De Leidse gifmengster

Geschreven door Wim Vlaanderen op . Gepost in Moord en doodslag

 

Maria Catharina van der Linden - Swanenburg

* Leiden 9 september 1839 - † Gorinchem 11 april 1915

 

Op een vroege morgen in het voorjaar van 1915 reed een lijkkoets de hekken van de katholieke begraafplaats van Gorinchem binnen. In de koets lag een kist met het stoffelijke overschot van Maria Catharina van der Linden-Swanenburg, 75 jaar oud. Het aantal mensen dat de koets volgde was klein. Behalve de pastoor schuifelden een non en enkele personeelsleden van de vrouwengevangenis achter de lijkkist aan. Zonder veel plichtplegingen werd het lichaam begraven in een algemeen graf. De pastoor wijdde de grafkuil, de aanwezigen zegden een onzevader en men liep weer naar de uitgang. Op het graf werd nimmer een steen geplaatst.
Een begrafenis zoals zovele begrafenissen. Maar waarom de personeelsleden van een vrouwengevangenis en kennelijk geen familie? Eenvoudigweg omdat er bijna geen familieleden meer waren: de meeste had deze Maria vermoord en de rest wilde niets meer van haar weten. Het ging hier om de beruchte Leidse gifmengster, een massamoordenaar in de oude stijl.

 

Wie was Maria Catharina?

Maria Swanenburg werd geboren op 9 september 1839 als dochter van Clemens Swanenburg en Johanna Dingjan. Het gezin kreeg in totaal twaalf kinderen, maar zes kinderen stierven al op jeugdige leeftijd, zoals dat in die tijd een veelvoorkomend feit was. Vader Clemens was iemand die al wat hij verdiende, aan drank besteedde. Het was in huize Swanenburg dan ook bittere armoede. Het gezin werd dikwijls uit huis gezet wegens huurschuld. Maria bracht haar jonge leven door in de arme wijken van Leiden. Ze kwam aan de kost door de was te doen bij verschillende gezinnen en als kinderoppas. Ze trouwde op 13 mei 1868 met de fabrieksarbeider Johannes van der Linden. Mie, zoals ze gewoonlijk werd genoemd, had toen al drie kinderen uit eerdere relaties: Catharina, geboren 4 december 1863, overleden 25 mei 1866; Johanna, geboren 22 oktober 1865 en overleden op 25 mei 1866 en Arie, geboren 15 maart 1867. Johannes wettigde Arie als zijn zoon. Uit de relatie met Maria werden nog eens zes kinderen geboren. Leed werd het echtpaar echter niet bespaard. Van de zes kinderen stierven er vier op jonge leeftijd, drie zonen en een dochter, te weten: Johannes, geboren 21 januari 1869 en overleden 12 mei 1870; Johannes, geboren 21 maart 1873 en overleden 20 maart 1873; Pieternella, geboren 26 januari 1871 en overleden 4 december 1871; Clemens, geboren 24 februari 1874 en overleden 14 november 1877.

Omstreeks 1879 begon Mie met het stelselmatig vergiftigen van buurtbewoners. Door haar grote hulpvaardigheid, waaraan ze ook haar bijnaam "Goeie Mie" dankte, bouwde ze een grote kring aan buren, kennissen en vrienden op. Bij deze mensen kon ze dus gemakkelijk in en uit lopen. Dat er regelmatig doden en zieken te betreuren waren, viel niemand op. Dat Mie al haar kennissen aanraadde een begrafenisverzekering af te sluiten en zo nodig zelf de contributie van 7,5 cent per week voor haar rekening nam, bleef ook onopgemerkt. Niet alleen begon Mie begrafenisverzekeringen af te sluiten voor familie en bekenden, ook sloot ze verzekeringen af zonder dat de betrokkenen daar kennis van hadden, vaak bij verschillende begrafenisfondsen.

 

Merkten de verzekeringsmaatschappijen niets?

Het was in die tijd met het instituut der zogenaamde begrafenisfondsen, voor zover het de controle betreft, droevig gesteld. Op tijd de premie storten was voldoende om als premiebetaler bij de dood van de verzekerde een bepaalde som als vergoeding voor de begrafenis uitgekeerd te krijgen. Uiteraard betaalde een verzekeringsmaatschappij pas uit als een verzekerde was overleden. Goeie Mie had een systeem bedacht, waardoor zij niet al te lang hoefde te wachten op haar verzekeringspenningen.
De strafzaak die volgde nadat zij uiteindelijk tegen de lamp was gelopen, leidde tot een verzekeringszaak. De verzekeringsmaatschappijen wilden immers het geld terugzien dat ze aan Mie hadden uitgekeerd. Aangezien ze moord niet in hun polissen hadden uitgesloten en ook de wet niets over deze situatie zei, werden ze echter in het ongelijk gesteld. Maar Mie had in de gevangenis niets aan het geld, bovendien kende het strafrecht de mogelijkheid wederrechtelijk verkregen voordeel aan de dader te ontnemen, en zo geschiedde.

zijlpoort201De praktijk van het afsluiten van begrafenisverzekeringen voor een ander en zonder dat die ander daarvan wist, was in de negentiende eeuw niet verboden. Goeie Mie vergiftigde haar verzekerden met arsenicum, die ze in de koffie, melk of erwtensoep strooide. De slachtoffers stierven na benauwdheid en overgeven een vreselijke dood. Na hun dood inde ze het verzekeringsgeld, meestal zo'n 50 gulden. Ze ontzag niemand. Zo vergiftigde ze haar eigen ouders, haar zus en vele leden van haar schoonfamilie. Onder haar slachtoffers waren ook mensen van wie ze helemaal geen financieel voordeel had. Pas toen drie familieleden van Mie, haar zus, zwager en hun zoon in december 1883 overleden, kreeg een familielid argwaan en een arts, die kwam kijken, sloeg alarm. Mie werd gearresteerd. Aanvankelijk ontkende ze alles, maar door een scherp verhoor van de politie-inspecteur kwam schoorvoetend de gehele zaak aan het licht. Er volgde letterlijk een diepgravend onderzoek. Maar liefst zestien lichamen werden opgegraven en in alle stoffelijke overschotten werd arsenicum aangetroffen.

Mie kocht bij de drogist "Operment", een middel tegen wandluis. Het bevatte één deel zwavel en vier delen arsenicum. Arsenicum mocht nooit los verkocht worden, het moest altijd vermengd worden met witkalk. Dat laatste gebeurde slordig. Als Mie voor een stuiver Operment kocht, was het arsenicum slecht vermengd. Het lag gewoon boven de witkalk en de uiterst giftige substantie kon er dan ook gemakkelijk afgeschept worden.

 

Merkten de plaatselijke artsen dan niets?

Vóór alles probeerde Mie de door haar gemaakte slachtoffers buiten het bereik van de artsen te houden. Als men de verslagen leest, blijkt het werkelijk ten hemelschreiend hoe vele artsen, ondanks hun eed van Hypocrates, handelden in deze zaak. Veel artsen kwamen gewoonweg niet opdagen. De artsen die wel kwamen vroegen naar de ziekteverschijnselen, gaven een drankje of schreven een recept voor. In het geval van Goeie Mie waren de mensen vaak al overleden. De verplichte wettelijke lijkschouwing lapten de artsen aan hun laars.

Het proces van de vrouw die inmiddels bekend stond als de Leidse gifmengster begon in 1885 onder belangstelling uit binnen- en buitenland. Bij het binnenkomen van de gifmengster in de rechtszaal, onder geleide van twee veldwachters, ging er een golf van afgrijzen door het publiek. Toch zag Mie er zelf niet afschrikwekkend uit. Men zag een vrouw van middelbare leeftijd met een normaal postuur, gekleed in jack en rok met een omslagdoek, een muts met keelbanden, waaronder pikzwart haar uitkwam. Haar gezicht was vrij rond en enigszins tanig. Ze bekende alle beschuldigingen. Haar verdediger, mr. C.A Vaillant, had de ondankbare taak haar te verdedigen. Hij erkende dat nimmer een groter onmens in de beklaagdenbank had gezeten, die om zich heen dood en verderf zaaide en haar slachtoffers de duivelse brij uit haar ketel liet proeven. Vaillant twijfelde aan haar toerekenbaarheid. Ten slotte kwam de vraag aan Mie of ze nog wat te zeggen had. Ze stond op, maar had geen woorden van spijt en vergeving, ze dacht alleen aan zich zelf. Ze antwoordde: "Alsjeblieft een genadige straf". Haar wens werd niet ingewilligd. Maria Catharina Swanenburg, huisvrouw van Johannes van der Linden, werd door het hof schuldig verklaard en veroordeeld tot levenslange tuchthuisstraf. Aldus geschiedde.

Vrouwengevangenis_Gorinchem_1970Het dagblad "De Tijd" schreef na de veroordeling: "Stuitend dat monsters (...) door de maatschappij levenslang onderhouden en beschermd worden". Die opmerking moet men zien in het licht van het feit dat de doodstraf in 1870 definitief was afgeschaft.

Mie's man liet zich van haar scheiden en hertrouwde. Haar kinderen en kleinkinderen zag ze nooit weer. In de stad Leiden hebben nog vele mensen zich jarenlang voortbewogen met krukken, als gevolg van Mie's pogingen hen te vergiftigen. De kinderen en kleinkinderen werden tot hun dood toe met de vinger nagewezen. Aan haar huis, niet ver van de begraafplaats aan de Groenesteeg, hing jarenlang een bord met daarop de tekst: "Hier woonde de Leidse gifmengster". Mie stierf op 11 april 1915 na een langdurige ziekte in de vrouwengevangenis van Gorinchem.

 

Welke gevolgen hadden deze afschuwelijke moorden?

De vele doden die Mie op haar geweten had brachten veel discussie op gang, maar er werden ook concrete maatregelen genomen. Zo werd de lijkschouwing beter Graf_van_Goede_Miegeregeld en ook de begrafenisverzekeringen werden aangepast. Tegenstanders van lijkverbranding voelden zich door deze geruchtmakende zaak gesterkt in hun opvatting dat crematie ontdekking van de gifmoorden helemaal onmogelijk had gemaakt. In ieder geval duurde het door deze gifmoorden langer alvorens hier in Nederland de eerste lijkverbranding plaatsvond.

Een grote vraag resteert: waarom deed Mie niets met haar geld? Haar man, die aanvankelijk ook werd aangehouden maar niets van haar praktijken wist, heeft nooit iets van haar geldelijk gewin gemerkt. Mie had kunnen verhuizen en in gepaste luxe kunnen leven. Waarom ze niets met het geld deed blijft zodoende een geheim. Een geheim dat Marie Catherina van der Linden, geboren Swanenburg, alias Goeie Mie, alias de Leidse gifmengster, meenam in haar graf op de katholieke begraafplaats in Gorinchem, grafnummer 382. (2005)

 

Met dank aan Frank Mutter, José Hageman, Dhr van Baardewijk en René van Dijk.

 

Literatuur

  • Leyden, W.K. van, Goeie Mie of de Leidse Gifmengster, heruitgave van de editie uit 1935 in oorspronkelijke spelling (Leiden, 1994)
  • Moerman, Ingrid, Gif als goede gave: Maria Catherina van der Linden-Swanenburg/Goeie Mie (1839-1915) (Leiden, 2001)
  • Ingrid W.L. Moerman, 'Swanenburg, Maria Catharina (1839-1915)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn2/swanenburg [05-09-2003]
  • Cappers, Wim, Vuurproef voor een grondrecht, Koninklijke Vereniging voor Facultatieve Crematie 1874-1999 (Zutphen, 1999)

 

 

 

 

 

 

 

 

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section