Van kleermaker in Leiden tot koning van Munster

Geschreven door René ten Dam en Marten Mulder op . Gepost in Kerkelijke geschiedenis

 

Opkomst en ondergang van Jan van Leiden

Wie er niet op let, zal ze niet zien, de drie stalen kooien die aan de zuidzijde van de Lambertuskerk in Munster hangen. Het is ook niet gewoon om dergelijke grote kooien aan een kerktoren te zien hangen. De onwetende voorbijgangerKerktoren Lambertuskerk Munster kan alleen maar gissen. Een oud lokaal symbolisch gebruik? De werkelijke reden zal menigeen de wenkbrauwen doen fronsen, want in één van de kooien werd in 1536 ‘Jantje' van Leiden, koning van Munster, na zijn terechtstelling aan de kerktoren gehangen waar de vogels en het weer zich over zijn resten bekommerden.
Een terechtstelling die de veroordeelden geen enkele illusie gaf. Met gloeiende tangen werd al het vlees van de botten ‘gereten en afsluitend het hart en de keel met gloeiende ijzers doorboord’. Het lichaam van de gevallen koning kwam in de middelste en hoogste kooi te hangen. In de andere kooien werden de lichamen geplaatst van Knipperdolinck en Krechting, leden van de regering van de koning. Overgeleverd aan vogels en het weer.
Vijftig jaar na de gerechtstelling op het Domplein werden de laatste botresten gesignaleerd.

Hoe kwam het dat een eenvoudige kleermaker uit Leiden in Munster stierf als koning? De eenvoudige koopmanszoon die door overmoed zichzelf tot koning van Munster uitriep, werd in zijn tijd beschouwd als instrument van satan en iemand die zich 'mooiprater' werd gezien.

De voorgeschiedenis

Kooien MunsterOmstreeks 1500 begon Europa een nieuw leven. De boekdrukkunst en het buskruit waren uitgevonden. Naar Copernicus draaide de zon niet meer om de aarde, maar de aarde om de zon. De burgerij deed van zich spreken en de adel verloor zijn militaire rol. Amerika werd ontdekt en de aanzet tot wereldhandel en koloniale politiek werd gegeven. Bij alle vernieuwing echter bleef de kerk achter. Hervormingen liepen dood doordat pausen hun macht consolideerden. Onderhuids woekerde de onvrede over de geldzucht van de pausen en de levenswandel van de clerus. Boeren hadden zwaar te lijden van de lasten die de kerk oplegde. Tot een uitbarsting kwam het in 1525 in de Boerenopstand.
Inmiddels had Maarten Luther in Duitsland de strijd met de kerk van zijn dagen aangebonden. Doorslaggevend werd voor hem de Bijbel als het woord van God en niet de leer van de kerk. Zijn strijd tegen de aflaathandel werd de lont in het kruitvat. Luthers "95 Thesen om de waarheid aangaande de aflaat aan het licht te brengen", door hem aangebracht op de deur van de Slotkerk te Wittenberg op 31 oktober 1517, waren het logisch gevolg van de inzichten die hij zich verworven had in het bestuderen van de Bijbel. Deze inzichten leidden er ook toe dat Luther de sacramenten van de kerk beperkte van zeven tot een drietal: de Doop, het Avondmaal en de biecht.
Op het punt van Doop en Avondmaal zou het tussen Luther en de Zwitserse reformator Zwingli tot een hevig conflict leiden. Ging het Luther om wat God doet, God, die in de handeling van het sacrament tot ons afdaalt, Zwingli liet de gedachte los dat we in het sacrament te maken zouden hebben met een daad van goddelijke openbaring. Was voor Luther het sacrament een teken dat God geeft, voor Zwingli was het een teken dat de mens geeft, een teken waarin de mens blijk geeft van zijn trouw aan God en zijn verbondenheid met de gemeente.
Naast de bewegingen in gang gezet door Luther en door Zwingli was er een derde beweging, die van de Dopers, de Wederdopers (Anabaptisten). Binnen deze beweging treffen we ideeën aan van wettische heiliging, revolutionaire toekomstverwachting, individualistische mystiek en een redelijk-zedelijk christendom en hen, die zich hadden los gemaakt van het gedachtengoed van Luther en van Zwingli. De kinderdoop werd afgewezen. De doop diende slechts voltrokken te worden aan volwassenen als teken van hun beleden geloof. Was men als kind al gedoopt, dat stelde niets meer voor, men moest opnieuw (weder) gedoopt worden.
Ideeën met betrekking tot revolutionaire toekomstverachtingen oefenden veel aantrekkingskracht uit. Vervolgd door de roomse en de "hervormde" overheden van die dagen vond men niet alleen elkaar, de beweging groeide. Leider werd Melchior Hoffmann, voor wie de verwachting van een spoedige oprichting van het duizendjarig vrederijk, waarin Christus vergelding zou doen aan de vijanden van zijn verdrukte gemeente, de kern werd van zijn boodschap. Het zou in 1533 in Straatsburg plaatsvinden, met Allerzielen. Hem wachtte daar echter op grond van zijn revolutionaire ideeën slechts gevangenschap, die tien jaar later eindigde met zijn dood. Zijn boodschap bracht velen in vervoering, met name in de Lage Landen. Daar riep al spoedig Jan Matthijsz, een bakker uit Haarlem die zich hield voor de profeet Henoch, op om het ophanden zijnde Godsrijk te verwerkelijken. In Munster zou het Nieuwe Jeruzalem worden gerealiseerd.

 

Van kleermaker tot apostel

Jan van LeidenTerug naar Leiden, daar was in 1509 Jan van Leyden geboren als Jan Beukelsz, zoon van de onderschout van Zevenhove. Jan ging jong in de leer bij een Leidse kleersnijder, maar in economische slechte tijden zocht hij als vijftienjarige zijn geluk elders. Na vier jaar in Londen te hebben gewoond, verbleef hij kort in Antwerpen voordat hij weer terugkeerde naar Leiden. Daar trouwde hij een schippersweduwe en vertrok naar Portugal om via de Noord-Duitse hanzestad Lübeck weer naar Leiden terug te keren. Daar begon hij op twintigjarige leeftijd een herberg, In den Witte Lely. Jan droeg er gedichten voor en speelde toneel, waarbij hij vooral de kerk bespotte. Hij trof er gelijkgestemden en nadat hij gehoord had over de Munster predikant Bernhard Rothman, vertrok hij ondanks protesten van zijn vrouw in de zomer van 1533 naar Munster. Begeesterd keerde hij na drie maanden terug en kwam onder invloed van Jan Matthijsz, die visioenen had waarin de spoedige doorbraak van het Koninkrijk Gods en het Laatste oordeel centraal stond. Jan liet zich ook dopen door Jan Matthijsz. Na de doop mocht Jan zelf ook dopen en verliet hij wederom huis en haard, ditmaal om als 'apostel' de goddelijke boodschap te verkondigen.

 

Van apostel tot profeet

Verkoop van bezittingen door wederdopers voorafgaand aan hun vertrek naar MunsterAllerzielen 1533 ging voorbij zonder rampspoed en Nederlandse wederdopers eigenden zich de profetie van het Laatste Oordeel toe. In de Hanzestad Munster vonden ze een stad waar ze in veiligheid de jongste dag konden afwachten, een Nieuw Jeruzalem. De bevolking van Munster had zich afgekeerd van bisschop Franz van Weldeck en ontving de Nederlandse wederdopers hartelijk. Onder de nieuwe bewoners ook Jan van Leiden. Het aantal wederdopers in de stad nam snel toe en door openbare doopsessies op het marktplein wende men al snel aan de veranderingen. En uit alle delen van het toenmalige Nederland kwamen volgelingen naar Munster. Ook Jan Matthijsz. Hij betoogde dat God van Munster een stad van heiligen wilde maken en dat de stad gezuiverd moest worden. Eind februari 1534 werd iedereen van het bed gesleurd en kreeg de keuze: gedoopt worden of vertrekken. Jan Matthijsz voerde een strikbewind uit en tekenen van de 'oude' religie werden vernield. Beelden in de Domkerk werden stukgeslagen, kerktorens en kloosters werden van hun spits ontdaan en massale boekverbrandingen vonden plaats. Alleen bijbels mochten bewaard blijven. Persoonlijke bezittingen moesten bovendien afgestaan worden, ieder diende evenveel bezittingen te hebben. Meer dan tweeduizend mensen verlieten de stad, maar dit werd in die periode ook aangevuld met nieuwe volgelingen.
In de omgeving van de stad begon bisschop Franz met zuiveringen. Alle wederdopers en ook Lutherse vluchtelingen uit de stad werden terechtgesteld. Anderen wachtten hetzelfde lot.
Jan van Leiden doopt een meisjeOp paaszondag 1534 besloot Jan Matthijsz met een twintigtal mannen, meer had hij niet nodig want ze waren onkwetsbaar op deze dag, om een uitval te doen naar de troepen van bisschop Franz. Terwijl zijn volgelingen op de stadsmuur stonden om zijn zegetocht te aanschouwen, werd Jan Matthijsz meteen overrompeld en in stukken gehakt. Zijn hoofd werd ter afschrikking op een spies geplaatst vlak voor de stadsmuur.
Met de dood van Jan Matthijsz leken de wederdopers ten einde raad. Maar beoogd opvolger Jan van Leiden stond op als nieuwe profeet en vormde een college van twaalf oudsten. Met deze verwijzing naar de twaalf stammen van het joodse volk had Nieuw Jeruzalem nu een nieuwe regering. Niet alleen stond Jan aan het hoofd van een religieuze gemeenschap, ook leidde hij de stad onder het beleg van de bisschoppelijke troepen. Gedreven begon hij te werken aan de verdediging van de stad en liet de stad omtoveren tot een eigentijdse oorlogsindustrie.
Gedreven door geldnood plande bisschip Franz met zijn krijgsraad een stormloop op de stad. Deze zou moeten plaatsvinden op de dag van de Uitstorting van de Heilige Geest, pinkstermaandag 1534. Het plan mislukte echter jammerlijk en zonder dat een kanonschot was gevallen verloor de bisschop een paar honderd man. Een tweede stormloop in augustus werd een nog groter debacle. Drieduizend doden en gewonden telde het bisschoppelijk kamp na een dag strijd.

 

Van profeet tot koning

Belegering van MunsterIn Munster was een nieuwe profeet opgestaan, Jacob Dusentschuer. In een visioen had God hem verteld dat Jan van Leiden koning zou zijn over de hele aarde. Hierna zalfde Dusentschuer Jan van Leiden, die vervolgens een enorme hofhouding samenstelde. Nadat veelwijverij vlak daarvoor was ingevoerd, verhoogde Jan van Leiden zijn schare vrouwen tot zestien. Zijn eerste vrouw, de weduwe van Jan Matthijsz, werd koningin.
Langzamerhand verloor Jan van Leiden echter zijn macht en volgelingen durfden zijn macht ook ter discussie te stellen. Zo ook de voormalig burgemeester van Munster, Knipperdollinck, die invloed kreeg op de beslissingen van koning Jan.
Ondertussen duurde het beleg van bisschop Franz voort en werden voorbereidingen getroffen om de stad te verlaten. Het plan mislukte, maar Jan kreeg een voorspelling, het Laatste Oordeel zou vallen op Pasen, 28 maart 1535.

In de Lage Landen roerden de Wederdopers zich op een dusdanige wijze dat overheden zich genoodzaakt zagen hier hard tegen op te treden. Velen vonden de dood op het schavot.
In Amsterdam, waar de Wederdopers in een paar jaar tijd een grote gemeenschap wisten te vormen, trachtten een veertigtal rebellerenden de macht te grijpen, maar liep de bezetting van het Stadhuis op de Dam op 10 mei 1535 uit op een volledige mislukking. Een bloedige bestraffing volgde. Op de Dam werd hun hart „levendig uit het lichaam gesneden en in hun aangezicht geworpen", de lichamen werden gevierendeeld en opgehangen bij de stadspoorten, terwijl de hoofden op staken werden gespietst. Elke doper werd verdacht van revolutionaire plannen en van hulp aan Jan van Leiden en consorten.

Noodgeld Munster 1921Intussen was de stad Munster omgeven door een aangesloten palissade. De stad was hierdoor hermetisch afgesloten en de bevolking hongerde langzaam uit. Diegenen die de stad ontvluchtten werden gedood. Jan van Leiden probeerde de uittocht van zijn volgelingen tevergeefs te voorkomen en door verraad viel de stad in de nacht van 24 op 25 juni in handen van de belegeraars. Het grootste deel van de overgebleven mannelijke bevolking, zo'n 600 personen, werd die nacht afgeslacht. Jan van Leiden werd met enkele raadsleden gevangen genomen, maar de meesten van hen werden gedood zonder proces.
Jan van Leiden werd een attractie die een half jaar langs dorpen en bevriende hoven werd gevoerd. Op 12 januari 1536 vond zijn proces plaats op een verhoogd schavot op het Domplein van Munster. Koning Jan, kanselier Knipperdollinck en raadslid Bernd Krechting werden beschuldigd van een boosaardige en verboden religie in de stad te hebben gebracht, onder het voorwendsel van een goederengemeenschap de burgers van Munster te hebben beroofd en veel bloed te hebben vergoten door de bevolking op te zetten tegen de overheid. Direct na het proces volgde de terechtstelling van de drie mannen. Ze vonden hun laatste rustplaats in de drie kooien aan de Lambertuskerk, welke de argeloze passant eeuwen later nog herinnert aan deze bijzondere geschiedenis.

 

500 jaar later

Wie een graf zoekt van Jan van Leiden zal anders dan een lege kooi niets vinden. Het ontbreken van een graf was niet ongebruikelijk bij doodstraffen. Op 10 juli 1535 werd in Amsterdam Jacob van Campen, bisschop van de wederdopers, onthoofd. Zijn hoofd werd met bisschoppelijke mijter op een staak geplaatst en zijn lichaam werd verbrand om alle sporen van het aardse bestaan van deze zondaar uit te wissen. Maar niet alleen deze wederdopers werd een fatsoenlijk graf onthouden, misdadigers die eindigden aan een galg werden vaak voer voor de vogels. Ter afschrikking bleven hun lichamen hangen, totdat ze zover vergaan waren dat ze in de put bij de galg verdwenen.

Jan van Leiden kreeg weliswaar geen graf, maar overleefde wel in een uitdrukking. Lamb. Hortensius, een tijdgenoot van Jan van Leiden spreekt van zijn ‘loos verciersel’ , zijn ‘schalck en gheveynst’ gemoed en zijn ‘vleyende redenen’. Hij werd dus gezien als een mooiprater. Zo ontstond de zegswijze ‘het afleggen met Jan van Leyen’, oftewel zich met een mooi praatje of een smoesje er van afmaken. De betekenis van de uitdrukking is tegenwoordig iets anders, het wordt meestal gebruikt als iemand iets maar half afmaakt of afraffelt.
Zijn gedachtengoed heeft de tand des tijds niet doorstaan, maar leven en dood van Jan van Leiden prikkelt bijna 500 jaar later nog steeds de geest.
(2014)

 

Literatuur en bronnen

Internet

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section

Contact

E: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.