| Deventer - Grote of Lebuïnuskerk |
| door René ten Dam |
|
OntstaansgeschiedenisIn de achtste eeuw trok de uit Engeland afkomstige Lebuïnus richting Salland. Hij stichtte eerst een kapel in Wilp, om van daaruit zijn zendingsactiviteit op het noorden te richten. Vervolgens stichtte Lebuïnus een kerk in Deventer. De heidenen staken deze kerk enkele jaren daarna in brand. Kort daarop werd de kerk herbouwd en na zijn dood werd Lebuïnus in deze kerk begraven. Daarna werd de kerk opnieuw verwoest door de heidenen. In 775 zond de Utrechtse bisschop Alberik I de diaken Liudger naar Deventer. Hij begon met de herbouw van de kerk, maar de verwoesting bleek zo grondig te zijn geweest dat de juiste plek van het graf van Lebuïnus niet kon worden terug- gevonden om op die plaats het koor van de nieuwe kerk te bouwen.
CrypteDe crypte is het oudste deel van de kerk. In de crypte staat een sarcofaag die bij opgravingen in 1960 onder de kerkvloer is gevonden. Waarom een crypte gebouwd werd is niet helemaal duidelijk. Crypta is Latijn voor het verborgene en de eerste Christenen bedoelden er de grafkapel in de catacomben mee, waar vaak de begraafplaats van een heilige was. In de romaanse tijd werd de ruimte ook gebruikte voor de verering van relieken, of als begraafplaats van vooraanstaande burgers. De crypte is nog tot de Hervorming gebruikt, vooral met Pasen, omdat het altaar van het H. Kruis er stond. Resten van het altaar zijn nog zichtbaar.
BisschopsgravenIn 1841 ontdekte men tijdens werkzaamheden voor het koor de grafkelders van de bisschoppen van Aegidius de Monte (± 1577) en Godefridus van Mierlo (± 1587, bisschop van Haarlem). In de kelder lagen de resten van twee doods- kisten en twee lichamen. Ook vond men twee houten kromstaven, welke aantoonden dat het ging om twee bisschoppen. Na deze ontdekking werd de grafkelder weer aan het oog ontrokken en raakte in de vergetelheid. In maart 1985 werd de grafkelder door onderzoekers opnieuw ontdekt. Teneinde deze voorgoed aan de vergetlheid te onttrekken is op de ingang een steen gelegd met het opschrift: "Ingang bisschoppelijke grafkelder, gevonden 1841 en 1985".
Grafstenen, gedenkstenen en epitafenEind 16e eeuw werd de St. Lebuïnus een hervormde kerk en is dat gebleven tot op de dag van vandaag (met uit- zondering van de Spaanse bezetting 1589-91 en de Franse bezetting 1672-74). Beelden en grafschriften zijn in die tijd ook verdwenen. In de 18e eeuw heeft de toenmalige houten vloer een deel van de grafzerken gespaard voor het wegkappen van de grafwapens door de Fransen.
Literatuur
|