
Graven in de Damster geschiedenis van een Groninger familie(door Marten Mulder) De geschiedenis van het geslacht Cleveringa biedt funerair veel stof, ook al zijn er zerken verloren gegaan of slecht leesbaar. In dit artikel beperk ik me tot hun "Damster" periode. De interesse voor deze periode heeft zeker te maken met een aantal redenen. Ten eerste bracht ik jarenlang mijn vakanties door in het Blauwe Huis te Appingedam, dat na de Tweede Wereldoorlog eigendom van mijn grootouders was geworden. ![]() Het Blauwe Huis Bovendien lag de Alberdaheerd tussen Leermens en 't Zandt op de scheiding van de kerkelijke hervormde gemeenten en had er historische banden mee. In de periode 1968-1971 diende ik de hervormde gemeente van Leermens en had vrij regelmatig contact met de heer Steenhuis Geertsema, de toenmalige bewoner, wiens echtgenote een Cleveringa was. En tot slot mocht ik tijdens mijn legerpredikantschap een aantal jaren geestelijk verzorger zijn van in Appingedam gelegerde militairen. In het protestants militair tehuis in de Solwerderstraat bracht ik vele uren door met de militairen in opleiding: Technisch Specialisten (TS-ers) en de Reserve-Officieren Academisch Gevormden (ROAG). Van 1858 tot 1899 hebben er Cleveringa's gewoond, onder wie als kind de latere hoogleraar Prof.mr. Rudolph Pabus Cleveringa. In familiekring kreeg het huis de naam Het Stekje. ![]() "Het Stekje" Appingedam heeft in de geschiedenis van de Cleveringa's een belangrijke rol gespeeld. De Cleveringa's op hun beurt speelden in de geschiedenis van deze stad een grote rol.
![]() Begraafplaats-plantsoen De Wierde Wie de weg op De Wierde vervolgt, komt na het passeren van de Heidensgang met de Joodse begraafplaats aan bij een begraafplaats van recenter datum (19e eeuw). Op deze begraafplaats bevinden zich eveneens graven van verschillende Cleveringa's. De begraafplaats heeft een apart rooms-katholiek gedeelte, waar zich de graven bevinden van veel bekende Damster middenstanders. ![]() Nicolaïkerk en raadhuis Keren we terug naar de Cleveringa's, dan zullen we dienen te beginnen in de aan Sint Nicolaas gewijde Nicolaï-kerk. Nicolaas was onder andere patroonheilige van de zeevarenden. De van oorsprong (13e eeuw) als kruiskerk gebouwde hallenkerk bezit een schat aan grafzerken. Het betreft de zerken van predikanten, rectoren van de Latijnsche school, burgemeesters, medici en vele andere achtenswaardige burgers en hun echtgenotes van de stad Appingedam. GrafpoëzieNaast de wapens en huismerken treft men op de grafzerken ook grafpoëzie aan. Op de zerk van de weduwe van dominee Pimperlinck, die op 13 januari 1685 overleed, lezen we: ALLE, DIE OP MY TREEDEN Een grafdicht, dat de eeuwen trotseerde. Op veel zerken in latere eeuwen treffen we het aan. Niet alleen de kerk herinnert in de naamgeving aan de zeevaart, die Appingedam tot een belangrijke plaats maakte, een enkel grafdicht doet dat ook. Op de zerk van Jan Ebels, die op 30 november 1700 stierf, luidt het grafdicht: VEELTYTS BEN IK GEVAAREN Een aardige woordspeling in verband met zijn naam treffen we aan in de laatste regels van het grafdicht op de medicus Hermannus Huis, die in 1776 overleed: EEN LANG BEPROEFDE ERVARENHEIT Niet alleen als predikant, ook als rector van de Latijnsche school, heeft dominee Heino Hermannus Brucherus, die we nog zullen tegenkomen in de geschiedenis van de Cleveringa's en die op 30 mei 1797 overleed, zijn sporen getrokken. We lezen het op zijn zerk: HIER RUST HET STERFLYK DEEL VAN GODTS GETROUWE TOLK ![]() Grafzerk Heino Hermannus Brucherus Toen Hendrik van Weerden in 1813 overleed op 40-jarige leeftijd, liet zijn echtgenote Anna Willemina de Raadt op de zerk een grafdicht aanbrengen: HIER LEGT MYN WAARDE MAN, ONS AGTTAL KINDREN VADER CleveringaBronno Frederikus Cleveringa, die in 1792 werd gekozen tot burgemeester van de stad Appingedam en in 1794 nog eens voor 4 jaar, overleed in 1810. Hij werd 76 jaar oud. Op zijn zerk werd een grafdicht aangebracht, waarvan de wat gehavende tekst luidde: HOUD THANS VRY MYN STOF, O AARDE Bronno Federikus Cleveringa (1734-1810) was getrouwd met de domineesdochter Johanna Quintina Pabus (1742-1812). De achternaam Pabus werd als tweede voornaam toegevoegd aan hun oudste zoon Rudolph (1763-1818). ![]() Grafzerk Rudolph Pabus Cleveringa (1763-1818) en zijn vrouw Cornelia Ebels Vele mannelijke nakomelingen zouden de naam Rudolph Pabus gaan dragen. De bekendste is ongetwijfeld de jurist Prof.Dr. Rudolph Pabus Cleveringa geweest, die op 26 november 1940 als Decaan van de Juridische Faculteit van de Leidse Universiteit de beroemde rede hield naar aanleiding van het ontslag van Prof. Mr. E.M. Meijers. Dat ontslag was één van de maatregelen tegen de joden door de bezetter. Cleveringa's rede was een vlammend protest namens de faculteit tegen deze onwettige maatregel. Hij is er voor opgepakt en gevangen gezet in het "Oranjehotel" te Scheveningen. Appingedam heeft hem geëerd door een plein naar hem te noemen. ![]() Windvaan op Het Blauwe Huis Met het huis verwierf Rudolph Pabus zich veel land, met daarop een tichelwerk (steenbakkerij) en een kalkoven. Daarnaast is hij onder andere eigenaar geweest van een oliemolen en een deel van een zoutziederij. Door aankoop van de Fromaborg in Wirdum (Gr) werd hij Heer van Wirdum met alle eraan verbonden voorrechten op bestuurlijk (ook kerkelijk!) en juridisch gebied. De tussen Leermens en 't Zandt gelegen Alberdaheerd met de erbij behorende landerijen verwierf hij zich door aankoop en vererving. In de Nicolaïkerk had de familie een eigen "herenbank", die nog steeds aanwezig is. ![]() Grafmonument dokter Rudolph Pabus Cleveringa (1822-1900) Twee van zijn zonen, de oudste en de derde, die beide de naam Rudolph Ebels zouden dragen, overleden op zeer jonge leeftijd. De tweede zoon, Jacobus Pieters Cleveringa, werd jurist en rechter te Heerenveen. Hij was de vader van de reeds genoemde Leidse hoogleraar Rudolph Pabus Cleveringa. De laatstgenoemde is nog in Appingedam geboren, waar zijn vader toen advocaat en procureur én plaatsvervangend kantonrechter was. ![]() Graf Ds. H.H. Brucherus Cleveringa In Appingedam zou Johannes Quintinus een belangrijke rol gaan spelen. In 1796 was hij geboren in Het Blauwe Huis. Blijkbaar onderkende zijn vader al snel zijn belangstelling voor het werk, dat het bezit van de vele landerijen, het tichelwerk (steenfabriek) en het calckwerk (de kalkoven) met zich bracht. Dat werk kon voor een groot deel door Johannes Quintinus worden gedaan, zodat Rudolph Pabus zich kon wijden aan het burgemeestersambt. Johannes Quintinus trad in 1817 in het huwelijk met Henriëtta Paulina van Swinderen. Het echtpaar trok in bij de ouders van Johannes Quintinus in Het Blauwe Huis. Ze kregen zes kinderen, die allen geboren werden op Het Blauwe Huis: Catharina, geboren in 1818, Rudolph Pabus, geboren in 1819, Rudolph Albert, geboren in 1821, Cornelia Ebbelina, geboren in 1823, Anna Henriëtta, geboren in 1825 en ook in dat jaar overleden en Oncko de Rheden van Swinderen, geboren in 1826. ![]() Graf echtpaar De Rheden van Swinderen Cleveringa-Cleveringa Rudolph Pabus, de oudste zoon van Johannes Quintinus, ging rechten studeren in Groningen en vestigde zich na de afronding van zijn studie in 1847 als advocaat en procureur in Appingedam. In dat jaar werd hij als opvolger van zijn vader secretaris-ontvanger van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen. Getrouwd in 1851 met de domineesdochter Margaretha Jacoba Mees, betrok hij met zijn echtgenote Huize Fivelzigt, dat net buiten de grenzen van Appingedam lag. Al spoedig verwierf het echtpaar zich echter een huis aan de Solwerderstraat in Appingedam, waar zij hun hele leven zijn blijven wonen. Het Blauwe Huis, dat hij met een deel van de landerijen had geërfd, heeft het gezin nooit betrokken. In 1857 ging Rudolph Pabus deel uitmaken van de gemeenteraad, waarna hij in 1863 werd gekozen tot wethouder. Benoeming tot kantonrechter volgde in 1872. Kerkelijk is Rudolph Pabus ook zeer betrokken geweest, hetgeen mag blijken uit zijn arbeid als schoolopziener en als kerkvoogd, later president-kerkvoogd van de Hervormde Gemeente. ![]() Het echtpaar Cleveringa-Mees kreeg dertien kinderen, waarvan er zes vroeg overleden, onder wie Neltje en Egberdina Cornelia. Van de zeven kinderen, die in leven bleven, zijn Johannes Quintinus, geboren in 1858 en Bernardus, geboren in 1861, in Appingedam gebleven en daar overleden. Johannes Quintinus was commissionair in effecten en wijnen, Bernardus wijnhandelaar. Toen in 1890 Mr. Rudolph Pabus Cleveringa was overleden, viel een deel der landerijen met Het Blauwe Huis toe aan Mr. Petrus Cleveringa, de oudste zoon van het echtpaar Cleveringa-Mees, die notaris was in Groningen. Door hem werd in 1896 het huis, met uitzondering van de landerijen, verkocht. ![]() Graf van de jong overleden Neltje ![]() Graf Johannes Quintinus ![]() Graf Bernadus de wijnhandelaar Na ons verdiept te hebben in de nakomelingen van Johannes Quintinus, keren we terug naar de andere kinderen van Rudolph Pabus Cleveringa en Cornelia Ebels. Dochter Aafjen Sjabbina, die in 1798 werd geboren, trad in het huwelijk met Antonie Frederik Struick, die van beroep commies was op het Departement van Marine in Den Haag. Aafjen Sjabbina overleed op 8 juni 1873 in Groningen. ![]() Alberdaheerd Bij de scheiding en deling van de nalatenschappen viel na het overlijden van het echtpaar Cleveringa de Alberdaheerd met de erbij behorende landerijen toe aan zoon Enno Ebels, die in 1801 geboren was. Het lag voor de hand, Enno Ebels was reeds op deze heerd werkzaam.
Nog geen jaar getrouwd met Jantje Laurens Brink, moesten ze beleven, dat de Alberdaheerd door blikseminslag werd getroffen en door brand werd verwoest. De heerd werd herbouwd, het bezit aan landerijen vergroot en al spoedig behoorde Enno Ebels tot één van de voornaamste landbouwers in de gemeente 't Zandt. Daarnaast was hij bestuurslid (schepper) van het Zijlvest der Drie Delfzijlen en werd hij in 1844 benoemd tot burgemeester van 't Zandt. Enno Ebels overleed in 1870 en werd begraven op de begraafplaats van 't Zandt, waar ook andere leden van de familie een laatste rustplaats vonden. ![]() Graven van de familie Enno Ebels Cleveringa ![]() Graf van Enno Ebels Cleveringa Fredericus Octavus, die in 1803 geboren werd als achtste (octavus) kind, werd apotheker in Groningen. Zijn huwelijk met Trijntje Eisses Venema bleef kinderloos. Hij overleed in 1887. ![]() Graf Albertus Munthinge Toen in 1814 opnieuw een zoon geboren werd in Het Blauwe Huis, kreeg hij eveneens de naam van een overleden broer: Martinus Everhardus. Na rechten gestudeerd te hebben, koos hij voor een loopbaan bij de rechterlijke macht. Benoemd bij Koninklijk Besluit van 14 november 1863, trad hij op 13 juli 1864 aan als rechter bij de Rechtbank te Appingedam. Van 31 december 1866 tot de opheffing van de Rechtbank in 1877 was hij president van deze Arrondissementsrechtbank. Martinus Everhardus is ongehuwd gebleven. In 1884 overleed hij en werd begraven op De Wierde. ![]() Graf Martinus Everhardus Wandelend door het historisch centrum van Appingedam, waar met zorg is en wordt gerestaureerd, kun je het gevoel krijgen, dat elk moment uit één der monumentale panden een Cleveringa zijn huis verlaat om zich te kwijten van zijn dagelijkse bezigheden. Het is geschiedenis geworden. Wat rest zijn de graven, waarvan de stenen fraai of minder fraai bewerkt, in tact of gehavend, soms verdwenen zijn. Ze zijn een herinnering aan een familie van bijzondere betekenis. Literatuur
© tekst + foto's Marten Mulder 2007-2008 |