Vught - De grafzerk bij de Vughtse toren

Geschreven door Hanneke Das-Horsmeier op . Gepost in Noord-Brabant

 

Onthulling van de grafsteen tegen de noordwand van de St.-Lambertustoren door burgemeester Roderick van de Mortel en wethouder Ben Brands. Rechts staat Bertie Geurts, projectleider van de restauratie van de toren door Bouwbedrijf Van Dinther te Schaijk. (Foto Freek Jansen, 28 augustus 2007)In 2006-2007 onderging de Vughtse St.‑Lambertustoren een ingrijpende restauratie. In augustus 2007 vond een feestelijke afronding plaats door de onthulling van een enorme grafsteen tegen de noordelijke muur van de toren. De zerk lag oorspronkelijk op het St.‑Lambertskerkhof en dekte het graf van de veertienjarige Pieter Anthony van Wiedenkeller. Hij werd in 1775 in de protestantse Lambertuskerk in Vught gedoopt en overleed in 1790. Zijn grafsteen heeft sinds 1790 op verschillende plaatsen gelegen. Naarmate het onderzoek naar de achtergronden van de zerk vorderde, ontrolde zich een opmerkelijke geschiedenis.

 

De familie van Pieter Anthony van Wiedenkeller

Pieter Anthony was de zoon van Johan Balthasar van Wiedenkeller en Maria Agatha Louise von Reden. Met deze ouders en zijn grootouders had hij een kleurrijke achtergrond. In de verschillende archiefstukken en publicaties worden zowel hun voor- als achternamen op diverse manieren geschreven. Zo wordt de naam van Pieter Anthony’s familie nogal eens als Van Wijdenkeller weergegeven. In dit artikel wordt gekozen voor Van Wiedenkeller, behalve als het om citaten gaat.[1]

Pieter Anthony’s overgrootvader van moeders kant, Pieter Anthoni baron de Huybert heer van Kruyningen en Rilland, stamde uit een zeer oud en aanzienlijk Zeeuws geslacht. [2] Hij had in het openbare leven veel belangrijke ambten bekleed, waaronder Drossaart van Muyden mitsgaders bailluw en dykgraaf van Gooy-land, zoals op zijn grafsteen staat. In zijn tijd stond hij ook bekend als dichter en letterkundige met onder anderen connecties met Voltaire. In 1780 overleed hij in Den Haag op 87-jarige leeftijd en liet zich niet volgens de gewoonte in een kerk, maar buiten begraven. De geschiedkundige Adriaan Kluit had in 1776 een rede gehouden, waarin hij de regeringen veroordeelde die een zoo schandelijke als verfoeilijke gewoonte in stand houden om de lijken der dooden in de Het wapen De Huybert op de grafzerk van Pieter Anthoni baron de Huybert (1693-1780), overgrootvader van Pieter Anthony van Wiedenkeller. De grafzerk bevindt zich op de begraafplaats ‘Ter Navolging’ in Scheveningen. (Foto Leon Bok, 2003)meestgeheiligste plaatzen, in de talrijkste bijeenkomsten der menschen in den grond te laaten verrotten. Daarmee was de vooruitstrevende overgrootvader De Huybert het volledig eens en hij liet zich als een van de eersten op de gloednieuwe begraafplaats ‘Ter Navolging’ in de Scheveningse duinen begraven. Zijn familiewapen prijkt in een cirkel op de zerk, met daaronder een grafdicht en zijn personalia.

Zijn dochter Helena Adriana trouwde in 1743 in Den Haag met Friedrich Joachim baron von Reden, kamerheer van George II (1683-1760), koning van Groot-Brittannië en keurvorst van Hannover. Von Reden had in Duitsland zowel een huis in Hannover, als op het platteland.[3] Hun dochtertje werd op 18 mei 1744 als Maria Agate Louise in Hannover in de Reformierte Gemeinde gedoopt.[4] De doopakte is in het Frans gesteld. Bij de vader, Frederic de Reden, staat er bij dat hij toen kamerheer was in dienst van de landgraaf van Hessen. Het gezin woonde nu eens in Hannover en dan weer in Engeland. [5] Op 5 februari 1771 overleed Helena Adriana von Reden-De Huybert in Leiden, een kind achterlatende. Dat was de intussen 26-jarige dochter Maria Agatha, later de moeder van onze Pieter Anthony. Dat Helena Adriana ook een echtgenoot achterliet, staat er niet bij, maar Von Reden was nog in leven, zoals wij nog zullen zien.

Twee jaar later ontstond er een zeer gespannen relatie tussen Maria Agatha en haar familie. Zij had inclinatie gekregen tot Johan Balthazar Wydenkeller, geboortig van Arbon (am Bodensee) in Zwitserland, thans als koetsier woonende bij den WelEdele Heer Pieter de la Court Allerdsz.[6] Zowel haar vader in Hannover, als haar grootvader De Huybert in Den Haag waren fel gekant tegen haar huwelijksplannen, ongetwijfeld omdat zij vonden dat Maria Agatha een huwelijk beneden haar stand zou sluiten. Zij hebben vervolgens geen middel onbeproefd gelaten om dat huwelijk te verhinderen. De boze brieven, rekesten aan de Leidse magistraat en het gerecht, verweerschriften tegen verzoeken bij het Hof van Holland … ze vormen een bijna onontwarbare kluwen. Dat wordt nog bemoeilijkt doordat maar in een enkel geval de originele stukken konden worden achterhaald, en artikelen over dit onderwerp niet altijd betrouwbaar bleken. Zo goed mogelijk is hier getracht dit familiedrama te ontrafelen en te reconstrueren.

Over de afkomst van Johan Balthasar zijn interessante gegevens bewaard gebleven. In een artikel in De Nederlandsche Leeuw uit 1900 werden Johan Balthasar en zijn vader Johannes aangemerkt als baron. In 1941 werd in datzelfde maandblad − na een verbaasde vraag uit Zwitserland hoe dat mogelijk was – op die bewering gereageerd door medewerker Bijleveld van de Leidse archiefdienst: volgens zijn correspondent in Zwitserland wordt deze familie W. in Thurgau tot de zeer eenvoudige lieden gerekend.[7] Thurgau is het kanton waarin aan het Bodenmeer Arbon, de geboorteplaats van Johan Balthasar, ligt. Op enig moment is de familie vanuit Arbon naar Leiden verhuisd, waar vader Johannes in 1745 het poorterschap verwierf: Johannes Weijdekelder, Schoemakers knegt geboortig van Aarbonne in Switserlandt is op getuijgenisse van gerrit Willemse Mr. Schoemaker en Willem Maertens brouwersgast als poorter deser Stede aengenomen op den 13 December 1745.[8] Erg deftig klinkt dat dus allemaal niet.

In het Nationaal Archief in Den Haag is een ongedateerd ‘request antidotaal’ (waarschijnlijk van half augustus 1773) bewaard gebleven, dat namens grootvader De Huybert gericht was aan het Hof van Holland. [9] Daarin keerde hij zich in scherpe bewoordingen tegen het voorgenomen huwelijk. Over zijn kleindochter schreef hij, dat zij … bereyds al overlang heeft gehouden een zeer dissolut (losbandig), en oneerbaar leven.− dat des Suppliants voornoemde kleyndogter haar al verders niet heeft ontsien, om met eene Johan Balthasar Weydenkeller, welke actueel als koetsier bij de la Court te Leyden is dienende, zedert een geruyme tijd herwaarts zeer famieljaar te verkeeren, haar met trouwbeloften te engageren, en met denselven Johan Balthasar Weydenkeller vleeselijke conversatien te plegen, waardoor zij volgens haar voorgeven soude sijn bevrugt, en bereyds drie maanden swanger wesen, en dus voornemens was geworden om sig binnen korte met denselven in huwelijk te begeven. Grootvader schreef aan het Hof dat hij haar had gewezen op haar buytensporige conduitens (gedragingen) en onbesonne voornemen, maar dat zij naar geen vermaning of raad wilde luisteren. Daarop had hij de wethouder van Leiden verzocht hem te authoriseren en qualificeren om desself voornoemde kleyndogter te mogen doen logeren in een vrouwenverbeterhuijs totdat zij tot inkeer was gekomen. Maar Maria Agatha was − zo schreef De Huybert − door sinistre intriges achter deze plannen gekomen, en had vervolgens notaris en procureur Isak Elias Luzac uit Leiden als haar officiële vertegenwoordiger in de arm genomen. Deze moest de wethouder verzoeken om niet op grootvaders wens inzake het confinement (opsluiting) in te gaan. Maar de wethouder vond de redenen en motieven van De Huybert dermate steekhoudend, dat hij het verzoek van Maria Agatha zonder meer naast zich neerlegde en op 6 augustus 1773 grootvaders verzoek inwilligde. Deze stelde daarop alles in het werk om met zijn kleindochter in contact te komen, maar die had kort bevorens met de vlugt uyt de gemelde Stad geretireert. Zij had dus de benen genomen, maar had wel op 7 augustus bij het Hof tegen de gang van zaken officieel geprotesteerd. Op zijn beurt protesteerde De Huybert daar weer tegen, en hij vond dat zijn kleindochter met haar acties niets anders kon bedoelen dan hem en zijn familie meer en meer een zielsgrievende droefheyd aan te doen.

In het Leidse archief bevindt zich in een dik pak met missiven een belangrijke brief d.d. 29 oktober 1773, gericht aan baron von Reden in Hannover, ditmaal in dienst van de koning van Zweden.10] Het stuk werd op verzoek van het Geregte van Leijden geschreven door Burgemeesteren en Regeerders der Stad Leijden. Zij schreven onder meer dat het hun bekend was, dat de geadresseerde op 24 september grootvader De Huybert had gemachtigd om namens hem 1) het huwelijk te beletten en 2) voorts te handelen zoo en in dier voegen als hij als Grootvader nodig en oirbaar zal oordelen. In de brief wordt echter duidelijk aangegeven, dat volgens de wet huwelijken van meerderjarigen niet door hun ouders kunnen worden belet, tenzij die daarvoor tijdig en met deugdelijke redenen van disconsent komen. Bovendien, zo schreven zij, heeft de wet het alleen over ouders, niet over grootouders. Met andere woorden: grootvader De Huybert had in deze zaak niets in te brengen, ook niet als procureur namens vader Von Reden. Deze diende daarop in een brief van 5 november bij het gerecht alsnog zijn bezwaren in.[11]

Op 30 november 1773 riep Maria Agatha de hulp in van het Leidse stadsbestuur, omdat zij van haar vader geen toestemming voor haar huwelijk kreeg. [12] De Edele Groot Achtbare Heeren van den Geregte oordeelden uiteindelijk dat de door hem ingebrachte bezwaren niet doorslaggevend waren. Vader en grootvader trokken dus aan het kortste eind.

 

Huwelijk in 1774

Na deze stormachtige aanloop werd het huwelijk op zondag 16 januari 1774 in de protestantse, weinig aanzienlijke Loodskerk in Leiden gesloten. In de trouwakte staat dat Jan Balthasar toen woonde op de Langebrugge en Maria Agatha Freule van Reden op de Breedestraat, een aanzienlijk deftiger straat. Volgens een aantekening in de marge had het bruidspaar van het stadsbestuur toestemming gekregen om de twee huwelijksproclamaties en het huwelijk op één en dezelfde dag te laten plaats vinden. De eerste huwelijksproclamatie werd afgekondigd vóór de voormiddagse en de andere na de voormiddagse predicatie. [13] Er was haast bij, want de bruid was hoogzwanger! Precies een maand later werd zoontje Pieter Antonij in de Hervormde Hooglandse kerk in Leiden gedoopt.[14] Deze zal merkwaardig genoeg vernoemd zijn naar overgrootvader De Huybert! Het jongetje moet echter jong zijn overleden.[15] Die zomer kreeg het echtpaar zijn kerkelijke attestatie voor een verhuizing naar Vught: Den 21e Augustus Johan Balthazar Wydekeller laetst gewoont hebbende op de Breestraet naer Vucht. [16]Waar zij in Vught naar toe gingen, is niet duidelijk; in ieder geval nog niet naar kasteeltje Spreeuwenburg.

Gezicht op de St.-Lambertskerk met kerkhof. Gewassen pentekening, o.i. inkt, 102 x 75 mm, tussen 1786 en 1792 getekend door J. Bulthuis en ‘in het koper gebracht’ door K.F. Bendorp. (Universiteit van Tilburg, Brabant-Collectie) In 1775 werd opnieuw een zoontje geboren, en wel ‘onze’ Pieter Anthony, die dus de namen van zijn overleden broertje en overgrootvader kreeg. Op 17 december werd hij in de protestantse Lambertuskerk in Vught gedoopt, ongetwijfeld door Ds. Clemens Keuchenius, predikant aldaar van 1732 tot zijn emeritaat in 1782. Een peter en meter worden niet vermeld. Op 6 juli 1777 volgde in dezelfde kerk de doop van Anna Catharina, waarbij de grootouders van vaders kant, de Leidse poorter Johannes en diens vrouw Anna Catharina Nennij, peter en meter waren. Een jaar later werd op 16 augustus in Vught Carel Lodewijk Christophor gedoopt. Meter was Clara Lorifa Christina van Rheden, nu dus iemand van moeders zijde.[17] Daarna liet het echtpaar nog vier kinderen in de protestantse Grote kerk in Den Bosch (de St.‑Jan) dopen:[18] op 27 mei 1781 Constancia Roebertina (met als peet Roebert Hampden Trevor), op 4 juli 1783 Johan Balthasar (met als doopgetuige de vader zelf ),[19] op 9 december 1785 Maria Agatha Louwisa en op 26 augustus 1787 Helena Adriana.

Waarom Constancia en volgende kinderen in Den Bosch werden gedoopt, is onduidelijk. Waarschijnlijk heeft de status van de Grote kerk meegespeeld. Daar lieten bijvoorbeeld Gijsbert XI van Beresteijn, heer van Maurick, en Maria van Groenewegen tussen 1775 en 1790 negen van hun twaalf kinderen dopen; zes kinderen werden er ook begraven.[20] Volgens een artikel in De Brabantse Leeuw zouden in dit gezin nóg twee zoons zijn geboren: Carl, geboren in 1770 in Den Bosch, en Laurens Lodewijk op 16 oktober 1784 in Zwitserland te Herizau, kanton Appenzell. [21] Carl was echter zeker geen zoon uit dit gezin. In het Leidse archief is geen enkele aanwijzing gevonden over een eventueel voorkind Carl (Von Reden of Van Wiedenkeller). [22] Bovendien wordt Pieter Anthony na zijn overlijden in 1790 door zijn vader de oudste zoon genoemd. Wat Laurens Lodewijk betreft is er in Zwitserland tot nu toe tevergeefs gezocht naar zijn geboorteakte, die uitsluitsel had kunnen geven of hij uit het Vughtse gezin afkomstig was. Onmogelijk is het overigens niet dat er omstreeks oktober 1784 nog een kind binnen dit gezin zou zijn geboren.

 

De carrière van Johan Balthasar van Wiedenkeller

Koetsier Johan Balthasar heeft zich in de loop van de tijd maatschappelijk opgewerkt. Bij de Hollandse huzaren (zie later) was hij ritmeester, en in 1807 – na zijn pensioen bij de cavalerie – bekleedde hij de nog hogere rang van luitenant-kolonel bij de Gendarmerie (politieruiterij) van het Koninkrijk Holland.[23] In 1802 had hij landelijke bekendheid gekregen met zijn plan tot oprichting van een korps marechaussee of gendarmerie. In 1803 viel het besluit tot oprichting van een compagnie marechaussee in het departement Brabant. Na de instelling van het Koninkrijk Holland in mei 1806 werd aan het Corps Hollandse gens d’armes (voorheen het korps Bataafse gens d’armes) het predikaat Koninklijk verleend. Luitenant-kolonel Van Wiedenkeller was de eerste die het gebruikte. In 1814 werd de Koninklijke Marechaussee opgericht als voortzetting van de gendarmerie uit de Bataafse en Franse tijd. Weinigen zullen weten dat Van Wiedenkeller aan de wieg heeft gestaan.[24] Als hij in 1812 het Vughtse landgoed Spreeuwenburg verkoopt, is hij Lieutenant collonel pensionné, domicilie à Vugt.

In Vught zou hij in 1787 schepen zijn geworden,[25] maar dat is onjuist. Wel is hij korte tijd plaatsvervangend drossaard of baljuw (hoofd plaatselijke politie en justitie) geweest. De Fransen waren in 1794 het dorp binnengevallen en er werden in Vught en Cromvoirt − gezien de moeilijke omstandigheden − extra ‘noodschepenen’ benoemd om de werkdruk van de zittende schepenen te verlichten. Ook hoogschout A. van Hanswijk kon het werk niet aan en op 17 november 1794 … heeft dezelve tot Drossaart of Bailluw aangesteld ad Jnterim den gepentsioneerde Ritmeester Johan Balthasar von Wiedenkeller, wonende alhier.[26] Zou deze toen even hebben teruggedacht aan Pieter Anthony de Huybert, die ook drossaart en baljuw was geweest en zijn huwelijkplannen zo had tegengewerkt?

De notulen van de vergaderingen van het dorpsbestuur uit de maanden daarna werpen een verrassend licht op Van Wiedenkeller, en zijn de moeite van het lezen waard. Problemen waren er genoeg, waarbij hij in die roerige tijd doortastend en inventief optrad. Er vonden plunderingen plaats, zoals onder anderen Ds. Joan van Nouhuijs ondervond. [27] Veel Vughtenaren waren in september naar Den Bosch gevlucht. Toen Van Nouhuijs op 16 september met een pas in Vught poolshoogte kwam nemen, vond hij zijn Pastorij geheel uitgeplunderd. [28] Problemen waren er ook door gebrek aan meel en brood. Veel werd weggekocht door de Franse militairen en broodgebrek zou kunnen leiden tot oproer.[29] Er waren boeren die bij levering van koren uitsluitend Hollands of zilvergeld wilden accepteren en geen Franse assignaten. [30] Verder was er te weinig geld in de gemeentekas, waardoor men zich genoodzaakt zag een lening à 2.000 gulden in Franse assignaten af te sluiten. Er moest extra hout, olie en stro zijn voor de wacht. In het Zuidkoor van de St.‑Lambertuskerk, waar onder normale omstandigheden school werd gehouden, was een Hospitaal der Fransche alhier ingericht, dat om aandacht vroeg en waar Strooij, Vleesch, Brood, Reijst en Selderie voor de zieken nodig was.[31] Ook waren inkwartieringen aan de orde van de dag. [32] Een dergelijke tijd vraagt om een strakke hand van besturen, wat Van Wiedenkeller wel was toevertrouwd. Zo accepteerde hij geen laatkomers op de vergaderingen, [33] de schepenen moesten al hun handelingen vastleggen en er mocht geen regent het dorp uit zonder kennisgeving aan den Drost (drossaard) of bij absentie aan den President.

 

Een militair afmelden.

Op zondag 5 juli 1795 vond op het raadhuis aan de Helvoirtseweg een afscheidsvergadering plaats.[34] Van Wiedenkeller liet de schepenen weten dat hij zijn functie uitsluitend tíjdelijk had geaccepteerd, en de hoogschout diverse malen om ontslag had gevraagd. Het was hem nooit om geld te doen geweest (niet uyt vuyl eijgenbelang of eenige belooninge), maar de beste beloning was geweest dat hij sijne medestervelingen van dienst had kunnen zijn. Hoewel hij graag wilde meewerken tot algemeen welzijn der waare vrijheyd, rust en vijligheijd, voor al van deese plaatse, zag hij zich nu genoodzaakt voor de post te bedanken: hij wilde als gepensioneerd officier niet langer zijn standsgeld voor niets ‘trekken’ en had reeds over lang een Request (...) gepresenteerd om wederom in S’Lands dienst te worden geëmployeert, wat binnenkort ook zou gebeuren. Het was voor hem ondoenlijk om in deze kritieke omstandigheden twee functies te combineren. Hij bedankte niet alleen alle aanwezigen, maar alle ingezetenen van Vught en Cromvoirt voor de goede harmonie en het vertrouwen, en wenste hen wesentlijk heijl en Broederschap toe.

Dat hij ook buiten dit werk om een interessant netwerk had opgebouwd, blijkt uit zijn lidmaatschap van het Tilburgse exercitiegenootschap ‘Voor het Algemeen Belang’, waarvan ook landmeter Hendrik Verhees en de Vughtse predikant Nicolaas Hendrik Vrijthoff deel uitmaakten. [35] En in 1790 is hij korte tijd, samen met Christiaan en Gijsbert van Beresteijn, eigenaar van Leeuwenburg geweest.[36]

 

Kasteeltje Spreeuwenburg, het ouderlijk huis van Pieter Anthony

Pauwels van Hillegaert maakte diverse schilderijen van het beleg van Den Bosch door Frederik Hendrik. Op deze uitsnede is links van het midden het kasteeltje Spreeuwenburg, met torentje, in een bosje langs de Dommel, goed te zien, evenals Kouwenberg, iets meer naar rechts (ca. 1631). Zie ook een ander schilderij van hem op p. 48. (Delft, Legermuseum, ex.nr. 050703)Pieter Anthony zal in Vught gewoond hebben op kasteeltje Spreeuwenburg, dat zijn vader in 1783 had gekocht. [37] Waarschijnlijk had diens echtgenote vermogen, waaruit deze koop kon worden bekostigd. De toegang tot Spreeuwenburg lag tegenover Zionsburg aan de Taalstraat en op de markante driesprong van belangrijke doorgaande wegen. Op de posten van de toegangspoort stond indertijd de naam ‘Spreeuwenburg’.[38] Doordat het landgoed al vanaf de zestiende eeuw in veel aan- en verkoopaktes wordt genoemd en beschreven, kunnen we ons van kasteeltje en omgeving enige voorstelling maken. Afbeeldingen zijn tot nu toe niet gevonden, behalve op een enkel schilderij, dat het beleg van Den Bosch in 1629 tot onderwerp heeft. In het landschap zien we daarop inderdaad een kasteeltje aan de Dommel, in de omgeving van Kouwenberg en het voormalige Kartuizerklooster.[39]

Bij een verkoop op 7 augustus 1710 wordt het omschreven als een Casteel ofte omwaterde Huijsinge metten Singel of Stal, ende Schuyre genaemt Spreeuwenburg, midtsgaders eenen schoonen hof met de hof naest de muere van de Cathuijsers eertijts.[40] Dit alles lag tussen het voormalige klooster en de Kleine Gent, en het strekte zich uit van de Taalstraat tot de Dommel. Op 7 februari 1783 verkoopt dr. Petrus J. van Berkel Spreeuwenburg voor 5700 gulden [41] aan Johan Balthasar van Wiedenkeller.

Aan de verkoop in 1783 hebben we opnieuw een uitvoerige beschrijving te danken. Het wordt nog steeds genoemd: Een Kasteel offte omwaaterde Heerenhuijsinge, met den singel, hof, stallinge ende tuynmanswooninge, gen. Spreeuwenburg, mitsgaders een huysinge en hoff, voor aan den straatweg (...) gelijk ook de geheele sloot (...) uijtvlietende neffens de hooijveltjes agter ’t kasteel in de riviere genaamt den Dommel. Daar lagen twee kleine schuijtjens met desselfs toebehooren viskast[42] etc.. Bovendien kocht Van Wiedenkeller nog een perceel weiland aan de overkant van de Dommel. Bij de verkoop werd bepaald dat hij moest gedoogen dat het kasteel nog tot mei 1784 was verhuurd. Vermoedelijk is hij dus op z’n vroegst in de lente van 1784 met zijn echtgenote en vijf kinderen naar Spreeuwenburg verhuisd. Daar werden nog twee dochtertjes geboren.

Hoe het met onderwijs aan deze kinderschaar was geregeld, is niet bekend. Zou er een huisonderwijzer(es) in dienst zijn genomen? Gingen zij naar het schooltje van meester Ente in het Zuidkoor van de Lambertuskerk? Wij weten het niet. Er zijn geen stukken gevonden die daarover duidelijkheid hadden kunnen geven. Er is trouwens over het algemeen juist in deze periode weinig over onderwijs (toen nog niet verplicht) op schrift gesteld. [43] Wel kan men zich afvragen wat voor invloed alle verblijfplaatsen van deze familie en de verhuizingen binnen Europa, Holland en Brabant hebben gehad op de taalontwikkeling van de kinderen: moeder Maria Agatha in Hannover had een Hollandse moeder en een Duitse vader, en kwam als kind ook in Engeland, vader Johan Balthasar was afkomstig uit het Duitssprekende gedeelte van Zwitserland, beiden hebben in Leiden gewoond en verhuisden tenslotte naar het Brabantse Vught, waar in 1794 ook nog eens de Fransen binnenvielen.

Het moet voor de kinderen op kasteeltje Spreeuwenburg geweldig wonen zijn geweest: er viel veel te beleven! Bij een taxatie van het bezit in 1806 is sprake van huizen, (thee-)koepel, stallen voor paarden en koeijstallinge, wagenhuizen, melkhuis,[44] kar en turfhuis, tuinen, bos en weilanden. Bij een verkoop in 1821 is ook nog sprake van een boomgaard.[45] Achter het huis stroomde de Dommel en van over oude tijden alhier is geweest een geleegenheid, om met schuijten aan te leggen en de goederen te ontlaaden, en zulks achter het goed van den Heer Wijdekeller aan de Veersteeg, Uijtkoomende teegen over den Heere Pastoor op de Steenweg (nu Taalstraat 177). Van en naar deze losplaats, Het Vuchtse Veer, werden goederen met kruiwagens en karren, met ossen bespannen, gebracht.[46] Allemaal erg spannend voor kinderen.

Mogelijk kwam daar in 1788 vanuit Lith en Lithoyen ook de inboedel van de nieuwe dominee, Joan van Nouhuijs, aan wal en anders een eindje verderop bij de andere losplaats die ter hoogte van Taalstraat 64 (vroeger café-restaurant ‘Van ouds Gansoyen’) lag.[47] Deze predikant was hoogstwaarschijnlijk degene die twee jaar later met de initialen I.V.N. een grafdicht voor Pieter Anthony zou schrijven.

In 1812 verkocht Van Wiedenkeller La Campagne Spreeuwenburg aan Abraham Lathouwers, koopman te Vught.[48] Interessant is dat in de verkoopakte onder andere sprake is van une belle maison, pas een paar jaar oud, modern van stijl (d’après le dernier gout), omgeven door water (canaux), dertien mooi gestoffeerde kamers, kelders (caves) et cetera. Ten dele klopt het met wat Van der Aa in 1847 over kasteeltje Spreeuwenburg schrijft: een voormalig buiten, 6.	In de voorgevel van Hotel ‘t Oude Bijltje is nog duidelijk de oude theekoepel van Spreeuwenburg te herkennen. (BHIC; foto Ernst Drissen ca. 1950)afgebroken in 1810.[49] Maar hij zal niet geweten hebben dat er een mooi, modern huis voor in de plaats was gekomen. Dat is overigens geen lang leven beschoren geweest, want Van der Aa schrijft in 1847 dat het bezit ‘platte grond’ is: het nieuwe huis was er toen dus ook niet meer. Wel noemt hij nog een zeer grote stal, en aan de straatzijde − naast nog een zeer fraaije koepel − een huis dat ooit het melkhuis was geweest.

5.	Zicht op het keienstraatje met het voormalige koetshuis van Spreeuwenburg en de oude maalderij, nu Vughts Historisch Museum. (Foto Hanneke Das, juli 2004).Na sloop van dat vroegere melkhuis werd in 1873 op die plaats café ’t Bijltje gebouwd.[50] Bij een latere verbouwing werd de theekoepel van Spreeuwenburg bij café ’t Bijltje getrokken. [51] Die koepel is nog steeds te herkennen bij het keienstraatje dat naar het Vughts Historisch Museum leidt, ook nadat ’t Bijltje sinds 2004 een appartementencomplex en kantoorruimte is geworden.

Er zijn nog meer gebouwen en gebouwtjes die aan het landgoed Spreeuwenburg herinneren, zoals het koetshuis: de grote ronde poort in het keienstraatje rechts voor het museum. De naam Spreeuwenburg heeft nog lang aan het begin van het straatje gestaan[52] en leefde ook voort in ‘Hoenderpark Spreeuwenburg’. [53] Verrassend is dat er volgens ingewijden achter het museum nog funderingen in de grond liggen.[54] Niet duidelijk is of die van het kasteeltje zijn of van het omstreeks 1810 gebouwde huis. Ook is het mogelijk dat het huis op de fundamenten van het kasteeltje was gebouwd.

 

Beschrijving van de grafzerk

Op 8 maart 1790 was Spreeuwenburg in rouw, toen Pieter Anthony overleed. Drie dagen later werd hij – niet ver van Spreeuwenburg − op het St.-Lambertskerkhof begraven.[55] Zijn zerk is de enige die nog aan de vroegere begraafplaats herinnert. [56] De grafzerk van Belgische hardsteen heeft ongebruikelijk grote afmetingen en is uitzonderlijk rijk bewerkt. Het moet een kostbare aangelegenheid zijn geweest, waaraan een steenhouwer een lucratieve opdracht heeft gehad. De zerk meet 133 bij 305 cm[57] en is daarmee groter dan de grootste zerk binnen in de Lambertuskerk. [58] De grafsteen van Pieter Anthony is ook aanzienlijk groter dan die van overgrootvader De Huybert in Den Haag/Scheveningen (108 bij 204 cm).[59] De grafsteen is echter door verwaarlozing en weersinvloeden ernstig aangetast: de teksten zijn bijna niet meer te lezen en de meeste voorstellingen nauwelijks meer te herkennen. Daarom zal alles zo volledig mogelijk worden beschreven. Bovendien reconstrueerde Gerard Scharff aan de hand van de tekst van dit artikel én van oude en nieuwe foto’s een duidelijke tekening van de gehele zerk.

Reconstructie van voorstellingen en teksten op de grafzerk. (Gerard Scharff, zomer 2009)We kunnen zes onderdelen op de grafsteen van Pieter Anthony onderscheiden, met als eerste bovenaan het in hoofdletters gegraveerde gezegde Memento Mori (Gedenk te sterven). Daaronder zien wij in een ovaal schild een in reliëf uitgehakt wapen, dat bijna de helft van de grafsteen in beslag neemt. Het schild heeft aan weerszijden halfronde uitsparingen. Het wapen is doorsneden: boven een burcht met een poort en twee kantelen. In het onderste gedeelte is met enige moeite nog een fabeldier te zien: een gevleugelde draak, van opzij gezien en met een lange, opgeheven staart. Het ziet er niet naar uit dat deze draak ‘geketend’ is, zoals wij nog zullen zien bij de draak in het helmteken.

Vanuit de rechterbovenhoek (om te zien rechts, maar in de heraldiek heet dat links) wordt het dier beschenen door een zon. Boven het wapen zien wij een aanziende, gekroonde traliehelm met om de hals een ovaal medaillon aan een koord; de kroon heeft drie fleurons (bladeren) en twee parels. Vaak is bovenop een helm nog een figuur aangebracht, het zogenaamde helmteken. Gelukkig is dat ook hier het geval, want als helmteken komt de volledige draak duidelijk en nauwelijks afgesleten terug. De staartpunt is verdikt en stekelig. De klauwen staan stevig op de gekroonde helm. Om de nek is een lange keten zichtbaar, die doorloopt achter een fleuron van de kroon, met aan het eind − om te zien aan de linkerkant − een rond medaillon.[60] Links en rechts zijn bladvormige versieringen te zien. In oorsprong waren dit ‘dekkleden’, die achter de helm beginnen en dienden als bescherming tegen de zon.

Nu zou men mogen veronderstellen dat het hier gaat om het familiewapen Van Wiedenkeller. Afbeelding noch beschrijving werden echter tot nu toe in de heraldische naslagwerken aangetroffen. Het lag eigenlijk ook niet erg voor de hand dat de Van Wiedenkellers, die in Zwitserland tot de zeer eenvoudige lieden werden gerekend, een familiewapen zouden hebben.

Vervolgens werd nagegaan of misschien − hoewel ongebruikelijk – één van de wapens van moederskant was afgebeeld. Maar het is noch het wapen van De Huybert, noch het wapen van het Hannoverse geslacht Von Reden.[61] En zo moeten wij waarschijnlijk de conclusie trekken dat dit ‘familiewapen Van Wiedenkeller’ door de ouders zelf – al dan niet speciaal voor de grafzerk – is ontworpen. Het is van alle tijden!

Onder het wapen staan de persoonsgegevens, eveneens gegraveerd in hoofdletters:

 

Pieter Anthony van Widenkeller

in Leven Cadet Onder de Hollandse Hussaren

Gebooren den XVII December MDCCLXXV (1775)

Gestorven den VIII Maert MDCCXC (1790)

 

Pieter Anthony was dus veertien jaar, en als cadet wel erg jong. Toch wordt het niet uitgesloten dat in die tijd jongens van zijn leeftijd in de hoedanigheid van cadet in opleiding werden genomen. [62]

Daaronder zien wij binnen een rechthoekig vlak (55 cm hoog en 100 cm breed) diverse krijgsattributen van een huzaar in reliëf uitgehakt: een niet goed meer als zodanig te herkennen sabeltas met daarboven duidelijk te onderscheiden, geperforeerde riempjes. Achter de tas kruisen een sabel (met kwast en in een foedraal) en een musket elkaar. In de achttiende eeuw ontwikkelde de vuurwapentechnologie zich van de haakbus met lontslot tot het musket met vuursteenslot.[63] De loop alleen al was minstens 1 meter lang. De trekker en de haan zijn nog goed te herkennen. Het afgebeelde geweer is onmiskenbaar een musket en geen karabijn, zoals in diverse eerdere publicaties werd verondersteld. Horizontaal zien we links en rechts van de zadeltas een pistool.

Wie waren de Hollandse Hussaren?[64] Huzaren zijn lichtbewapende militairen te paard. Toen in 1784 de Republiek der Verenigde Nederlanden door de keizer van Oostenrijk, Joseph II, werd bedreigd, werden door de Raad van State lichte troepen huzaren en jagers geworven. Er werd een legioen samengesteld, waartoe acht compagnieën huzaren behoorden. Aanvankelijk waren deze in dienst van de Staten-Generaal. Toen deze twee jaar later tot afschaffing besloten, was Holland het met deze opheffing niet eens en bekostigde het de voortzetting uit eigen middelen. In september 1786 legden de troepen de eed van trouw af aan de Staten van Holland. Bij deze Hollandse Hussaren was de jeugdige Pieter Anthony in opleiding. In 1793 werden de acht compagnieën huzaren tot één regiment samengevoegd, dat – samen met twee compagnieën jagers – opnieuw in dienst van de Staten-Generaal kwam. Maar dat heeft Pieter Anthony niet meer meegemaakt, noch in 1810 de inlijving in het Franse leger. In De Brabantse Leeuw schreef Mr. Belonje dat Pieter Anthony drie broers had met allen een militaire loopbaan bij de huzaren: Carl (* Den Bosch 1770), Carel Lodewijk (*Vught 1778) en Laurens Lodewijk (* Zwitserland 1784). [65] We lazen al dat Carl zeker geen broer is, en van Laurens Lodewijk is het niet zeker of hij tot de Vughtse tak Van Wiedenkeller behoort. Daarvoor zou nader onderzoek nodig zijn. [66]

Op de zerk staan onder de personalia twee gedichten, één in het Nederlands en één in het Duits, maar ze zijn nauwelijks meer te lezen. [67] Boven de Nederlandse tekst ontdekte Scharff nog een aantal letters, waarvan de ontcijfering veel hoofdbrekens heeft gekost. Aan de hand van een nieuwe, scherpe foto, en een foto van circa dertig jaar geleden kwam hij tot Graft-schrift, gevolgd door een dubbele punt.

 

Een voorbeeld van de ware deugd

der oudren hoop en lust en vreugd,

bemind van alle braven,

die de armen dikwijls heeft verheugd,

en sterft in zijne prille jeugd,

ligd nedrig hier begraven.

 

Onder het gedicht staat Amicitiae ergo met de initialen I.V.N.. Deze initialen moeten vrijwel zeker worden toegeschreven aan Ds. Joan van Nouhuijs, die het gedicht ‘uit vriendschap’ schreef. Het was niet ongebruikelijk dat predikanten grafdichten schreven. Niet alleen behoorden zij in een gemeenschap tot de geletterden, maar ook waren zij door hun ambt nauw betrokken bij overlijden en begraven van gemeenteleden.

Het feit dat er ook een Duitse tekst is opgenomen, zal samenhangen met de Noord-Zwitserse achtergrond van de vader, en van de in Hannover opgegroeide moeder met Duitse vader. Het tweede gedicht luidt:

 

Den wohlgemachten Leib regierten Witz und Geist

Was Jugend zieren kann, und muntres Wesen heist

War gantz dein Eigenthum, die Musen küsten dich

Und ehrten deinen Fleisz; ein Jeder drunge sich

Und rief: was soll dies Haupt vor Ehrezeichen haben?

Weicht, rief der Wahre Gott: Ich krohne seine Gaben

 

H. Donkers vertaalde het aldus: [68]

 

Verstand en geest regeerden zijn welgeschapen lichaam.

Wat de jeugd kan sieren en opgewekt gemoed mag heten,

Was geheel Uw eigendom; de Muzen kusten U

en eerden Uw vlijt; ieder verdrong zich

en riep: Wat verdient dit hoofd aan eretekens?

Gaat heen, riep de ware God: Ik kroon zijn gaven!

 

Het fenomeen grafpoëzie is van alle tijden en op zich een studie waard. [69] De belangrijkste beweegreden om poëzie op een grafsteen aan te brengen is om belangstelling voor de mens achter de tekst te wekken en zo de herinnering aan haar of hem levend te houden. Vaak bevatten de gedichten een godsdienstig element, hier in het Duitse gedicht. Een niet onbelangrijke reden voor grafpoëzie is dat vorm en inhoud ook kunnen afstralen op de nabestaanden. In beide teksten komt Pieter Anthony naar voren als een begaafde jongen, knap om te zien en aardig in de omgang. De stellige verwachting is dat God zijn leven zal bekronen.

 

Vier locaties van de grafzerk

Twee betalingen aan de kerkmeester van de St.-Lambertskerk: voor de begrafenis en voor de plaatsing van de zerk. (BHIC, AHGV , inv.nr. 1141, kerkrekening 1790)Voor de plaatsing van de zerk had vader Van Wiedenkeller speciaal toestemming gevraagd aan de Heeren Officier en Schepenen der Heerlijkheid Vugt. In een request d.d. 31 maart 1790 schrijft hij, dat hij zijn oudsten zoon Pieter Antonie van Wiedenkeller onlangs deeser weereld overleeden zijnde, op St.Lamberts kerkhof alhier hadde ter aarde besteld. En want den Suppliant genegen is op dat graft een zark te leggen om het selve te kunnen behouden en des noods altijd te kunnen dienen voor een begraafplaats voor zijne familie. Hij vraagt permissie voor de plaatsing van die grafsteen en biedt uit erkentelijkheid een douceur (geschenk) van twee dukaten, te betalen aan de kerkmeester van Vught.[70] In de Zuidelijke Nederlanden was de waarde van een dukaat in die tijd vijf gulden en vijf stuivers. [71] Dat klopt met wat de kerkmeester van de St.‑Lambertus- en St.‑Pieterskerk noteerde onder het hoofdstuk Ontvang van kerken regten der lijken begraaven wordende in St.Lamberts kerk: ƒ 10-10-0, dus tien gulden en tien stuivers. Opmerkelijk is, dat zowel dit bedrag, als nog drie gulden voor begraafrecht genoteerd werden bij begrafenissen in de kerk. [72] Voor dit aparte geval bestond in de kerkrekeningen geen apart hoofdstuk.

Doorkijk vanuit het Binnenpad (vanaf 1939 Torenstraat genoemd) naar de toren, ca. 1920. Het ‘torenlaantje’ begint na de kruising met de Schoolstraat links naast de oude school (nu speeltuintje). Daarna buigt het links af tussen het kerkterrein en Torengaard. De grafzerk werd in 1893 van het kerkhof verplaatst naar Torengaard om daar als putdeksel te dienen. (Collectie Hanneke Das)De zerk is sinds 1790 diverse malen verplaatst, waarbij wij ons het kerkterrein anders moeten voorstellen dan nu het geval is: het schip van de kerk bestond namelijk nog (afbraak in 1821). Volgens oud-archivaris F. de Bekker bevond het graf zich oorspronkelijk ten noorden van het ‘torenlaantje’. Het torenlaantje liep en loopt vanaf de Schoolstraat langs het speeltuintje, en buigt dan links af tussen de achterkant van Torengaard en het voormalige kerkhof. De zerk werd later zuidelijk van het laantje gelegd.[73] Een krantenartikeltje uit 1949 heeft het eveneens over een oorspronkelijke ligging dichter bij de toren en vermeldt tevens: Bij het verplaatsen, een veertig jaar geleden, is hij jammer genoeg doormidden gebroken. [74]

{sidebar id=34}

Die verplaatsing vond echter niet omstreeks 1909, maar al veel eerder plaats. De reden voor de verandering was de volgende. In de vergadering van 18 augustus 1893 van kerkvoogd en notabelen van de Hervormde gemeente kwam een verandering van het kerkplein ter sprake. Nu was er een verzoek binnengekomen van de heer Van Seters die het huis Vredebest bewoonde waar nu Torengaard is.[75] Hij vroeg of die grafsteen niet gevoegelijk op een andere en betere plaats kan worden gelegd (en) zoodanig te verplaatsen, dat daaronder een put wordt aangebracht, waarin het overtollige water van de zinkput achter zijne woning kan wegloopen. Genoemde Heer neemt de onkosten van verplaatsing, herleggen van den steen, op een muur aan de 4 zijden en van steenen opgestapeld, op zich.

Bij de restauratie van de Lambertustoren in 1956-1958 werd de grafzerk verlegd van Torengaard naar de zuidzijde van de toren. (Foto Hanneke Das, oktober 1988)Hierop werd het beschamende besluit genomen om op dit verzoek positief te reageren. [76] En bij déze verplaatsing is de steen volgens genoemd krantenbericht gebroken. Er zijn inderdaad grote barsten te zien aan de onderkant van het wapen en onder in de linkerhoek. Een bestemming van de zerk als putdeksel zal wel het laatste zijn wat de ouders van Pieter Anthony in 1790 voor ogen hadden.

Aan deze gênante situatie kwam een einde bij de grote restauratie van toren en kerk in 1956-1958. De zerk werd toen ten zuiden tegen de torenmuur gelegd. [77] Bezwaar van deze plaats was wel dat de bewerkelijke steen – vooral het wapen en de voorstelling met de zadeltas − snel vol zat met steentjes, blad en aarde, en later aan de bovenzijde ook nog eens werd overgroeid met klimop.

Bij de restauratie van de toren in 2006-2007 kwam het tot een vierde locatie: op advies van de toenmalige Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (nu Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) werd besloten de zerk − na een grondige en kostbare restauratie [78] − rechtop te plaatsen en wel tegen de noordwand van de toren. Dat was uit oogpunt van temperatuur beter en de zerk lag niet langer in een grindbed. [79]

 

Slot

Wij lazen al dat één van de beweegredenen voor grafpoëzie is dat vorm en inhoud niet alleen op de overledene, maar ook op de nabestaanden afstralen. Dat lijkt zeker in dit geval op te gaan, en dan hebben we het niet alleen over de grafpoëzie: het geldt voor de gehéle zerk die door afmeting, rijke bewerking, een niet geregistreerd wapen en zelfs twee grafdichten heeft willen imponeren. Zouden de ouders niet alleen binnen de Vughtse gemeenschap, maar ook op de families De Huybert en Von Reden door wie zij zestien jaar eerder vanwege hun mesalliance zo waren gedwarsboomd, indruk hebben willen maken?

Een oude Romeinse grafinscriptie luidt: Resta, viator, et lege (Sta even stil, reiziger, en lees). Stilstaan zal de reiziger van vandaag nog wel, want indruk maakt de zerk zeker. Maar het ‘lezen’ van wapen en teksten is na twee eeuwen van weersinvloeden en verwaarlozing moeilijk geworden. Door de verplaatsing naar de noordzijde hoopt men verder verval tegen te gaan, maar nu is algen- en mosgroei weer het probleem en begint de steen groen te kleuren. Wat dat betreft was de oude plek op het zonnige zuiden zo gek nog niet! [2010]

 

Dit is een artikel uit de Vughtse Historische Reeks:

Vughtse Historische Reeks 11 (2009) ISBN 978-90-814749-1-7.

 

Afkortingen

AHGV Archieven Hervormde Gemeente Vught 1656-1991, toegangsnr. 5233

BHIC Brabants Historisch Informatie Centrum te ’s‑Hertogenbosch

DV Archief Dorpsbestuur Vught 1505-1810, toegangsnr. 5059

GAHt Stadsarchief ’s‑Hertogenbosch

RA L Regionaal Archief Leiden

 

Met dank aan alle personen en instellingen die mij bij de totstandkoming van dit artikel behulpzaam zijn geweest.

 

Noten

  1. Varianten op de familienaam Van Wiedenkeller: (Van) Widenkeller, Wiedekelder, (Von) Wiedenkeller, (Van) Wijdenkeller, Wydenkeller, Van Weijdenkeller.
  2. J. Belonje, ‘De Wydenkellers van Spreeuwenburg te Vught’, in: De Brabantse Leeuw nov.-dec. 1979, p. 163-164; Leon Bok, ‘Begraafplaats “Ter Navolging” Scheveningen’, Stichting Dodenakkers 2004, http://www.dodenakkers.nl/begraafplaatsen/zuid-holland/445-scheveningen-ter-navolging.html.
  3. Belonje, ‘De Wydenkellers’, p. 164, noot 5.
  4. Stadtarchiv Hannover, Kirchenbuch Reformierte Gemeinde 1697-1817.
  5. Belonje, ‘De Wydenkellers’, p. 164.
  6. Onnavolgbaar geformuleerd in een brief d.d. 30 november 1773 van Maria Agatha aan de Leidse magistraat. Haar brief werd in 2009 niet op het Leidse archief teruggevonden (gezocht werd in SA II , inv.nrs. 277, 295 en 325), maar wordt vermeld in [W.J.C.] Bijleveld, ‘Wydenkeller’, in: Maandblad van het Genealogisch-heraldiek Genootschap De Nederlandsche Leeuw jg. 95 (1941) kolom 72. De auteur baseert zich op ‘mijne dossiers’.
  7. Ibidem, auteur verwerkte de correctie t.a.v. de zogenaamde adellijke afstamming, zoals genoemd in De Ned. Leeuw jg. 18 (1900) kolom 22.
  8. RAL, Poorterboek J, 1718-1789, 13 dec. 1745, fol. 98v.
  9. Archief Hof van Holland (ondergebracht bij het Nationaal Archief in Den Haag), periode 1428-1811, toegangsnr. 3.03.01.01, inv.nr. 3188. Een antidotaal request is een verweerschrift tegen een (bij de rechter) ingediend verzoekschrift.
  10. RAL, Stadsarchief Leiden , inv.nr. 325, fol. 23-24. De brief is geadresseerd aan Monsieur Le Baron de Reden, Gentilhomme de Sa Majesté Le Roi de Suede à Hanover.
  11. Vermelding in Bijleveld, ‘Wydenkeller’, en in Belonje, ‘De Wydenkellers’, p. 164. Helaas werd deze brief d.d. 5 nov. 1773 nu niet meer in het Leidse archief aangetroffen.
  12. Bijleveld, ‘Wydenkeller’.
  13. RAL, NH Huw. Loodskerk 16 jan. 1774.
  14. RAL, NH Doopboek Hooglandse kerk 16 febr. 1774. In tegenstelling tot de doopakten van de overige dopelingen van 16 februari en ook die van 20 februari, wordt in de zijne geen melding gemaakt van doopgetuigen.
  15. Belonje, ‘De Wydenkellers’, p. 165. Waar en wanneer kon tot nu toe niet worden achterhaald. In Leiden werd geen overlijden van deze Pieter Anthony gevonden (onderzoek door RAL, maart 2009). Dát het kind is overleden, staat wel vast, want een jaar later werd een volgend zoontje ook Pieter Anthony genoemd.
  16. RAL, attestaties 1620-1889, p. 379, gemeente Pieterskerk. Een attestatie is een kerkelijke verklaring van leer en deugdzame levenswandel, die bij verhuizing door de kerkelijke gemeente aan de nieuwe plaats en gemeente van vestiging wordt gestuurd. Zo nodig dient een attestatie ook voor recht op diakonale ondersteuning.
  17. BHIC , DTB Vught 6, Doopregister Herv. Gem. 1670-1805, fol. 20v, 21.
  18. GAHt, DTB 74, Dopen NH Grote kerk (periode 1764-1799).
  19. Hij is zowel in het Bossche, als in het Vughtse doopboek (DTB 6) ingeschreven. In Vught staat er: 4 July is door mij [d.w.z. de Vughtse predikant N.H. Vrijthoff] (dog in S.Bosch gedoopt) het kind van etc..
  20. Zie noot 16; E.A. van Beresteyn en W.F. del Campo Hartman, Genealogie van het geslacht Van Beresteyn (’s‑Gravenhage 1954) p. 359-361. De twee oudste kinderen werden in Delft gedoopt. In Genealogie staat niet vermeld dat er nog een naamloos en ongedoopt kind is geweest, in 1788 bijgezet in de grafkelder van de St.‑Lambertuskerk (BHIC , DTB Vught 8, fol. 47).
  21. Belonje, ‘De Wydenkellers’, p. 165-166.
  22. Op GAHt werd gezocht naar zijn doopakte, waaruit zou blijken wie zijn ouders waren. Alle dopen van 1770 in de prot. en de R.K. kerken werden zonder resultaat nagezien. Het doopboek van de Ned. Geref. Gemeente van de Kruiskerk 1770-1786 is in 1786 kwijtgeraakt.
  23. Belonje, ‘De Wydenkellers’, p. 166.
  24. Henk van Stekelenburg, ‘Vught in de Bataafs-Franse tijd (1794-1814)’, in: J. van den Eijnde e.a. red., Vught Zicht op Vroeger. Vughtse Historische Reeks dl. 5 (Vught 1997) p. 61, 65-66 en p. 84 noot 25. Voorts: ‘Het wapen van de Koninklijke Marechaussee’, www.hubert-herald.nl/KMarechausseeW.htm, waarop Gerard Scharff mij attendeerde.
  25. Aldus Van Stekelenburg, ‘Vught’, p. 61. Deze bewering bleek na onderzoek in BHIC , DV, inv.nr. 5, Resolutieboek 1781-1792, onjuist te zijn.
  26. BHIC , DV, inv.nr. 6, Resolutieboek 1791-1796, fol. 166 v-167v.
  27. Ds. Van Nouhuijs was predikant in Vught van 1788 tot aan zijn emeritaat in 1814.
  28. BHIC , AHGV , inv.nr. 677, Kasboek ontvangsten diakonie 1767-1811; tevens rekeningen en collecteboek.
  29. BHIC , DV, inv.nr. 6, fol. 178.
  30. Waardepapieren t.t.v. de Franse Revolutie, met onteigende kerkelijke bezittingen als onderpand; vanaf 1790 wettig betaalmiddel. De regering gaf teveel assignaten uit, waardoor de waarde sterk verminderde.
  31. BHIC , DV, inv.nr. 205, fol. 28-29v, Dorpsrekening 1794.
  32. BHIC , DV, inv.nr. 206, fol. 23, Dorpsrekening 1795.
  33. BHIC , DV, inv.nr. 6, fol. 174v en 175.
  34. BHIC , DV, inv.nr. 6, fol. 230v-231v.
  35. J.A. van Deurse, ‘A.R.M. Mommers: Biografieën van Brabantse Patriotten en bestuurders 1785-1796’, in: Genealogisch Tijdschrift voor Oost-Brabant, april 1987, p. 73. Ds. N.H. Vrijthoff was van 1782-1788 de voorganger van Ds. Joan van Nouhuijs. Op de ledenlijst staat achter Wiedenkeller: schepen. Dit is onjuist gebleken. Predikant Vrijthoff was volgens diezelfde lijst pastoor!
  36. Jos J. de Kort, ‘Leeuwenburg’, in: De Kleine Meijerij, jg. 7/2, nov. 1953, p. 6.
  37. F. de Bekker, ‘Uit Vughts Verleden’, in het Vughtse weekblad De Aankondiger, 29 dec. 1928 en 30 juli 1932; uitvoeriger in Jos. J. de Kort, ‘Spreeuwenburg’, in: De Kleine Meijerij, jg. 13/4, febr. 1960.
  38. H. Donkers en V. de Kort, Vught in oude ansichten nr. 12 (4de druk; Zaltbommel 1979).
  39. Zie: Tessy van Rossum , ‘Domus Sanctae Sophiae Constantinopolitanea. Het Kartuizerklooster te Vught’, in: O. Thiers e.a. red., Voorgevallen in Vught. Vughtse Historische Reeks dl. 9 (Vught 2005) p. 7-22; Mieke Kolster, ‘Sophias-Burg’, en Henk Smeets, ‘Kouwenberg’, elders in deze bundel.
  40. BHIC , toeg.nr. 5123, Schepenbank Vught en Cromvoirt 1558-1810, inv.nr. 63, fol. 214v.
  41. Dat was aanzienlijk meer dan alle taxaties van de eeuw daarvoor. Die lagen steeds rond de 1800 gulden, in 1766 2200 gulden. De sprong naar 5700 in 1783 doet volgens De Kort, ‘Spreeuwenburg’, p. 3, vermoeden dat de verkoper aanzienlijke veranderingen had aangebracht.
  42. Berging voor levende vis.
  43. Informatie van Nel van der Heijden Rogier.
  44. Een melkhuis is een bedrijfsruimte die dient voor de productie van melkproducten (boter, kaas). De hygiëne moest er optimaal zijn. Melkhuizen, -kelders of –kamers zijn al dan niet opgenomen in de plattegrond van een boerderij. Landgoederen als Spreeuwenburg, waar agrarische activiteiten plaats vonden (zie de koestallen), kenden losstaande melkhuisjes. (Met dank aan J.M.M. van der Vaart).
  45. De Kort, ‘Spreeuwenburg, p. 5 en 6.
  46. Collectie Hanneke Das/Losplaatsen (Vught), onderzoek 1989, o.a. gebaseerd op BHIC , DV, inv.nr. 5, Resolutieboek 1781-1792, fol. 255v-256v.
  47. Deze verhuizing ‘over water’ werd door de gemeente Vught betaald (100 gld, 4 stuivers en 2 penningen). BHIC, DV, inv.nr. 199, Dorpsrekening over 1788, fol. 20v en 21.
  48. GAHt, archieven notaris Petrus Henricus (Pierre Henri) van Fenema, inv.nr. 3661 (periode 6 april-30 juni 1812), akten 261 (inseraat), 271 en 358. Met dank aan Gerard Scharff voor zijn speurtocht.
  49. A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden dl. 10 (Gorinchem 1847) p. 641.
  50. De oude herberg ‘t Bijltje was eerst aan de overkant op de hoek Taalstraat/Helvoirtseweg naast het Raadhuis gesitueerd.
  51. In het koepelgedeelte hebben leden van de in 1828 opgerichte Sociëteit Amicitia lang hun bijeenkomsten gehad. H. Donkers, ‘Amicitia, de sociëteit te Vught met een historie van 125 jaar’, in: De Kleine Meijerij, jg. 6 nr. 9/10 juni/juli 1953, p. 7.
  52. J. Craandijk, Wandelingen door Nederland (Haarlem 1881) p. 165-166, al noemt auteur het ‘Spreeuwenstein’. De naam Spreeuwenburg is met enige moeite ook nog op oude ansichten te zien.
  53. Niet onderzocht is in welke tijd het hoenderpark daar was gevestigd. Er bestaat een ansicht van.
  54. Informatie o.a. van Toon Verhagen, maart 2007.
  55. BHIC, DTB Vught 8, fol. 50 (Doodboek 1736-1810).
  56. In 1924 werd in een artikel over grafzerken en wapenborden in de St.‑Lambertuskerk ook de zerk van Pieter Anthony buiten in het gras besproken. Over meer zerken buiten op het kerkhof had de auteur het niet, óf omdat die er niet (meer) waren óf omdat hij ze niet belangrijk genoeg vond om te beschrijven. P.C. Bloys van Treslong Prins, Genealogische en heraldische gedenkwaardigheden in en uit de Kerken der provincie Noord-Brabant, dl. 2 (Utrecht 1924) p. 233-234.
  57. Opgemeten door De Bonth Van Hulten, sept. 2007.
  58. Grafsteen van Jacob van Zittaert/ Sittart (1455-1555), lid van de Duitse Orde Vught en pastoor van de St.‑Lambertuskerk; zijn zerk meet 116 bij 234 cm.
  59. Informatie Begraafplaats ‘Ter Navolging’, Den Haag/Scheveningen, mei 2009.
  60. In de heraldische vaktaal heet de draak ‘geketend’. Zo kennen wij in Vught de geketende beer (varken) in het wapen van Van Beresteijn.
  61. Het wapen van De Huybert met drie gekroonde vissen is o.a. te zien op de eerder genoemde grafzerk op Begraafplaats ‘Ter Navolging’ in Scheveningen. Het wapen van het Hannoverse geslacht Von Reden is ‘gedwarsbalkt van vier stukken, rood en zilver’. Zie o.a. Genealogisch Handbuch des Adels, Band 122 (Limburg an der Lahn 2000) p. 235-236.
  62. Met dank aan het Cavaleriemuseum te Amersfoort, meijuni 2009.
  63. Chuck Wills, i.s.m. het Bermanmuseum of World History, De geschiedenis van het wapen (Rijswijk 2006) p. 69.
  64. Ontleend aan J.W. van Sypesteijn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren (...); Eene bijdrage voor de Nederlandsche krijgsgeschiedenis van het belangrijk tijdvak van 1784-1814 (’s‑Gravenhage/Amsterdam 1849).
  65. Belonje, ‘De Wydenkellers’, p. 165-166.
  66. Zie Van Sypesteijn, Geschiedenis, p. 164: deze noemt een luitenant Von Wiedenkeller (zonder voorletters), die in 1812 tijdens Napoleons tocht door Rusland bij Borodino sneuvelde. Volgens Belonje was dit Laurens Lodewijk. Op p. 198 wordt een C.L. von Wiedenkeller genoemd als kapitein instructeur bij het regiment ligte dragonders No 5. Dit is hoogstwaarschijnlijk Carel Lodewijk Christophor, die in 1778 in Vught werd gedoopt. Voor nader onderzoek: zie staten van dienst van militairen vóór 1900 in het Nationaal Archief te Den Haag.
  67. De teksten staan o.a. in: F. de Bekker, in De Aankondiger d.d. 30 juli 1932, en in: H. Das-Horsmeier, Rondom de Vughtse Lambertus (Vught 1979) p. 25. De teksten op de zerk waren in 1978-1979 nog redelijk goed te lezen.
  68. H. Donkers, ‘Grafzerken uit de St.Lambertskerk te Vught’, in: De Kleine Meijerij, jg. 11/2, dec. 1957, p. 10.
  69. Marten Mulder, ‘Grafpoëzie – een inleiding’, http://www.dodenakkers.nl/grafpoezie/kerkhoven-en-begraafplaatsen/49-inleiding.html.
  70. BHIC , DV, inv.nr. 5, Resolutieboek 1781-1792, fol. 231.
  71. Collectie Hanneke Das /Muntwezen: Correspondentie d.d. 24 en 27 oktober 1988 met Drs. H.W. Jacobi van het Koninklijk Penningkabinet te Leiden over de waarde van dukaten in 1790.
  72. BHIC , AHGV , inv.nr. 1141, fol. 7v. (Rekening kerkmeester 1789-1792).
  73. Zie noot 68.
  74. BHIC , AHGV , inv.nr. 5, archief kerkeraad, notulenboek 1945-1957; het krantenartikel is achterin geplakt.
  75. Vredebest heette daarvoor ‘De Vrije Uitkijk’ of ‘Wegzigt’, en was eigendom van de diakonie van de Hervormde gemeente. Het werd in 1930 vervangen door ‘Torengaard’. Zie BHIC , AHGV , inv.nr. 337, Stukken betreff. De aankoop, verhuur en verkoop van het huis ‘De Vrije Uitkijk’ of ‘Wegzigt’, 1847-1869; Collectie Hanneke Das/Uitkijk, De vrije, en Torengaard.
  76. BHIC , AHGV , inv.nr. 697, Notulen van de vergaderingen van kerkvoogden en notabelen, 1869-1928, vergadering d.d. 18 aug. 1893.
  77. Met enige moeite te zien op een foto van KLM Aerocarto b.v., d.d. 30 mei 1959.
  78. Restauratie door Steenhouwerij Maarssen BV te Utrecht.
  79. Telef. informatie van restauratieadviseur Gerard Arts, 27 mei 2009.

 

 

 

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section