| Leeuwarden - Het definitieve einde van het Oldehoofsterkerkhof (ca. 750-1833) |
|
| door Leon Bok |
|
Vroegste geschiedenisHet gebied waarin het Oldehoofsterkerkhof ligt is onderdeel van een grote terp die in verschillende fasen vanaf de Romeinse Tijd is gegroeid. Al vroeg werd de terp bewoond, zoals blijkt uit sporen van een boerderij uit de 1ste eeuw na Christus. Aan het einde van de Romeinse periode was de situatie door de stijging van de zeespiegel langzamerhand onhoudbaar geworden want tot in de 5de eeuw zijn er geen sporen gevonden. Vanaf de 5de eeuw zijn er weer sporen van met plaggen gebouwde huizen of gebouwen te vinden. De terp werd steeds verder uitgebreid, er kwamen waterputten en er verschenen meer gebouwen. Rond de 9de of 10de eeuw ontstond de noodzaak om een kerk te bouwen. Men heeft altijd gedacht dat hier eerst een houten kerk heeft gestaan, maar daar zijn geen sporen van gevonden. Wat wel werd gevonden zijn de houten paaltjes die dienden als versteviging van de fundering van de Romaanse kerk. Deze uit tufsteen opgetrokken kerk kan wellicht de eerste kerk zijn geweest, maar nader onderzoek moet dat nog uitwijzen. De kerk werd gesticht vanuit het klooster van het Westfaalse Corvey op de terp Oldehove. Het godshuis was gewijd aan St. Vitus en de bewoners zullen al snel hun doden in de kerk en op het kerkhof hebben begraven.
Tot de sluiting in 1833Het kerkhof bij de St. Vitus was niet het enige kerkhof in de binnenstad, maar wel de grootste. In eerste instantie lag het kerkhof rondom de kerk, maar daar kwam in de 16de eeuw verandering in. Maar aanvankelijk leek de kerk een grootse toekomst tegemoet te gaan. In de 12de eeuw bouwde men twee beuken aan de kerk. De muren hiervoor werden gemetseld van grote bakstenen, zogenaamde reuzenmoppen. De vergroting van de kerk weerspiegelde de gestage toename van de bevolking. In de loop van de 14de eeuw onderging de kerk nogmaals een uitbreiding. Och Adams kinderen, bedenk U regt,
Nadat Friesland in het najaar van 1826 werd getroffen door een malaria-epidemie met als gevolg een explosieve stijging van het aantal sterfgevallen, werden er eindelijk maatregelen getroffen die het begraven in oude binnensteden onmogelijk zouden maken. Allereerst werden op 13 november 1826 de gemeentebesturen in Friesland 'op last van de Koning' door de Gouverneur aangeschreven, 'om zoo spoedig immer mogelijk, plaatsen buiten de Kerken aan te wijzen, geschikt om de lijken ter aarde te bestellen, en om te zorgen, dat niet meer in de Kerken begraven worde'. Nadat het gemeentebestuur kennis had genomen van dit Koninklijk Besluit werd op 9 april 1827 een raadscommissie samengesteld die moest nagaan of het noodzakelijk was om naast het Oldehoofsterkerkhof nog een tweede begraafplaats aan te leggen. Op 28 augustus 1827 - toen de commissie reeds druk met haar onderzoek bezig was - werd andermaal een Koninklijk Besluit uitgevaardigd, waarbij het begraven in kerken algemeen werd verboden. Gemeenten met meer dan duizend inwoners dienden zo spoedig mogelijk begraafplaatsen buiten de bebouwde kom aan te leggen. Dit besluit moest voor 1 januari 1829 uitgevoerd te zijn.
Kerkhof in verval en eerste ruimingIn de jaren die volgden raakte het Oldehoofsterkerkhof snel in verval. Op 25 september 1837 werd door de gemeenteraad besloten tot de sloop van de nabijgelegen Vrouwenpoort en het afgraven van de stadswal tussen de Oldehoofster- en Vrouwenwaterpoort. Hierna zou het hele gebied samen met het Oldehoofsterkerkhof 'tot eene groote beplanting' moeten worden aangelegd volgens een door stadsarchitect Lucas Pieter Roodbaard (1782 - 1851) ontworpen plan. Hiertoe dienden de nog aanwezige grafzerken na toestemming van de eigenaren te worden verwijderd. De graven zelf zouden echter onaangeroerd blijven. In de winter van 1837/38 toog men voortvarend aan het werk, maar dat ging niet helemaal zonder slag of stoot. Het merendeel van de graven op het Oldehoofsterkerkhof was eigendom van de stad, terwijl vele andere particuliere graven zonder morren werden afgestaan. Het aantal graven dat met zerken was gedekt en waarvan de eigenaren in het grafregister konden worden getraceerd bedroeg 33 in totaal. In het voorjaar van 1838 bereikten alarmerende geruchten over het 'amoveren van graven op het Oldehoofsterkerkhof' het landelijk gelegen Oudeschoot. Hier woonde de oud grietman (benaming voor Friese burgemeester) van Hemelumer Oldeferd, Tjalling Minne Watze van Asbeck (1795-1855). Hem was ter ore gekomen 'dat men op last van de burgemeester van Leeuwarden de hand had geslagen aan het Oudehoofdster Kerkhof, aldaar graven amoverende, doodkisten openende, de doodsbeenderen verroerende etc.'. Van Asbeck nam dit alles zo hoog op, dat hij zelfs Koning Willem I van zijn ongenoegen deelgenoot maakte. Dit werd hem door de Burgemeester van Leeuwarden niet bepaald in dank afgenomen. Deze vond de toonzetting van de brief van groot onfatsoen en gebrek aan respect jegens Zijne Majesteit getuigen, om maar niet te spreken van hoe enorm geschoffeerd het toenmalige gemeentebestuur van Leeuwarden zich moet hebben gevoeld toen zij een afschrift van deze brief onder ogen kreeg. Hoogst verontwaardigd had Van Asbeck de koning laten weten dat hij op 2 mei 1838 de Burgemeester van Leeuwarden door een deurwaarder had laten aanzeggen dat hij als mede-eigenaar van graven en grafkelders protesteerde dat men met de 'amotie' van de graven voortging, waarmee men zonder zijn toestemming was begonnen. Verder eiste hij dat 'men deze liet in status quo en herbragte in dien toestand waarin dezelve waren, als verkiezende dat de rustplaatze van het gebeente of asche zijner voorouders werd onaangeroerd'. Bovendien zouden er volgens Van Asbeck zerken op de graven liggen van de aanzienlijkste en alleroudste Friese geslachten zoals de Dekema's en wel zeer waarschijnlijk van de laatste potestaat (legeraanvoerder) van Friesland Julius van Dekema, van wie hij beweerde in de 15e graad een afstammeling te zijn. Zelfs schroomde Van Asbeck niet om de koning pijnlijk te herinneren aan hetgeen er tijdens de roerige omwentelingsjaren 1795-1798 was gebeurd, namelijk: 'Dat het zwakheid genoemd zoude kunnen worden indien men thans zwijgende bleef, toen men ook in deze zelfde stad Leeuwarden de heiligschennende handen aan de grafplaatzen van het doorluchtig huis van Nassau durfde te slaan en met de overblijfselen van Leeuwarden's weldoeners en weldoensters - uit hunne laatste rustplaatzen op een cannibaalsche wijze gehaald - omsmeet'. Om het gemeentebestuur van Leeuwarden nog een trap na te geven voegde Van Asbeck hier nog aan toe: 'Hetgeen in 1795 geschiedde wordt thans hernieuwd, doch met dit verschil, dat de geest die thans beveelt, destijds misschien zelf handelende werkzaam was'. Het gemeentebestuur werd dus beticht van grafschennis, gepleegd aan de graftombe van de Nassau's in de Jacobijnerkerk. Op 25 mei 1838 deed het gemeentebestuur van Leeuwarden zijn beklag over Van Asbeck bij Gedeputeerde Staten. Zo zouden de gewraakte zerken waar Van Asbeck op doelde nog steeds onaangeroerd op dezelfde plaats op het Oldehoofsterkerkhof liggen. En wat de zerk van de Dekema's aanging - het betreft hier naar alle waarschijnlijkheid de grafzerk voor Pieter van Dekema (†1568) en Catharina van Loo (†1581) die tegenwoordig zit ingemetseld in de zuidmuur van de Oldehove - kon worden aangetoond dat men deze niet had verwijderd, doch slechts had laten verzinken om hem met aarde te bedekken. Overigens was het nog maar de vraag of Van Asbeck nog steeds rechthebbende van het graf was, aangezien niemand zich bij een oproep in 1821 als zodanig had aangemeld. In 1806 zouden 'Eijssinga en Vrouw Lintloo' als eigenaren te boek hebben gestaan. Ook werd bestreden dat men graven zou hebben geschonden. Waarschijnlijk zou Van Asbeck bij geruchte hebben vernomen dat er kisten bloot lagen. Een mogelijke verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat deze kisten reeds voordat men met de werkzaamheden begonnen was boven de grond uitstaken en dat die door de tand des tijds zo waren vermolmd dat ze door een of ander toeval waren opengeraakt. Er zou echter terstond opdracht zijn gegeven om eventuele doodkisten of stoffelijke resten die boven de grond uitstaken opnieuw te bedekken. Ook zou er dag en nacht zijn wachtgelopen om in geval van ongeregeldheden meteen in te kunnen grijpen. Op de gedane beledigende uitlatingen van Van Asbeck wilde het stadsbestuur verder niet ingaan 'daar het zich te zeer beleedigd gevoelt'. Wel was zij van oordeel 'dat deze hoogst onbescheiden aantijging eenen hoon en laster inhoudt, waarover men het recht voorbehoudt om zich bij afzonderlijk adres tot Zijne Majesteit te wenden'. De afloop is geweest dat Van Asbeck's verzoek niet werd ingewilligd en dat B. en W. van Leeuwarden het er wat betreft een strafrechtelijke vervolging wegens smaad uiteindelijk maar bij hebben laten zitten. Hiervoor zou het nodig zijn geweest om het originele verzoekschrift aan de koning aan justitie te overleggen. Dit kon echter niet van Zijne Majesteit worden 'opgevordert'.
Kerkhof krijgt andere functiesNadat eerst in 1838 een wandelpark was aangelegd op het kerkhof, kreeg in het voorjaar van 1862 een deel van het kerkhof een andere bestemming. Het gemeentebestuur had bij haar zoektocht naar een geschikte lokatie voor een te bouwen armenschool het oog laten vallen op het uitgestrekte Oldehoofsterkerkhof. Na het verkrijgen van de Koninklijke goedkeuring, werd het werk op 15 maart van dat jaar voor fl. 17.000,- aanbesteed. Na aanhoudende klachten over stank - 'men meende er den reuk van het oude kerkhof in te bespeuren' - werden na 1878 de klaslokalen stuk voor stuk opengebroken, uitgegraven en opnieuw bevloerd. Het gebouw heeft nog tot 1933 dienst gedaan, de laatste jaren als schippersschool, waarna het werd gesloopt in verband met het aan te leggen bodenterrein. Op dit terrein werd tot 1968 het goederenvervoer in en rond Leeuwarden geregeld, waardoor het vaak een drukte van belang was op het plein. Pas in 1933 kwam er een eind aan deze situatie. In de maanden juli, augustus en september vonden er grondwerkzaamheden plaats, waarbij het terrein - zij het slechts zeer oppervlakkig - werd afgegraven om het vervolgens met zand te egaliseren en met keien te bestraten. Alleen daar waar riolering moesten worden aangelegd moest dieper worden gegraven. Desalniettemin werden de werkzaamheden met meer dan gemiddelde belangstelling gevolgd door zowel beroepsmatig geïnteresseerden als door de burgerij. Regelmatig deed de plaatselijke pers verslag van hetgeen er aan de oppervlakte kwam. Zo kwamen er enkele oude grafzerken aan het licht, waarvan er in ieder geval één het vermelden waard is. Na eeuwen werd de grafzerk van de beroemde Friese kunstschilder en Franeker burgemeester Jacobus Sibrandi Mancadan ontdekt. De tekst luidde: 'ANNO 1680 DEN 4EN OCTOBER IS IN DEN HEERE GESTORVEN DEN EERSAMEN CONSTRIJKEN JACOBUS MANCADAN, IN LEVEN OLD-BORGEMEESTER DER STEDE FRANEQUER, OUDT 78 JAAR EN LEIT HIER BEGRAVEN' Het totale aantal gevonden grafzerken viel echter behoorlijk tegen. Waarschijnlijk ging het hier om de in 1837 'vergeten zerken' die eerder reeds onder de grond waren geraakt en daardoor over het hoofd werden gezien. Voor zover kon worden nagegaan waren de doodkisten, op een enkele uitzondering na, compleet vergaan. Maar liefst 33 vrachtwagens vol schedels en beenderen werden afgevoerd naar de oude begraafplaats aan de Spanjaardslaan om aldaar te worden herbegraven. Echter tal van schedels raakten in particuliere handen en dat waren vaak de handen van kwajongens. De heer Tj. Postma uit Veenwouden deelde in 1933, als reactie op de verslaggeving van de opgravingen, mee dat hij in zijn jeugd vaak had horen vertellen dat zijn grootvader samen met diens drie broers, allen schippers, in de eerste helft van de vorige eeuw de zerken van het op te ruimen Oldehoofsterkerkhof hebben
Het kerkhof verdwijnt definitief
Bij de opgravingen kwamen verder een woonstalboerderij uit de Midden Romeinse periode aan het licht. Van het kerkhof trof men grote hoeveelheden beenderen aan die er op duiden dat de benekouw alleen niet genoeg was voor de botten
In 1999 verscheen een verhaal over het Oldehoofsterkerkhof in het boekje dat toen uitgegeven werd ter gelegenheid van de Open Monumentendag. Sindsdien is er het nodige gebeurd met het Oldehoofsterkerkhof vanwege het feit dat hier nu een parkeergarage is gebouwd. Die gebeurtenis en het artikel waren daarom in het voorjaar van 2006 aanleiding voor een lezing en een nadere bewerking van het verhaal voor dodenakkers.nl.
Met dank aan: Klaas Zandberg van het Historisch Centrum Leeuwarden en Jan-Willem Oudhof, stadsarcheoloog bij de gemeente Leeuwarden.
Literatuur
Internet
|
|
Laatst aangepast op vrijdag 29 januari 2010 18:45 Heeft u op- of aanmerkingen over bovenstaand artikel? Uw reactie wordt op prijs gesteld. |