Makam Belanda Peneleh - Surabaya Afdrukken
door Leon Bok   
Inhoudsopgave
Makam Belanda Peneleh - Surabaya
rondwandeling
Alle pagina's

 

In het gemeentewapen van de stad Surabaya is de fabel van het ontstaan opgenomen.Nederlands-Indië, nu Indonesië, was bijna 350 jaar lang een kolonie van Nederland. Vanaf het begin van de 17de eeuw werden op strategische plaatsen langs de kust handelsposten gevestigd. Niet altijd ging dat zonder slag of stoot, waarbij velen sneuvelden Ook ziekten en ontberingen namen hun tol. Vanaf het moment dat de eerste nederzettingen gesticht werden, begroef men er vaak ook de doden. Zo ging dat ook in Surabaya (ook bekend als Soerabaja), dat rond 1743 vast in handen kwam van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC).

De stad Surabaya werd in 1293 gesticht door Raden Wijaya. De naam komt van de haai Sura (Soera) en de krokodil Baya (Baja) die volgens een legende in gevecht gewikkeld zouden zijn in de rivier de Kali Mas (gouden rivier in het Javaans). Op de plek waar dit gevecht is geweest, ligt nu de stad. De mythe over het ontstaan van de stad geeft al aan dat water een grote rol speelt in Surabaya. Grote delen van de huidige stad bestaan uit laaggelegen grond die in eeuwen boven de zee zijn komen te liggen. De riviermonding was hoe dan ook een belangrijke plaats voor de toenmalige heersers. Toen dezen zich in 1525 bekeerden tot de islam, was dat tegelijk de start voor een periode van macht. In 1625 veroverde de Mataramdynastie uit Midden-Java Surabaya.

De komst van de eerste Europeanen had vooralsnog weinig invloed op Surabaya. Wel vestigde de VOC in 1617 hier een handelspost. Nadat de VOC rond 1743 de stad overnam, werd Surabaya een belangrijke haven- en marinestad. De VOC handelde via Surabaya vooral in suiker, koffie en thee. Uiteraard vestigden zich al snel Nederlanders en andere Europeanen in de stad. Er kwam een protestantse kerk en daar werd ook in en bij begraven. Met de groei van Surabaya ontstond er behoefte aan meer begraafruimte voor Europeanen. Die ruimte kwam er rond 1793.

 

Eerste begraafplaats

Op 25 januari 1793 maakte de kerkmeester van de Protestantse kerk van Surabaya bekend dat begraven op het terrein rond de kerk niet meer was toegestaan omdat het kerkhof vol was. Uiteraard zal er al eerder sprake geweest zijn van het vol raken van het kerkhof. In ieder geval werd voor nieuwe graven uitgeweken naar een locatie aan de westzijde van de stad. Hier was, net Sitauatie van begraafplaats Krembangan op de stadskaart van Surabaya uit 1866.buiten de stad, een zogenaamd buitenkerkhof aangelegd. De locatie, die Krembangan heette, lag ten zuiden van de Heerenstraat die in die tijd naar het toenmalige Batavia voerde. Hoe de begraafplaats er uit gezien heeft, is niet bekend. Waarschijnlijk was deze niet zo groot. De enkele duizenden Europeanen hadden er in ieder geval voor tientallen jaren genoeg aan. Rond 1830-1835 bleek dat de begraafplaats op Krembangan overvol was geraakt. De Kerkenraad verzocht daarom in 1835 de resident [1] van Surabaya om een stuk grond aan te wijzen voor een nieuwe begraafplaats. Hij wees een terrein aan op drie paal (4,5 km) afstand van de stad dat voldeed aan de eisen voor de aanleg van een begraafplaats. Hierop stelde de Kerkenraad voor het stuk grond op kosten van het Gouvernement [2] geschikt te maken en het te laten ommuren. De resident kon zich in dit voorstel kennelijk niet vinden, want twee jaar later herhaalde de Kerkenraad het verzoek. Nu deelde de Kerkenraad echter mee dat de kerk een bedrag van 2000 gulden beschikbaar stelde voor de aanleg en verzocht de resident om voor het ontbrekende deel een kosteloos voorschot uit 's lands kas te mogen ontvangen. De resident voelde wel wat voor dit voorstel en hij verzocht om een begroting van de totale onkosten. Samen met een concreet voorstel zou de resident dit kunnen indienen bij het Gouvernement. Met dit goede nieuws ging de voorzitter van de Kerkenraad aan de slag. Samen met ingenieur Tromp begaf de voorzitter zich naar de aangewezen plek om opmetingen te doen voor de begroting. Het bleek echter dat de afstand van het voorgestelde terrein vanuit de stad te groot was. Uiteindelijk werd van het plan afgezien en moest men zich blijven behelpen met de oude begraafplaats.

 

Na een onhoudbare toestand toch een oplossing

In 1839 gaf de doodgraver op Krembangan in een rapport aan dat de situatie op de begraafplaats onhoudbaar was geworden. Uitbreiding naar het omliggende terrein bleek niet mogelijk omdat het te moerassig was. Opnieuw werden er stappen ondernomen om een stuk grond buiten de stad en buiten de versterkingen van de stad (de defensielijn) te verkrijgen. De oplossing liet wederom lang op zich wachten. Op 26 februari 1846 stelde het Gouvernement een bedrag van 10.000 gulden beschikbaar voor de aanleg van een begraafplaats in kampong [3] Peneleh. Deze kampong bevond zich ten zuiden van de stad, niet ver van de Kali Mas. Al snel werd onder toezicht van ingenieur Geil begonnen met het in orde brengen van het terrein. Belangrijk daarbij was de ophoging van het terrein. Daarnaast moesten ook maatregelen genomen worden voor een goede afwatering en de aanleg van paden. In augustus 1847 kwam de nieuwe begraafplaats gereed en op 1 december was de formele openstelling. Families die op de oude begraafplaats nog over kelders beschikten, mochten, zolang er plaats was, hun doden blijven bijzetten. Over het jaar 1847 zijn geen begravingen op Peneleh bekend, maar in 1848 werden er al iets meer dan honderd doden begraven.

Onderdeel van de stadsplattegrond van Surabaya uit 1866 met centraal Peneleh.Niet lang na de openstelling van Peneleh bezocht dr. W.R. van Hoëvell (1812-1879), Indië-specialist en hervormer, tijdens zijn reis over Java de oude begraafplaats Krembangan. Zijn oordeel was niet erg positief. Van Hoëvell vond de dicht op één gepakte grafmonumenten ‘een karakteristieke satire op de menselijke ijdelheid die zelfs na de dood het standsverschil wenst te laten uitkomen door tombes, praalgraven en mausolea’. De oude begraafplaats mag dan op de liberale Van Hoëvell een negatieve indruk hebben gemaakt, voor onderzoekers zou deze oude begraafplaats een fantastische bron zijn geweest. Zowel voor genealogische gegevens als voor de grafcultuur, maar helaas is de begraafplaats verdwenen (waarover later meer).

 

Peneleh in gebruik

Peneleh was een Europese begraafplaats waar protestanten, rooms-katholieken, Joden maar ook inlandse en Chinese christenen werden begraven. Dat er niet een afgepaald stuk werd aangelegd voor elk geloof, geeft het ware algemene karakter van deze begraafplaats weer. Ook liggen allerlei nationaliteiten door elkaar, waardoor de bezoeker niet alleen Nederlandse teksten, maar ook Duitse en Engelse teksten kan aantreffen. Op de begraafplaats werden twee type graven uitgegeven: kelder- en zandgraven. Die laatste waren huurgraven en die werden dus voor bepaalde tijd uitgegeven. Waarschijnlijk werden deze graven meerdere malen gebruikt, wat ook aan de nummering te herkennen is. De stoffelijke resten uit de geruimde graven werden naar het knekelhuis gebracht dat ook op de begraafplaats was gebouwd. Een dergelijke voorziening kenden veel Nederlandse begraafplaatsen ook tot pakweg 1830. Nadien werden geruimde resten in Nederland vaak in een knekelput begraven. Op Peneleh was dat dus anders. Hier plaatste de lokale overheid een groot gebouw in de stijl van een klassieke Griekse tempel. Eronder werd een grote kelder aangelegd die van boven gevuld kon worden via twee ronde gaten.

Foto van het poortgebouw in de 19de eeuw.Een ander opvallend gebouw verscheen bij de ingang. Een groot poortgebouw werd precies in het verlengde van de Kerkhoflaan gebouwd. Ook dit gebouw werd in een klassieke stijl opgezet met een hoge ronde onderdoorgang.

De begraafplaats had een omvang van bijna 4,5 hectare. Waarschijnlijk is het hele terrein niet in een keer in gebruik genomen, maar is het begraven vanuit het midden begonnen. Dat had zeker ook te maken met het graf van resident Pietermaat (1790-1848) die na zijn overlijden een prominente plek kreeg op de begraafplaats. Geheel in het gelid werden dubbele rijen keldergraven in lange rijen rondom dit monument geschaard. De paden voor de kelders werden niet aangelegd voor een fijne wandeling maar waren louter functioneel. Op die manier konden de doodgravers via een gat aan de voorzijde een kist bijzetten in de kelder. Volgens overlevering stonden er geen bomen op de begraafplaats waardoor het een verstikkende vlakte was die zeker niet uitnodigde voor grafbezoek.

soerabaja_1897Ten behoeve van het afvoeren van overtollig water dat in de regenperiode in grote hoeveelheden kon vallen, waren speciale greppels gegraven. De greppels voerden af naar de zuidzijde van de begraafplaats. Op sommige oudere plattegronden is goed te zien dat de begraafplaats werd aangelegd in een moerassige omgeving, aan drie zijden omringd door rivieren. Op de ene plattegrond ligt er een sloot of iets dergelijks rondom de begraafplaats, terwijl daar op de andere plattegrond geen sprake van is. Op de oudere kaarten is nog geen sprake van bebouwing rond de begraafplaats, maar in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog raakte de begraafplaats bijna geheel ingesloten door kampongs. Rond die tijd was het aantal Europese inwoners van Surabaya fors gegroeid. Telde de stad in 1857 nog zo’n 7.500 Europeanen en andere gelijk geschakelden (vaak christelijke Chinezen of met Europeanen getrouwde inlanders). Rond 1920 waren dat er al bijna 18.000.

De gemeente Surabaya wachtte de groei van de Europese bevolking niet af, maar liet rond 1915 een nieuwe begraafplaats aanleggen. De verwachting was dat Peneleh al op korte termijn onvoldoende ruimte zou bieden voor het aantal verwachtte begravingen. Op dat moment waren er bijna 13.000 personen begraven op Peneleh. In 1915 waren het er jaarlijks nog bijna tweehonderd.

Het terrein voor de nieuwe begraafplaats werd gevonden op zo’n 3,5 kilometer afstand van Peneleh, bij Kembang Kuning. Het zuidwestelijk van de stad gelegen stuk grond lag in een licht glooiend gebied dat tot op zo’n 15 meter boven zeeniveau lag. Het terrein kon daardoor snel in gebruik worden genomen. Dat gebeurde in 1916.

Waar ooit de begraafplaats Krembangan lag, staat nu een watertoren.In 1925 werd de oude begraafplaats in Krembangan definitief geruimd en herschapen in een plantsoen. Veel later is er een watertoren met bijbehorende installaties gebouwd op het terrein. Ter plekke wijst niets meer op de oorsprong van deze plek als begraafplaats. Wat van de oude begraafplaats resteert, is een hoeveelheid grafmonumenten die werd overgebracht naar de begraafplaats Kembang Kuning. Niet duidelijk is of dit de enige, van opschrift voorziene stenen betrof die er toen nog aanwezig waren of dat alles is overgebracht. De overgebrachte stenen werden op een groot plat ingemetseld. Of de stenen nog op Kembang Kuning liggen, is onduidelijk. Wel zijn er op Kembang Kuning andere stenen te vinden die duidelijk van oudere datum zijn en mogelijk van de oudste begraafplaats afkomstig zijn. Overigens zijn in de loop der tijd ook grafmonumenten overgebracht van Peneleh.

 

Dubbel einde voor Peneleh

Zo’n zeventig jaar na in gebruik name was ook Peneleh te klein geworden. In oktober 1916 werd het laatste zandgraf (het 10141-ste) uitgegeven. Het graf lag helemaal achteraan op de begraafplaats. Net als bij de oude begraafplaats op Krembangan konden er nog wel doden worden bijgezet in familiegraven voor zover daarin nog plaats was. Tussen 1916 en 1964, toen de laatst bekende bijzetting plaatsvond, werden er nog enkele duizenden personen bijgezet, voornamelijk in eigen graven. Maar ondertussen was er wel heel wat veranderd.

Nadat Surabaya in 1942 in Japanse handen viel, hielden dezen meer dan drie jaar de stad in hun greep. Dat gold met name voor de Europese inwoners want die werden geïnterneerd. Een grote groep mannen werd gedwongen om voor de Japanners te werken. In de registers van Peneleh zijn in die oorlogsjaren veel minder invoeringen bekend. De begraafplaats werd dus veel minder gebruikt. Veel geïnterneerden die stierven in gevangenschap werden elders begraven.

Onafhankelijkheid

Op 17 augustus 1945, een week na de capitulatie van de Japanners, riepen Soekarno en Hatta de Republiek Indonesië uit in Batavia. In Surabaya is de situatie onstabiel. Toen Nederlandse vertegenwoordigers de Nederlandse vlag hesen op het dak van Oranje Hotel volgde op 19 september een daad van verzet. De Pemoeda's (jongeren) bestormden het hotel en van de vlag werd de blauwe baan afgescheurd, waardoor deze doorging voor de roodwitte Indonesische vlag. Er volgde een onrustige tijd (de Bersiap-periode genaamd) die in oktober 1945 escaleerde toen Britse troepen de stad bezetten. De Indonesische nationalisten weigerden hun wapens in te leveren en er volgen bloedige gevechten waarbij de stad zelfs wordt gebombardeerd. Uiteindelijk moesten de nationalisten de stad prijsgeven. De nationalisten zetten echter hun strijd voort wat leidde tot de zogenaamde politionele acties in 1947 tot 1949. Door middel van militaire operaties trachtte Nederland op Java en Sumatra de uitgeroepen Republiek Indonesië te bevechten. De acties kwamen ten einde nadat Nederland in december 1949 de soevereiniteit overdracht aan de Indonesische Republiek.

Met de overgave van de Japanners in augustus 1945 brak in Nederlands-Indië een verwarde tijd aan. Er was geen sprake van een onmiddellijke terugkeer van het koloniale bestuur doordat veel Europeanen nog in kampen zaten. Velen waren verspreid over het door de Japanners bezette gebied en militairen had Nederland al helemaal niet bij de hand om de macht weer over te nemen. De Britse troepen die de Japanners moesten ontwapenen in Nederlands-Indië werden vijandig ontvangen en in Surabaya brak een verbeten strijd los. Het vlagincident op het Oranje Hotel (nu hotel Majapahit) in september 1945 en de moord op de Engelse generaal Mallaby, eind oktober zijn daar wel enkele hoogtepunten van. Het markeerde de zware strijd die de Indonesiërs vochten om hun land los te maken van de koloniale bezettingsmacht. De Indonesische nationalisten waren goed bewapend door het wapentuig dat de Japanners hadden achtergelaten. Hoewel de nationalisten na bloedige gevechten de stad uiteindelijk moeten prijsgeven, zou de trofee uiteindelijk naar hen gaan. Begin 1946 werden de Britse troepen afgelost door de eerste Nederlandse contigenten die onmiddellijk begonnen met herstel van de vooroorlogse situatie. Voorzichtig werd ook begonnen met de wederopbouw van de deels verwoeste stad. Die werd pas voltooid na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949.

OndertusEen plattegrond van Surabaya uit 1940 laat zien dat de begraafplaats nu volledig ingebouwd is tussen de kampongs.sen waren de meeste Europeanen teruggekeerd in Surabaya en begonnen ze ook de begraafplaatsen weer te gebruiken. Dat betekende voor Peneleh dat bestaande grafruimten door families gebruikt werden en dat er op Kembang Kuning nieuwe graven werden uitgegeven. Het register werd als vanouds ingevuld. In die toestand veranderde door de soevereiniteitsoverdracht snel het een en ander. De grond van de begraafplaatsen bleef formeel in handen van de gemeente Surabaya, maar de wetgeving veranderde.

Na 1949 liep het aantal begravingen op Peneleh snel terug. Dat had vooral te maken met het feit dat veel Nederlands-Indische families terugkeerden naar Nederland. In 1955 gaf de gemeente Surabaya het beheer van de begraafplaats Peneleh op. De gemeente concentreerde zich op de andere begraafplaatsen in de stad die wel volop in gebruik waren, waaronder ook Kembang Kuning. Feitelijk werd Peneleh hiermee voor de tweede keer gesloten. De laatste begraving vond plaats in 1964.

 

Aftakeling

Foto uit 1989 over de vakken D en B waarop de begroeiing en vernieling goed te zien is (foto Rob van de Ven Renardel de Lavalette).Vanaf de jaren zestig van de 20ste eeuw was de begraafplaats min of meer vogelvrij. Incidenteel werd nog wel eens een graf geopend voor een overbrenging naar Kembang Kuning, maar verder had de natuur vrij spel. Maar uiteindelijk zal niet de natuur debet zijn geweest aan de huidige toestand. Daarvoor is het huidige schadebeeld te expliciet. Grote gaten in de kelders zijn moedwillig aangebracht om toegang tot de inhoud te krijgen. Die inhoud, kisten, lijken en wat daar verder aan grafgiften is meegegeven, zijn vermoedelijk alle geroofd. De gaten werden gevuld met afval, de afkomende bakstenen gebruikt voor het bouwen van muren voor kleine uitbreidingen in de Kampong of zelfs op de begraafplaats. Tekstplaten zullen her en der hun weg hebben gevonden als verharding, alhoewel daar anno 2011 in de omringende kampong weinig van terug te vinden is.

Situatie in 1989 (foto Rob van de Ven Renardel de Lavalette).De overdadige begroeiing die veel grafmonumenten overwoekerde, betekende ook dat bomen nu meer ruimte kregen en dat delen van de begraafplaats beschaduwd werden. Voordien was de begraafplaats altijd zonder bomen geweest, dus dit betekende nogal een verandering. Een andere verandering die zich voltrokken heeft in die tijd was de afbraak van het poortgebouw. Het toegangshek is bewaard gebleven maar de statige poort met onderdoorgang is weg. Ook in de randen van de begraafplaats zal het een en ander aangepast zijn. Van een ommuring van betonplaten zal niet altijd sprake zijn geweest. Dat laat zich ook aflezen aan de delen van een bakstenen muur die nu ook nog her en der te vinden is. Aan de noordzijde is meer recent zelfs een compleet nieuw hekwerk geplaatst.

 

 

Noten

  1. Een resident was in het voormalige Nederlands-Indië een bestuursambtenaar die aan het hoofd van gewestelijk bestuur stond. Onder hem dienden weer assistent-residenten.
  2. Hiermee wordt verwezen naar het bestuur dat in Nederlands-Indië geleid werd door de gouverneur-generaal waaronder residenten stonden.
  3. Kampong (tegenwoordig kampung in de officiële spelling) is een woord uit het Maleis wat staat voor een omheind erf of een verzameling woningen die zichtbaar door een omheining bij elkaar horen, een bijeenhorend stadsgedeelte (wijk), of een klein dorp. De kampong Peneleh strekte zich destijds alleen langs de Kali Mas uit.

 



Laatst aangepast op dinsdag 17 april 2012 20:04



Heeft u op- of aanmerkingen over bovenstaand artikel? Uw reactie wordt op prijs gesteld.