|
Vergeleken met de haar omringende buurdorpen en steden is Veenendaal een relatief jonge nederzetting. In het midden van de 16de eeuw werd Veenendaal voor het eerst genoemd als 'veenkolonie' van de stad Rhenen. De ontginning van het gebied door rijke families was echter al in de vroege 15de eeuw begonnen. De Bisschop Davidsgrift werd aan het eind van die eeuw gegraven voor de vervening en de afwatering en later belangrijk uitgebreid. In de daarop volgende eeuw werd de vervening nog grootser aangepakt waardoor het gebied behoorlijk veranderde. Daarbij bleek de afwatering van het gebied een constante bron van zorg. Desondanks vestigden zich steeds meer mensen op de hogere delen en ook in het veen. Met de toestroom van allerlei bewoners nam de behoefte aan een eigen kerk toe.
De eerste begraafplaats
Voor de bouw van de eerste kerk in het gebied koos men een hoger gelegen plek in het veen die de naam Klein Veenlo droeg. In 1566 kon de kerk, gewijd aan St. Salvator, in gebruik worden genomen. In en rond de kerk moet nagenoeg vanaf het begin begraven zijn. Het is duidelijk dat in de kerk grafkelders werden uitgegeven voor enkele families uit de zogenaamde veen-dynastiën. Op het kerkhof werden ongetwijfeld de veenarbeiders en hun gezinnen begraven. Zowel over het begraven in als buiten de kerk is weinig bekend. Bloys van Treslong Prins [1] heeft het in 1919 slechts over één afgesleten zerk in de kerk. Bij de restauratie in 1961-1962 werden volgens het verslag geen grafzerken aangetroffen. De hardstenen vloer werd toen vervangen door een vloer van Noorse leisteen. Over het oude kerkhof komen alleen wat verhalen naar voren uit de jaren dertig van de 20ste eeuw. Toen werden bij de afbraak van een gebouw op het plein achter de kerk grote hoeveelheden menselijke resten aangetroffen. Ook in 1956, bij de sloop van de pastorie, werden weer graven gevonden. Kennelijk zijn ook graven van het oude kerkhof overgebracht naar de nieuwe begraafplaats. In het boekje De Oude- of St. Salvatorkerk staat vermeldt dat op de linkerzijde van de (nu) oude begraafplaats een aantal doden herbegraven zijn die eerder in de Oude Kerk en er omheen een laatste rustplaats vonden. Waarschijnlijk zijn de graven in en rond de kerk al in de 19de eeuw geruimd nadat elders in Veenendaal een nieuwe begraafplaats was aangelegd.
Algemene begraafplaats
De turfwinning en huisnijverheid brachten Veenendaal een redelijke welvaart en het dorp groeide dan ook uit tot een behoorlijk dorp. Toen de turfwinning terugliep, werd geleidelijk overgeschakeld naar huisnijverheid met name textiel. Rond 1800 telde het dorp zo'n 2.000 inwoners. Begraven werd er nog steeds in en rond de inmiddels vele malen verbouwde kerk. Met het besluit dat per 1 januari 1829 geen doden meer begraven mochten worden in kerken of op kerkhoven van grote dorpen en steden kwam daar verandering in. Veenendaal was genoodzaakt een nieuwe begraafplaats aan te leggen. Nog voor het besluit in werking trad, kocht het gemeentebestuur een stuk bouwland, genaamd Het Heuveltje, tussen de kerk en de Oude Molen. Hier werd de algemene begraafplaats aangelegd aan wat later de Achterkerkstraat zou heten. Op een aan de zuidzijde afgeschuind rechthoekig perceel ter grootte van 0,6 ha, werd een symmetrisch padenstelsel aangelegd. Een hoofdas liep in noord-zuid richting met haaks daarop dwarspaden. Aan de zuidzijde en de oostzijde werden toegangspoorten gemaakt. De eerste begrafenis was een feit in 1829. Tot 1884 zou het de enige begraafplaats blijven van Veenendaal.
Katholieke begraafplaats
Door de snelle groei van de industriële nijverheid in Veenendaal in de 19de eeuw nam het aantal inwoners gestaag toe. Halverwege de 19de eeuw was Veenendaal een redelijk belangrijke industrieplaats geworden met linnen-, wolnijverheid en sigarenfabricage. De industriële bedrijvigheid trok veel nieuwe inwoners, waaronder ook veel rooms-katholieken. Daarmee ontstond voor de groeiende rooms-katholieke gemeenschap de noodzaak een eigen begraafplaats aan te leggen. Aan de Nieuweweg, richting de spoorlijn Utrecht-Arnhem, werd in 1884 een perceel geschikt gemaakt voor begravingen. De begraafplaats lag dicht bij de rooms-katholieke buurtschap die zich hier gevormd had. Het perceel is waarschijnlijk enigszins verhoogd bij ingebruikname. Rondom het langwerpig perceel werd een beukenhaag geplant en bij de ingang plaatste men een ijzeren hek. Verder bouwde men een (verplicht) lijken- en baarhuisje.
Joodse begraafplaats
Al in de 17de eeuw was sprake van joden in Veenendaal. Rond 1750 organiseerden de joden zich en namen ze een kleine synagoge in gebruik. Hun doden werden vooralsnog begraven op de joodse begraafplaats van Wageningen (1668). In de eerste helft van de 19de eeuw groeide de joodse gemeenschap in Veenendaal gestaag. In 1869 telde het dorp 101 joden op 3.730 inwoners (2,7%). Het duurde echter nog tot 1899 voordat men besloot een eigen begraafplaats aan te leggen. Er werd een perceel aangekocht langs de Parallelweg om dat te bestemmen tot begraafplaats. Bij de ingang werd een dubbel hek geplaatst tussen bakstenen palen. Achter de ingang werd een metaheerhuisje gebouwd voor bewassing van de doden. In 1900 werd deze joodse begraafplaats in gebruik genomen.
Algemene begraafplaats aan de Munnikenweg
Aan het begin van de 20ste eeuw liep het inwonertal van Veenendaal op tot zo'n 5.400 en nam nog steeds toe. De oude begraafplaats dreigde vol te raken en de gemeente moest op zoek naar een geschikte plek voor een nieuwe begraafplaats. Kennelijk vreesde de gemeente nog steeds de beroerde waterhuishouding in het gebied, want wederom zocht men een hoger gelegen terrein uit. De grote overstroming van 1855 was men nog niet vergeten. In 1914 vond de gemeente langs de Munnikenweg, gelegen in de gemeente Renswoude, een geschikt terrein. Bij dit terrein, geheten Het Vendel, kocht werd in 1914 een perceel gekocht. Aan architect Van Kreel gaf de gemeente de opdracht om een ontwerp te maken voor de nieuwe begraafplaats. In 1917 kon de begraafplaats in gebruik worden genomen. Vanaf het moment dat de nieuwe begraafplaats aan de Munnikenweg geopend werd, zijn veel stoffelijke overschotten van de oude begraafplaats overgebracht naar de nieuwe begraafplaats. In 1945 werd op de oude begraafplaats voor het laatst begraven in een eigen graf. Daarna raakte de begraafplaats in verval. In het midden van de jaren tachtig van de 20ste eeuw besloot de gemeente de begraafplaats te handhaven als groenvoorziening. Er werd niet geruimd, maar de meeste grafmonumenten werden wel verwijderd. Dit alles naar een ontwerp van tuin- en landschapsarchitect D. Brandsma uit 1986. In het plan van Brandsma lag de nadruk op de beplanting. Slechts een aantal grotere en bijzondere zerken werden gehandhaafd en langs het middenpad opgesteld, tussen beplanting. Er werden veel nieuwe bomen en struiken aangeplant, waardoor het beeld van de begraafplaats drastisch veranderde. Van de oude begraafplaats resteren vandaag de dag alleen enkele oudere bomen. Een beukenhaag met een nieuwe hekwerk omsluiten het terrein. Het grassige terrein heeft zich daarna ontwikkeld als een plek met veel wilde kruidenvegetatie.
Geschiedenis begraafplaats Munnikenweg
Het waren de burgemeester Westeringh en de gemeente-secretaris De Klerck zelf die op 21 januari 1914 de verkoopakte ondertekenden voor het perceel waar de nieuwe begraafplaats moest komen. Zij handelden naar aanleiding van een eerder raadsbesluit van 26 oktober 1911. Het terrein, geheten Het Vendel, bestond in die tijd uit niet meer dan hakhout, heide en een schaapskooi. De grootte bedroeg bijna anderhalve ha en kostte 500 gulden. Het feit dat het terrein hoger gelegen was dan de omgeving (± 11 m boven NAP) was een belangrijk voordeel. De gemeente gaf aan de architect en aannemer Bernardus van Kreel (1865-1922) de opdracht een verdeelplan te maken voor de nieuwe begraafplaats. Hij ontwierp waarschijnlijk ook het kleine lijkenhuisje dat op de begraafplaats werd gebouwd aan het eind van de noordelijke as vanaf de grote rotonde. Het is goed mogelijk dat tuinarchitect Samuel Voorhoeve (1880-1948) naar het beplantingsplan van de begraafplaats heeft gekeken. Voorhoeve had het ontwerpen van tuinen van de bekende tuin- en landschapsarchitect Springer geleerd. In 1906 had Voorhoeve zich in Oosterbeek gevestigd als zelfstandig tuinarchitect. Hij ontwierp vooral particuliere tuinen en parken. Later ging hij meer en meer gemeenten adviseren, waarbij ook Veenendaal op zijn pad zal zijn gekomen. Het ontwerp van Van Kreel, waar Voorhoeve mogelijk aan meegewerkt heeft, is gemaakt in de destijds populaire gemengde landschapsstijl. Voor het eerste ontwerp was een bijna rechthoekig terrein beschikbaar dat vanaf de Munnikenweg naar achter taps toeliep. Centraal op het perceel ontwierp Van Kreel een grote rotonde die in het midden werd verhoogd. Direct rondom dat hogere middelpunt werd ruimte gemaakt voor grote grafkelders van vooraanstaande Veenendaalse families zoals Van Schuppen (Scheepjeswol). Naast de binnenrand werd ook de buitenrand van de rotonde benut voor grote grafkelders. Vanaf de rotonde werd een symmetrisch assensysteem ontworpen, waarvan de as richting de Munnikenweg de kortste was. Deze liep uit op de entree tot de begraafplaats. Vanuit het plan bekeken, paste deze ingang perfect. Buiten de begraafplaats was van weerszijden een soort oprit gecreëerd met twee druppelvormige plantsoenen langs de Munnikenweg. Langs de hoofdassen werden berken geplant. Tussen de paden die zich vanaf de rotonde naar buiten strekken, ontwierp Van Kreel grotere grafvelden die door een fijner, rechtlijnig padenstelsel verdeeld werden, behalve aan de zuidzijde. Daar was in het ontwerp ter linker- en rechterzijde een soort radiaal in het ontwerp opgenomen waarlangs een aantal grafrijen werden ontworpen. De grafrijen daar direct naast volgden weer de strakke symmetrie van de rest van het ontwerp. Hierdoor werden punten gecreëerd voor beplanting in de vormen van kleine bosschages. De rand van de begraafplaats werd beplant, midden in de rotonde werd een treurbeuk geplant en langs de lanen werden coniferen gezet, ter ondersteuning van de structuur. De grafvelden waren verhoudingsgewijs leeg en de paden onverhard. Het noordwestelijke grafveld werd bestemd voor algemene graven die veel dichter opeen lagen dan op de andere velden. De openheid van de grafvelden zou later bij uitgifte van de graven nog opvallender worden omdat telkens twee graven werden uitgegeven, waarop één grafmonument werd geplaatst.
Het eerste graf werd uitgegeven op 26 oktober 1917. Zoals gezegd werden de eigen graven in principe alleen dubbel uitgegeven voor zes lijken. In algemene graven werd in eerste instantie nog vijf diep begraven, maar het kwam voor, volgens de begraafregisters, dat in de tijdspanne van een maand soms wel zeven lijken werden begraven. Daaronder bevonden zich in een specifiek geval vier kinderen, variërend in leeftijd van gestorven bij geboorte tot vier jaar. Vanaf 1921 komt dit nauwelijks meer voor en worden telkens drie overledenen in een algemeen graf begraven.
Op 9 november 1928 kochten burgemeester Van Kuijk en gemeentesecretaris Blankespoor nog een perceel. Zij handelden in naam van B&W ter uitvoering van een raadsbesluit van 15 mei 1928 om te komen tot uitbreiding van de begraafplaats. Het perceel dat ze kochten, was gelegen ten oosten van de bestaande begraafplaats, ongeveer 40 meter breed en 137 meter diep. Voor het stuk grond ter grootte van iets meer dan een halve hectare betaalde de gemeente 4.384 gulden. De begraafplaats was nu bijna twee hectare groot. Voor de kleine uitbreiding werd vermoedelijk door de toenmalige gemeentearchitect een ontwerp gemaakt dat aansloot op het eerste ontwerp. Ook Voorhoeve zou weer enige bemoeienis gehad kunnen hebben met dit ontwerp omdat een ontwerptekening uit die tijd zich bevindt in de collectie Voorhoeve in de Speciale Collecties van de Bibliotheek Wageningen. In het ontwerp van de tweede uitbreiding werd wederom een rotonde opgenomen en in de noord-oostelijke hoek werd de aanzet getekend voor nog een rotonde. Kennelijk werd dit ontwerp ingegeven door een verdere uitbreiding die men voor ogen had, maar op die wijze nimmer gerealiseerd is. Opvallend op deze tekening is dat duidelijk de eerste ingang zichtbaar is, maar dat tegelijk al een aanzet is ingetekend voor de oprijlaan naar de grotere uitbreiding die in de jaren veertig zou volgen.
De eerste aankoop voor die grote uitbreiding volgde in december 1941. Ditmaal kocht de gemeente een stuk van 125 meter breed en ruim 180 meter diep, van ruim twee hectare. Dit stuk lag achter de bestaande begraafplaats. De koopsom bedroeg 11.000 gulden. In de akte werd opgenomen dat voor de ophoging van dit deel grond mocht worden afgegraven van omliggende percelen. In juni 1942 werd nog eens ruim één hectare aangekocht tegen de prijs van 5.370 gulden. Met dit laatste perceel kreeg de begraafplaats een wat meer rechthoekige vorm. Alleen de achterzijde vormde nog een schuine hoek. Langs de oostkant van de begraafplaats werd een betonnen keerwand aangebracht, waarschijnlijk om te voorkomen dat de opgehoogde grond weg zou spoelen. Op de betonnen rand werd een eenvoudig hek geplaatst met ijzeren palen.
De Nederlandse Heidemij maakte het nieuwe deel van de begraafplaats in de jaren 1941-1945 gebruiksklaar. Er werd wederom veel aandacht besteed aan de groenaanleg. Centraal in de uitbreiding werd een grote rotonde ontworpen die direct aansloot op het oude deel. De grafvelden werden hier op aangesloten en de paden volgden de ronde lijn van de rotonde waardoor het ontwerp enerzijds een grotere schaal kreeg, anderzijds goed aansloot op het oude deel. De oprijlaan met nieuwe ingang werd toen aangelegd en op de plaats van de oude ingang werd een kleine rotonde gemaakt terwijl de restruimte benut werd voor graven. De nieuwe ingang lag nu meer naar het oosten, in de uiterste zuidpunt van de begraafplaats. De toenmalige gemeente Ede betaalde mee aan een deel van de kosten voor de begraafplaats omdat het ook in de verwachting lag dat er veel overledenen uit Ede begraven zouden worden. Destijds lag een deel van Veenendaal nog op het grondgebeid van de gemeente Ede, dus deze redenering was niet zomaar uit de lucht gegrepen.
Gezien de aard van de grafmonumenten en de data op de grafmonumenten zal de uitbreiding net na de oorlog in gebruik zijn genomen. De uitbreiding was een voortzetting van het eerste ontwerp, maar de paden waren ronder en de grafvelden groter. Er werden geen dubbele graven meer uitgegeven, maar enkele graven waarin ruimte was voor drie lijken. In totaal was de begraafplaats nu ruim vijf hectare groot.
Aula en ander gebouwen
Afgezien van een lijkenhuisje was er op de begraafplaats geen gebouw waar afscheid genomen kon worden of anderszins geschuild kon worden bij slecht weer. Dit gemis werd tijdens een raadsvergadering in 1949 ingebracht. De begraafplaats zou een aula moeten krijgen. Dat ging niet meteen, want pas in 1953 en 1954 verschenen de eerste tekeningen voor de te bouwen aula. Gemeentewerken tekende daarvoor zelf het ontwerp. Het plan betrof een achtzijdig bakstenen gebouw met tentdak met aan de voorzijde een portiek en aan de achterzijde een wachtruimte. De wachtruimte kon desnoods ook als lijkenhuis worden gebruikt. Het gebouw met een diameter van elf meter zou geplaatst worden in het midden van de nieuwe rotonde op de laatste uitbreiding. Geheel naar de smaak van de tijd kreeg de aula een vloer van granito. Het dak was gedekt met bitumen, afgestrooid met blauwzwarte leislag. De rotonde zelf werd enigszins vergroot zodat hier ook parkeergelegenheid ontstond voor lijkwagens en volgauto's. Wederom droeg de gemeente Ede bij aan de kosten [2]. Na een lange bouwtijd werd de aula op 12 maart 1956 met stille trom in gebruik genomen. Nadien werd nog een orgel geplaatst.
Niet lang daarna, in 1963, werd het oude lijkenhuisje afgebroken en werd op de rand van het eerste deel van de begraafplaats, tegen de buitenzijde een lokaal gebouwd voor het personeel. Bij dit langwerpige gebouw werd in 1972 een berging gebouwd, haaks op het bestaande. Het gebouwtje was zeer eenvoudig van opzet met een rechthoekige plattegrond onder plat dak. Beide gebouwen, hoewel de berging later enigszins is uitgebreid, staan tot op heden op de begraafplaats
Bij de toenmalige ingang werd in 1973 een fietsenstalling aangelegd met een klein wachthokje ten behoeve van de dragers. In het toenemende autogebruik was al voorzien door naast de begraafplaats een parkeerplaats aan te leggen.
Laatste grote uitbreiding
Tussen 1976 en 1978 werd de begraafplaats nogmaals uitgebreid. Dit keer werd aan de noord- en oostzijde een fors stuk grond bij de begraafplaats getrokken dat meer dan twee maal de omvang had van de begraafplaats tot dan toe. De toenmalige directeur Gemeentewerken, G.C. Stuijvenberg, ontwierp het plan voor deze grote uitbreiding. Het beplantingsplan werd gemaakt in samenspraak met Van Ginkel Veenendaal B.V.. Men liet zich vooral inspireren door het ontwerp dat W.C.J. Boer had gemaakt voor de Nieuwe Algemene Begraafplaats in Doorn in 1958 en het ontwerp van B.J. Galjaard voor de begraafplaats Daelwijck in Utrecht uit 1965. De rechtlijnige aanleg werd hier doorsneden door lange eikenlanen en door groenstroken met wintergroene bomen. De grafvelden werden vormgegeven als rechthoekige kamers omgeven door taxushagen. De kamers werden eenvoudig ingericht en naar het voorbeeld van Doorn, mochten alleen zerken gelegd worden (hoewel in Doorn aan de randen ook stèles geplaatst mochten worden). Paden van twee meter breed ontsloten de velden en tussen de grafregels werd ook voldoende ruimte gelaten om een efficiënte bedrijfsvoering mogelijk te maken. In de loop der jaren heeft men het oorspronkelijk idee omtrent de zerken losgelaten, mede omdat de grafcultuur veranderde.
Ter plaatse van de oude parkeerplaats werd een groot voorplein ontworpen met daarachter een rouwcentrum. Voor het rouwcentrum werd in 1985 een bouwvergunning afgegeven. Het gebouw werd ontworpen door architectenbureau Huibers en Jarring en kwam begin 1987 gereed. Daarmee kreeg de begraafplaats ook een nieuwe hoofdingang, want men achtte de oude ingang te ver weg van de nieuwe velden. Bovendien kwam op deze wijze het rouwcentrum centraal te liggen. Bij de oude toegang werden de bakstenen pijlers afgebroken en in de plaats kwam een eenvoudig hekwerk. Tevens werd het gehele hekwerk langs de Munnikenweg vervangen voor een hoger hekwerk van gaas, bovenop voorzien van prikkeldraad.
Niet lang daarna werd de oude aula op de begraafplaats afgebroken. De sloop kostte de gemeente 4.000 gulden. De Historische Vereniging Oud Veenendaal wees de gemeente in 1987 nog op de mogelijkheden voor behoud en stelde voor het gebouw een andere bestemming te geven. Er zouden bijvoorbeeld historisch waardevolle voorwerpen in onder gebracht kunnen worden. De gemeente maakte ondertussen echter plannen om de locatie van de oude aula opnieuw in te richten met een passend beplantingsplan. De sloop ging uiteindelijk gewoon door, waarmee de begraafplaats een waardevol element verloor.
In 1989 werden op de plek van de oude aula de eerste urnenmuren gebouwd die nu het columbarium vormen. De urnenmuren zijn opgetrokken uit baksteen en beton, met vier rijen nissen. Vier zijn er nu rondom de rotonde geplaatst. Elders op de begraafplaats worden ook urnengraven uitgegeven.
Huidige situatie
Nu, bijna honderd jaar nadat de begraafplaats van Veenendaal in gebruik werd genomen, ligt deze er fraai bij. Bijna een eeuw lokale geschiedenis is op deze dodenakker zichtbaar, maar in zekere zin ook weer niet. De Munnikenhof is door uitbreidingen, veranderende opvattingen en wijzigingen sterk veranderd. Daarbij is veel van wat er ooit was alweer verdwenen.
De huidige ingang van de begraafplaats wordt gevormd door een functioneel hekwerk dat in stemmig rood geverfd is. Achter deze ingang ligt de laatste uitbreiding van de begraafplaats. Een logische weg naar het oude gedeelte is er helaas niet meer. Er is bij de uitbreidingen van de jaren zeventig op geen enkele wijze voortgeborduurd op de oudere aanleg. Dat levert het voordeel op dat die aanleg nu een geheel eigen uitstraling heeft en redelijk op zichzelf staat. Via een aparte toegang kan het oudere gedeelte van de begraafplaats betreden worden, maar ook via een pad tussen de velden T en S-R. De overgang tussen het oude en nieuwe gedeelte wordt gevormd door een buffer van bomen en struiken. De buffer bevat onder andere eiken, esdoorns en beuken met daaronder groenblijvers als taxus en laurier en verschillende bladverliezende struiken. Tussen deze buffer zijn resten te zien van de betonrand waarop ooit een eenvoudige ijzeren hekwerk heeft gestaan. Deze rand vormt de uiterste rand van het oudere gedeelte van de begraafplaats, maar dateert uit de jaren veertig van de 20ste eeuw.
Op het oude gedeelte is de oorspronkelijke aanleg nog goed te herkennen. De kleine rotonde bij de oude ingang lijkt nu wat vreemd gelegen, maar was destijds uiterst praktisch bedacht. Deze opzet maakte het draaien voor de lijkkoetsen en later de lijkauto's gemakkelijker. De rotonde oogt nu wat vreemd omdat deze feitelijk geen functie meer heeft. Ook de tweede ingang is verdwenen en omdat het padenstelsel niet aansluit op de latere uitbreidingen, is een wat verloren hoek ontstaan.
Groene begraafplaats
Hoewel ook in het groen veel veranderd is, heeft de begraafplaats ontegenzeggelijk een groen karakter behouden. Op het oudste deel is zelfs meer groen aanwezig dan voorheen. Dat komt enerzijds door het uitgroeien van de bestaande bomen, struiken en coniferen, anderzijds door nieuwe aanplant van struiken tussen de graven. De berken langs de hoofdassen zijn inmiddels vervangen door een andere soort. Het aanzicht van de grafvelden is door al die aanpassingen sterk veranderd. In plaats van dat men over de grafvelden kan kijken, blijft de blik nu hangen bij een groene rand. Dergelijke beplanting is op meerdere plaatsen aangebracht. In de tweede helft van de 20ste eeuw zijn ook de van oorsprong onverharde paden vergrasd en is de ruimte tussen de graven kaal gemaakt. Dit alles heeft ongetwijfeld te maken gehad met keuzes om het onderhoud te verbeteren en beter aan te laten sluiten op de mechanisatie die vanaf de jaren zeventig en tachtig van de 20ste eeuw heeft plaatsgevonden. De hoofdpaden op de begraafplaats zijn inmiddels geasfalteerd.
De bomen en ander groen op de begraafplaats zijn van gevarieerde soorten. Er staan veel inheemse bomen, maar ook veel uitheemse soorten. Verder zijn er veel bladverliezende struiken en bomen, maar ook de nodige groenblijvers zoals coniferen, laurier, taxus en naaldbomen. Het oorspronkelijke beplantingsplan van de uitbreiding uit 1941-1942 is inmiddels ook alweer aangepast. Zo is de laanbeplanting aangepast en achter de grafmonumenten zijn hagen geplaatst, terwijl dat in eerste instantie niet het geval was. De afwisseling in hoog/laag en groenblijvend/niet groenblijvend geeft zowel in de wintermaanden als de zomermaanden een afwisselend beeld voor de bezoekers en wandelaars die over de begraafplaats lopen. Soms is er een mooi doorzicht, dan weer valt het oog op een aantal struiken en heesters.
Grafmonumenten
De oudste grafmonumenten op de begraafplaats dateren uit 1918, maar er zijn enkele uitzonderingen. Dat betreft grafmonumenten die zijn overgebracht van de oude begraafplaats. Een prominent grafmonument dat daarbij opvalt, staat op het graf van Mary Jane Jackson die overleed in 1901. Het is een eenvoudig hardstenen grafmonument met marmeren tekstplaten op een zuil. De zuil is voorzien van een brede afdekking die zich trapsgewijs verjongt tot een kleine piramide. Er zijn ook andere fraaie grafmonumenten, vooral op het gedeelte van de 1e klasse graven. Hier liggen monumentale keldergraven waarbij uitbundig gebruik is gemaakt van diverse soorten natuursteen met toevoeging van metalen buizen, kettingen, hekken en in sommige gevallen ook opvallende belettering. Hier liggen bekende Veenendalers begraven die ondermeer hebben bijgedragen aan de groei van het dorp. Overigens komen hekwerken elders op de begraafplaats nauwelijks meer voor. Soms is aan een grafmonument nog wel te zien dat er een hekwerk op heeft gestaan, maar dit is om de een of andere reden weggehaald. Van de overige familiegraven passen veel grafmonumenten nog bij de 19de-eeuwse grafcultuur. Hardstenen stèles of zerken zijn er nog volop te vinden. De latere aanpassingen met hardstenen randen met paaltjes en kettingen zijn eveneens in overvloed aanwezig. In veel gevallen zijn sobere en eenvoudige randen later aangepast met een stèle erbij of met een invulling van het grafvak, bijvoorbeeld met flagstones of grind. Typerend voor Veenendaal zijn de sobere grafmonumenten waarbij alleen maar een rand is neergelegd met op de voor- of achterkant een aanduiding "familiegraf" met naam. Van dit soort grafmonumenten zijn verschillende uitvoeringen terug te vinden.
Een aparte groep grafmonumenten betreft de monumenten die herinneren aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. In totaal staan er verspreid op de begraafplaats negen van dergelijke monumenten. Eén is van een Canadese piloot die in 1944 omkwam bij een crash met zijn vliegtuig na het bombarderen van het station van Veenendaal. Verder liggen er vijf Nederlandse soldaten die omkwamen bij gevechten in 1940 op verschillende plaatsen in het land. Drie oorlogsmonumenten betreffen die van verzetsstrijders die in 1944 en 1945 gedood werden door de bezetter. De monumenten voor vier van de slachtoffers uit 1940 zijn voorzien van een zelfde soort grafteken. Het betreft een rechthoekige stèle op een iets bredere basis met ter linkerzijde een kruis op een cirkel waarin een lauwerkrans is afgebeeld. In de balk van het kruis staat telkens een verwijzing naar een psalm. Rondom het graf is een rand aangebracht en het vak is gevuld met grind. In twee gevallen zijn later familieleden bijgezet, waarna er passende monumenten bij zijn geplaatst. De andere monumenten betreffen eenvoudige stèles van kalksteen met een rand op het graf. Op vijf van de graven ligt een groene helm zoals die door Nederlandse soldaten werd gedragen bij het uitbreken van de oorlog.
De grafmonumenten op het deel dat na de Tweede Wereldoorlog werd uitgebreid, tonen een grote variatie. Deels kan men hier nog voorbeelden van de oude grafcultuur aantreffen met een stèle op het hoofdeind en een rand, al dan niet met invulling. Vaker ook zijn de meer eenvoudigere grafmonumenten van graniet aan te treffen, zoals ze in de jaren tachtig van de 20ste eeuw meer en meer voorkwamen.
Monumentale status
In december 2006 werd via een burgerinitiatief aan de gemeenteraad gevraagd om de structuur, de grafmonumenten en de bomen op het oudste gedeelte van begraafplaats De Munnikenhof te behouden. In het burgerinitiatief werd voorgesteld dit te doen door dit deel van de begraafplaats aan te wijzen als gemeentelijk monument. Door de gemeente Veenendaal werd onderkend dat een eventuele monumentenstatus vergaande financiële, juridische en beheertechnische gevolgen zou kunnen hebben. Niet alleen voor de gemeente zelf inzake monumentenbeleid en exploitatie van de begraafplaats, maar ook voor rechthebbenden en andere nabestaanden. In het voorjaar van 2007 heeft de gemeente Veenendaal daarom de cultuurhistorische waarde van De Munnikenhof in kaart laten brengen in een cultuurhistorische effectrapportage (CHER). Over deze rapportage is vervolgens een dialoogavond gehouden. Aan de hand van de bevindingen en de discussie op deze avond tussen de bevoegde wethouder, raads- en commissieleden, initiatiefnemers, deskundigen en inwoners, volgde toen de conclusie dat het aanwijzen van het oudste gedeelte van de begraafplaats als gemeentelijk monument niet nodig is om de cultuurhistorische waarden te beschermen. Wel zou de gemeente een beleid ontwikkelen waarbij de bestaande waarden in stand worden gehouden. De Munnikenhof is de enige begraafplaats in Veenendaal waar de ontwikkeling van bijna een eeuw begraven zich laat bekijken. Om ervoor zorg te dragen dat die waarde bewaard blijft, wil het college ondermeer een beheerplan voor het groen op de begraafplaats opstellen. Verder zal een deskundige in overleg met de gemeente criteria opstellen, waaraan de cultuurhistorische waarde van grafmonumenten getoetst kunnen worden. Vervolgens zullen de bestaande grafmonumenten daadwerkelijk getoetst worden. Geschat wordt dat dit ongeveer drie jaar in beslag neemt. In 2009 wordt het columbarium - de urnengalerij - op de begraafplaats uitgebreid. De plek van dit columbarium moet voor de toekomst een ankerpunt op de begraafplaats worden. Hoewel de gemeente niet het gehele oude deel tot gemeentelijk monument heeft verklaard, zal de structuur van het oude gedeelte van de begraafplaats wel een monumentenstatus krijgen. Daarmee wordt de bijzonder fraaie sfeer van deze begraafplaats zeker recht gedaan. (2009)
Noten
- In 1919 startte Mr. P.C. Bloys van Treslong Prins met de reeks Genealogische en Heraldische Gedenkwaardigheden in en uit de Kerken. Hij onderzocht en beschreef voor verschillende provincies de kerken en hun grafstenen. In 1928 werd J. Belonje mede-auteur. Het deel Utrecht werd in 1919 gepubliceerd.
- Het Gelderse deel van Veenendaal zou pas in 1960 bij de gemeente Veenendaal worden gevoegd en werd dus Utrechts.
Bronnen
- Gemeentearchief Veenendaal
Literatuur
- Beek, Teus van; 'Ontmoetingen op de begraafplaats', in: Oud Veenendaaltijdschrift van de Historische Vereniging Oud Veenendaal,, 19de jaargang, nr. 2. Juni 2004.
- Bloys van Treslong Prins, Mr. P.C.; Genealogische en Heraldische Gedenkwaardigheden in en uit de kerken der Provincie Utrecht, 1919.
- Bok, Leon; Cultuurhistorische Effect Rapportage, Amsterdam 2007.
- Diepeveen, H.; De Oude- of St. Salvatorkerk. Geschiedenis van De Oude Kerk en de Markt te Veenendaal, 1986 Veenendaal.
- Grootheest, A.C. van en R. Bisschop (redactie); Geschiedenis van Veenendaal, uitgave van de Historische Vereniging Oud Veenendaal, 2000 Veenendaal.
- Hof, Jan van 't e.a.; Monumenten-inventarisatie provincie Utrecht. Veenendaal Geschiedenis en architectuur, 1992 Zeist.
- Oldenburger-Ebbers, Carla S.; Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur. Deel Oost en Midden. Gelderland - Utrecht, 1996 Rotterdam.
- Stenvert, Ronald, e.a.; Monumenten in Nederland. Utrecht, 1996 Zwolle.
- Bureau Inventarisatie & Advies Monumenten; Inventarisatie historische bebouwing gemeente Veenendaal, 1989
- Informatiefolder Algemene begraafplaats en rouwcentrum "de Munnikenhof" te Veenendaal, uitgave gemeente Veenendaal, ongedateerd
|