzoek heeft aangetoond dat dit zeker niet het geval is.
Met dank aan Marieke Leeverink.
Noten
Literatuur:
Een gedeelte van dit artikel is uitgesproken in een lezing aan de Columbia University in New York op 29 oktober 2009. Het onderzoek voor die lezing en dit artikel werd mede mogelijk gemaakt door de Netherlands America Foundation (NFA) en ondersteund door professor Norman Weiss van de Columbia University.
|
|
Laatst aangepast op maandag 12 april 2010 17:52 Heeft u op- of aanmerkingen over bovenstaand artikel? Uw reactie wordt op prijs gesteld. |