| Deurne - Protestantse begraafplaats Helmondseweg |
|
| door Pieter Koolen |
|
Geschiedenis van de protestantse begraafplaatsen in DeurneToen de katholieken van Deurne in 1799 de grote kerk weer in handen kregen, werd een regeling getroffen met betrekking tot de begraafplaats. Het kerkhof zou blijven dienen tot een begraafplaats "voor alle lijken zonder onderscheid" en dus bleven ook de protestanten er hun doden begraven.[1,2] Er zal waarschijnlijk wél een apart gedeelte van het kerkhof geweest zijn dat was bestemd voor protestanten. In eerste instantie was men bij de naasting van de kerk "vergeten" om een taxatie van de waarde van het kerkhof te doen. Kort voordat op 25 november 1799 de kerk definitief en officieel overging in handen van de katholieken werd die omissie alsnog goedgemaakt. Men kwam op een waarde van 367 gulden.[3] Uit het taxatierapport valt iets op te maken over de inrichting van het kerkhof. Er wordt namelijk gesproken van "opstaande bomen en omgelegen muren". Samen met de ruim 10.800 gulden die het kerkgebouw met de inventaris en inkomsten waard was, betekende dit dat er per protestant, waarvan er in totaal 52 in Deurne waren, 4 gulden en 15 stuivers moest worden betaald.
Grafschennis?In de akte van 'naasting' was wel een aparte bepaling opgenomen met betrekking tot eventuele rechten die protestanten zouden kunnen doen gelden op grafkelders of aangekochte begraafplaatsen in de kerk. Deze bleven ze namelijk behouden zolang er niet een "generale wet" was die dit nader zou regelen. "Op 25 november 1801 werd de eerste mis in de herkregen kerk opgedragen. Het houten schot was afgebroken en het schip opnieuw gewit. Er was een nieuw plafond aangebracht en ?nadat alle grafzerken waren verwijderd? een houten vloer gelegd. Hierbij was het echter helemaal uit de hand gelopen en niet alleen in Deurne. Hier en in Woensel en Oerle had men na de teruggave de in de kerk aanwezige graven geruimd, waarbij de lichamen van -soms pas begraven- protestanten op het kerkhof met houten blokken werden vermorzeld, in enkele gevallen in aanwezigheid van priesters, met de ene hand de neus dichtknijpend en in de andere hand een fles jenever, zo blijkt uit de processen-verbaal. Het kerkgebouw zou door de aanwezigheid van deze "ketterse" lijken zijn ontheiligd en kon alleen op deze barbaarse manier gereinigd worden, zo dacht men. Van de planken van de lijkkisten had men varkenskotten gemaakt. Het werd een groot schandaal. De vicaris van het vroegere bisdom kon weinig anders doen dan zijn leedwezen betuigen en zijn verontschuldiging aanbieden voor het wangedrag van sommige priesters, waarbij hij o.a. verklaarde: "...Het is waar dat er eenigen zijn, die hier zeer sterk zich mede bemoeid hebben, als bij voorbeeld die van Deurne, Best, Woensel en Tongelre."[5] Spamer geeft hier een slordige weergave met een foutieve eigen interpretatie van wat Gerard Rooijakkers hierover in "Rituele Repertoires" zegt.[6] Rooijakkers baseerde zich op zijn beurt op enkele archiefbronnen en het, anoniem uitgegeven, "Reize door de Majorij" van dominee Stefan Hanewinkel.[7] In de "Reize" beschrijft Hanewinkel de grove toestanden die in Woensel en vooral Oerle, maar waarschijnlijk niet in Deurne, plaatsvonden. In de door Rooijakkers hiertoe geraadpleegde bronnen is, behalve het geciteerde van de vicaris, geen woord te vinden over wangedrag van katholieke Deurnenaren. Waaruit zou dan wel de "sterke bemoeiing" van pastoor Swinkels bestaan hebben? Wellicht uit het wederrechtelijk afsluiten van de recentelijk heropende grafkelder in het hoofdaltaar waar de familie De Smeth, als heren van Deurne, grafrechten konden doen gelden? Of de ingebruikname van de kerk vóórdat duidelijk was of de protestanten er nog grafrechten hadden en vóórdat de vicaris daartoe toestemming had verleend?
RaadhuisKerk en kerkhof waren nog maar nauwelijks in katholieke handen of het kerkhof zou weer aanleiding zijn tot een fikse dorpsruzie. Wat was het geval? Men had serieuze plannen om een nieuw raadhuis te bouwen. De meeste geëigende plaats daarvoor was daar, waar vroeger het zogenaamde "gebodenhuisje"[8] stond: op de markt pal naast de kerk. Maar omdat het te bouwen raadhuis 'n stuk groter zou worden dan het af te breken gebodenhuisje had men een stukje van het kerkhof nodig. Het gemeentebestuur had in 1799 bij de overdracht van de kerk succesvol onderhandeld met een drietal gecommitteerde gevolmachtigden van het rooms katholiek kerkgenootschap en meende ook nu een deal met hen te kunnen sluiten. Snel was het contract getekend waarin 3 roeden (circa 100 m2) van het kerkhof in handen van de gemeente kwam, maar pastoor en kerkmeesters protesteerden hevig. De overdracht zou alleen kunnen plaatsvinden met hún goedkeuring én die van de vicaris-generaal. De ruzie, die uiteindelijk na goed overleg tussen pastoor en gemeentebestuur werd opgelost, zorgde wel voor een aanzienlijke vertraging van de bouw.[9,10]
DoodgraverNadat de kerk in 1799 was overgegaan in katholieke handen, ging koster/schoolmeester Pieter Wijnants waarschijnlijk flink in inkomsten achteruit. Het was altijd gebruik en plicht geweest om het overlijden bij hem aan te geven, waarna hij tegen betaling de klokken luidde en wellicht ook de teraardebestelling regelde. Veel katholieken vonden het na 1799 niet meer nodig om deze protestantse schoolmeester bij de uitvaart te betrekken. In 1803 werd men in Deurne door het departementaal bestuur stevig op de vingers getikt. Men hoefde Wijnants weliswaar niet meer bij de uitvaart zelf te betrekken, maar men mocht de overledene niet begraven vóórdat men daarvan bij de schoolmeester aangifte had gedaan én ... hetzelfde bedrag had betaald dat men altijd had moeten betalen.[11] Vanaf 1 januari 1806 moest er een officiële doodgraver worden aangesteld die nauwkeurig aantekening moest houden van de leeftijd, de woonplaats, de huwelijkse staat en het aantal kinderen van de overledene. In Deurne bleef dat de schoolmeester Pieter Wijnands.[12] Het was in de 17de en 18de eeuw overigens steeds de schoolmeester geweest die nauw betrokken was bij het begraven van de lijken; hij luidde de klokken en zorgde ervoor dat het graf gedolven werd. In de 19de eeuw zien we ook wel de veldwachter in functie als doodgraver, onder andere in Vlierden (1853).[13]
Illegaal begravenEr hebben zich een tweetal incidenten voorgedaan waarbij een illegaal begraven kinderlijkje werd aangetroffen op het kerkhof van de gereformeerde gemeente.[14] Allereerst gebeurde dat in 1813; over deze zaak zijn we slechts heel summier geïnformeerd. Het tweede geval deed zich voor in 1853. Dat geval is beter gedocumenteerd. Op 16 september van dat jaar werd door de weduwe Groenemans een merkwaardige vondst gedaan "op den kerkhof bij de gereformeerde kerk, waar nimmer lijken begraven worden". Het gaat hier dus om het kerkhof aan de Helmondseweg dat toen nog niet als begraafplaats in gebruik was. Zij vond er een papieren doos waarin zich een babylijkje bevond dat in vergevorderde staat van ontbinding was. Het lijkje, een meisje, was in een doek gewikkeld en had een hemdje aan en mutsje op. Al snel vermoedde men dat het om het levenloos geboren kind ging dat de vrouw van Johan Hendrik Wesseling op 10 augustus gebaard had. Toen deze Wesseling, veeschatter van beroep, door de burgemeester hierover aan de tand werd gevoeld, vertelde hij dat het begraven van het kind destijds had overgelaten aan zijn buurman Hendrik Welten. Laatstgenoemde verklaarde dat hij inderdaad het kindje aldaar begraven had, "in de meening dat dit onverschillig was, waar hij dit begraafde". De burgemeester gaf opdracht om het kind te herbegraven op het daarvoor bestemde kerkhof bij de grote kerk en meldde de zaak bij de Astense kantonrechter. Gelukkig had dit voorval geen verdere gevolgen voor de direct betrokkenen.[15]
Eerste uitbreiding begraafplaatsIn 1828 werd besloten een perceel grond aan te kopen voor de inrichting van een nieuwe begraafplaats.[16] Dat was ook nodig want per 1 januari 1827 was het verboden om in plaatsen van meer dan duizend inwoners een begraafplaats te hebben binnen 35 tot 40 meter van de bebouwde kom. Het zuidelijk gedeelte van de bestaande begraafplaats voldeed niet aan die eis, maar door een aangrenzend noordelijk perceel te verwerven kon men de begraafplaats volgens de normen aanleggen.[17] Het jaar daarop werd de uitbreiding ook ommuurd, waartoe 6 monden (een mond is 180.000 stenen) steen nodig waren.[18]
Tweede uitbreiding
Drie kerkhoven, twee begraafplaatsenIn 1858 werd, naar aanleiding van de hierna te behandelen grafschennis, het volgende gemeld: "Er zijn te Deurne drie kerkhoven, nl. van de gemeente, van de R.C.-kerk en van de Ned. Herv. gemeente. Op de laatste begraafplaats worden geen lijken begraven, de protestanten worden op de gemeentelijke begraafplaats begraven". Het is gissen naar de reden waarom de protestanten nog steeds geen gebruik maakten van de beschikbare ruimte rondom hun eigen kerk. Was het omdat men de traditionele begraafplaats in stand wilde houden? Gaf men vanwege de ommuring van de gemeentelijke begraafplaats hieraan de voorkeur? De gebeurtenissen die hierna beschreven worden, waren in ieder geval aanleiding voor de protestanten om actie te ondernemen tot de stichting van een eigen, de huidige, begraafplaats.
Een schandaleus kerkhofWat was er in rond 1858 aan de hand? De pastoor was erin geslaagd om de zusters Franciscanessen uit Veghel naar Deurne te halen en was al snel volop bezig met de uitvoering van zijn plan tot het bouwen van een "Liefdehuis" tot huisvesting van de zusters. Men wilde tussen het gemeentebestuur en het kerkbestuur komen tot een ruiling van grond van hun respectievelijke begraafplaatsen, "waardoor het kerkhof fraayer en meer vierkant in muren kan gebragt worden en waarbij de protestanten eene veel betere begraafplaats verkrijgen". Nu was men, in afwachting van een landmeter die het zaakje netjes in kaart zou brengen voor de definitieve regeling, alvast aan het graven en egaliseren gegaan. De plaats waar het Liefdehuis moest komen, diende te worden opgehoogd en men vond dat het benodigde zand wel van het kerkhof gehaald kon worden. Zelfs van boven de rustplaatsen der overledenen werd het zand weggenomen en waar men halfvergane kisten en botresten tegenkwam, werden die in een kuil gegooid. Zelfs onder het toeziend en goedkeurend oog van burgemeester Hendrik van Baar werd het graf van zijn enkele jaren daarvoor overleden zuster geschonden.[26] "Het kerkhof lag aan den noordkant geheel open, doch kalk en steenen waren gedeellijk aangeschaft om het zelve met een muur in te sluiten, wat, volgens overeenkomst, door kerk- en gemeentebestuur ten gemeene kosten zou bewerkstelligd worden; om de aftreding van den heer burgemeester was de zaak uitgesteld. Op het kerkhof, welk in eigendom aan de RK gemeente toebehoort, is een afzonderlijke plaats voor protestanten, doch zonder afscheiding, die plaats, zoo ik gehoord heb, was vroeger aan de noordzijde omtrent tegenover den tweeden of oostelijken voorvleugel van het Liefdehuis, thans meer oostwaarts langsdezelfde noordzijde.
Naar een eigen begraafplaats 1858-1863Op 12 november 1858 kwam de hervormde kerkeraad in vergadering bijeen en het belangrijkste agendapunt was het komen tot een eigen begraafplaats rond de eigen kerk, zodat men in het vervolg niet meer afhankelijk was van de gemeente. Er werd besloten om bij Burgemeester & Wethouders het volgende verzoek in te dienen[29]: "Kerkvoogd en notabelen der Hervormde Gemeente te Deurne nemen de vrijheid aan Ued.Achtb. hun verlangen te kennen te geven, om het terrein, gelegen rondom de Hervormde Kerk te Deurne, en toebehoorende aan de genoemde kerk, te mogen inrigten en gebruiken tot eene bijzondere begraafplaats, op welke zij de vrijheid zullen hebben, de lijken van diegenen, wier nagelatene betrekkingen dit mogen begeeren, ter aarde te bestellen. Vertrouwende dat tegen de voldoening aan dit verlangen bij Ued.Achtb. geene bedenkingen zullen bestaan, wenden zij zich bij dezen tot UEd.Achtb. met het verzoek om hun de hiertoe vereischte autorisatie te willen verleenen.
KerkhofmuurIn het archief van kerkvoogdij der hervormde gemeente bevindt zich een tekening van de kerkhofmuur met het baarhuisje.[31] Daaruit blijkt dat aanvankelijk slechts de voorzijde en linkerzijkant van het linker gedeelte van het perceel aan de Helmondseweg ommuurd was. De ommuring heeft waarschijnlijk vlak na 1865 plaatsgevonden, want in dat jaar stelde het gemeentebestuur daartoe een subsidie beschikbaar van ƒ 221,11.[32] Waarschijnlijk is de ommuring gemetseld door de Deurnese firma Lutters, op de tekening staat althans met potlood de naam "Lutters" vermeld.
ReglementIn oktober 1881 werd door de kerkvoogd Elsingh en de notabelen A. Carlier en A. van Heijst een begraafreglement samengesteld.[33] Op dat moment is sprake van een ommuurd terrein. We geven de belangrijkste bepalingen die in het reglement zijn opgenomen:
Het reglement werd goedgekeurd door het Provinciaal College van Toezicht op het beheer der goederen en fondsen van de Hervormde Gemeenten in Noord-Brabant.
MonumentenstatusHet kerkhof van de Protestantse gemeente ligt bij het in 1815 gebouwde zaalkerkje. De kerk heeft een koor met driezijdige sluitingen, dakruiter, lichte steunberen met uitgemetselde lagen waardoor een geblokt effect ontstaat en is voorzien van een leiendak. In de jaren zestig werd het kerkje aangewezen als rijksmonument, ondermeer vanwege een aantal oude interieuronderdelen. Het eveneens in 1815 gebouwd baarhuisje wordt in de omschrijving niet genoemd.
Nieuwe ontwikkelingenJaarlijks vinden er op het kerkhof zo'n tien begrafenissen plaats. Vanwege plaatsgebrek wilde de protestantse gemeente de begraafplaats in 2004 herinrichten. Onder de oude beuk zou een afscheidsplek gerealiseerd worden. Dit omdat er bij (grote) begrafenissen geen plaats is rond het graf, tenzij men op andere graven gaat staan. Na het afscheid kan dan wel de familie bij het graf afscheid nemen van hun dierbare. Die afscheidsplek zou verhard moeten worden. Om meer ruimte te maken zouden de daar aanwezige oude graftekens verplaatst moeten worden, deels naar een kale plek aan de linkerzijde, deels naar de achterkant van de toekomstige afscheidsplek.
OverlegresultatenHet advies van De Terebinth en het daarop volgende overleg tussen de protestantse gemeente, de heemkundekring, stichting De Stulp, de gemeentelijke monumentenzorg en vereniging De Terebinth leidde tot de volgende conclusies:
Door de heemkundekring is tevens een onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de protestantse begraafplaatsen en naar het lokaal-historisch belang van enkele begravenen. (2005)
Noten
Literatuur
Bronnen
|
|
Laatst aangepast op zondag 24 januari 2010 18:46 Heeft u op- of aanmerkingen over bovenstaand artikel? Uw reactie wordt op prijs gesteld. |