| De voormalige militaire erebegraafplaats Peutjoet |
|
| door Adriaan P. Intveld en Robbert Jan Nix |
|
De eerste gesneuvelden in de Atjeh-oorlog werden begraven dicht bij de monding van de Kroëng Atjeh [1]. Maar met de definitieve verovering van Kotta Radja in 1874 werd besloten aldaar een permanente militaire begraafplaats in te richten. Als lokatie werd een stuk terrein gekozen, ten zuid-westen van de kraton, waar zich al enige zeer oude sultansgraven bevonden. Zo was daar onder andere een sultanszoon begraven met de naam Phoë-teu-tjoet. Phoë-teu betekent meester, heer of vorst, en tjoet betekent jong of klein. Na verloop van tijd veranderde de naam in Peutjoet. Duizenden militairen zijn in de loop der jaren begraven op Peutjoet. Hoeveel dit er zijn geweest is niet meer te achterhalen. Volgens schattingen [2] zijn in de Atjeh-oorlog rond de 2.000 militairen gesneuveld of overleden aan bekomen wonden en zijn rond de 10.000 militairen overleden aan ziekten [3] en ongevallen. Hoewel er op meerdere plaatsten militaire begraafplaatsten zijn ingericht [4] zal het merendeel op Peutjoet begraven zijn, temeer als rekening wordt gehouden met
Van belang hierbij is op te merken dat het bij de initiatiefnemers nooit de bedoeling is geweest een monument op te richten voor alle overleden militairen, maar alleen voor hen die sneuvelden of overleden aan de gevolgen van bekomen wonden. Dit wordt in de oproep als volgt vermeld: […] om op de begraafplaats een gedenkzuil of tempel (mausoleum) op te richten, waarop of waarin de namen worden gebeiteld van allen, onverschillig van welke stand, rang, graad of landaard, die in den Atjeh-krijg voor Nederland sneuvelden of aan hunne in den krijg aldaar bekomen wonden bezweken”. Voor militairen die overleden als gevolg van ziekten en ongevallen was – althans op de marmeren gedenkplaten – letterlijk en figuurlijk geen plaats. Bij de oprichting waren er al meer dan 1400 namen in het marmer gebeiteld [7].
Na de definitieve onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 is vreemdgenoeg bepaald dat Peutjoet niet onder beheer van de Oorlogsgravenstichting zou komen, maar onder beheer van de Indonesische overheid. Als gevolg van voortdurende politieke onrust in Atjeh wordt er in de eerste jaren na de onafhankelijkheid van Indonesië weinig tot geen aandacht aan Peutjoet geschonken. Pas in 1970 keert het tij, dit met name dankzij de inspanningen van een oud KNIL-militair, kolonel Brendgen. De mede door hem opgerichte Stichting Peutjut-Fonds heeft Peutjoet van de ondergang gered. Ook van de zijde van de plaatselijke overheid kwam er meer aandacht voor Peutjoet en haar grote betekenis voor de geschiedenis van Atjeh.
In nauw overleg met het gouvernement van Atjeh, is de Stichting Peutjut-Fonds begonnen met de reparatie, restauratie en renovatie van Peutjoet. Dit werk is nu reeds voor een belangrijk deel geklaard. Peutjoet staat inmiddels op de monumentenlijst van Indonesië. De financiering komt echter nog steeds uit Nederland. De toekomst zal leren of Peutjoet voor het nageslacht behouden kan blijven. (2011)
Noten
Internet
|
|
Laatst aangepast op dinsdag 12 april 2011 19:27 Heeft u op- of aanmerkingen over bovenstaand artikel? Uw reactie wordt op prijs gesteld. |