| Vlissingen - Begraven tot de 19de eeuw |
|
| door Leon Bok |
|
Oudste geschiedenisVanaf de Vroege Middeleeuwen werd in de omgeving van het huidige Vlissingen bewoning mogelijk op kreekruggen. Of er daarvoor ook mensen in dit gebied woonden, is niet duidelijk. Op een van die kreekruggen ontstond in de Late Middeleeuwen het dorp Oud-Vlissingen. Haringvisserij was de bron van inkomsten voor de bewoners en daardoor was er grote behoefte aan zout. Destijds verkreeg men zout door zeewater te verdampen of door veen dat zelf ook zout bevatte, te verbranden. In beide gevallen was er een continu aan- en afvoer van materiaal nodig maar ook leverde het proces veel afval op. De activiteiten vonden plaats op een grote ruimte ten zuid-oosten van het dorp. Hier werd in de vroege 14de eeuw een nieuwe haven gegraven om de economische activiteiten verder uit te breiden.
De nieuwe haven verbond het oude dorp met de zee en trok meer werk aan en ook nieuwe bewoners. Naarmate de activiteiten meer naar de zeezijde werden verplaatst, werd de nieuwe bebouwing steeds belangrijker wat uiteindelijk het gevolg had dat het oude dorp opgeslokt werd door Nieuw-Vlissingen. Toen de zoutproductie in de 15de eeuw werd gestopt, kreeg het grote terrein bestemming voor een vismarkt en later voor opslag van bouwmaterialen. Opgravingen in 2004 zouden waarschijnlijk het noord-westelijke deel van het kerkhof bij de St. Jacobskerk aansnijden. Een unieke gelegenheid om terug te kijken in de oudste geschiedenis van Vlissingen. Voorafgaand aan de opgravingen was niet exact bekend waar zich de noordgrens van het kerkhof bevond. Ook waren er vragen naar de aard, omvang, conservering en datering van de sporen die men zou aantreffen.
Profiel kerkhofUit de opgravingen kwam naar voren dat het kerkhof ter plekke meerdere gebruiksperioden kende. In de eerste periode werd op het onderzochte deel nog niet begraven. Wel was het stuk mogelijk al voorzien van een ommuring. Daarbinnen lag een moestuin of boomgaard. Begraven werd er waarschijnlijk in de kerk zelf of dichter bij de kerk of aan de andere zijde. De muur, waarvan de zware fundering werd aangetroffen bij de opgraving, behoorde tot de oudste aanlegfase van het kerkhof. Dat het kerkhof nog niet als zodanig werd gebruikt, blijkt ondermeer uit de vondst van een mestkuil. Latere begravingen waren in die kuil ingegraven. Het kerkhof werd waarschijnlijk rond het begin van de 15de eeuw als zodanig in gebruik genomen. Toen ook nam de bewoning in de omgeving toe en was er meer behoefte aan grafruimte. Bij deze ingebruikname werd buiten de muur een sloot aangelegd. Op die sloot loosde een bakstenen goot die aangelegd werd om het overtollige water van het binnenterrein te kunnen afvoeren. De goot loosde via een opening in de muur op de sloot. Dat wijst er op dat binnenterrein wellicht in eerste instantie te nat was om er te kunnen begraven, of dat men overlast had ervaren van water dat van de kerk naar de Achterhaven stroomde. De goot moest dit reguleren zodat men fatsoenlijk kon begraven. Aan de binnenzijde van de muur werd nog een pad aangelegd. De graven die bij de opgraving aan het licht kwamen, bleken redelijk intact te zijn. Botmateriaal bleek goed bewaard te zijn gebleven en ook restanten van de houten grafkisten bleven eeuwenlang bewaard in de ondergrond. De graven waren hier tot in de oorspronkelijke klei gegraven. Nadat het grafterrein geheel was gebruikt, duurde het enkele tientallen jaren voordat een tweede gebruiksfase werd opgestart. Die fase moet geplaatst worden in de tweede helft van de 15de eeuw. Het terrein was inmiddels fors opgehoogd met puinrijke grond. Het maaiveld was daardoor met anderhalve meter verhoogd. Het kerkpad langs de muur verdween daarbij ook onder de grond. Waarschijnlijk bracht men het kerkhof hiermee op dezelfde hoogte als de omgeving die in de loop der tijd ook verhoogd was. In de tweede fase van begraven werd later zelfs door het pad heen gegraven om nieuwe graven aan te leggen. Opvallend is dat de oriëntatie van de graven in deze tweede laag veranderd is ten opzichte van de eerste laag en ook dat dichter op elkaar werd begraven. Een verklaring daarvoor is niet gevonden. Mogelijk is er sprake geweest van dreigend ruimtegebrek.
Na het buiten gebruik raken van dit deel van het kerkhof werd het begraven verplaatst naar de zuidoostzijde van de kerk. Ook hier sloot een muur het kerkhof af van de erlangs gelegen Branderijstraat. Dit deel van het kerkhof wordt dan in de volksmond het 'Groene kerkhof' genoemd. In 1598 werd dit deel van het kerkhof in omvang teruggebracht, mogelijk vanwege de bebouwing van delen ervan. Het resterende deel van het kerkhof werd nog benut tot 1827.
Andere begraafplaatsen in de binnenstadIn de loop van de 16de eeuw veranderde er veel voor Vlissingen. Na de bevrijding van de Spanjaarden in 1572 profiteerde de stad van grote economische voorspoed. De 4.000 inwoners werden bovendien in korte tijd aangevuld met Vlaamse en ook Waalse vluchtelingen. Later kwamen door de handel ook meer Engelsen in Vlissingen wonen. Al deze mensen hadden ook behoefte aan eigen plaatsen voor het belijden van hun geloof. Vooral ten noorden en ten oosten van de stad vonden veel uitbreidingen plaats. In het oosten ontstond de Nieuwstad. Daar werd vanaf het eind van de 16de eeuw driftig gebouwd, waarbij de vestingwerken opschoven en vergroot werden. De belangrijkste havens kwamen binnen de vestingwerken te liggen en nieuwe kerken bedienden de bewoners. Al in 1593 kwam de Kleine of Engelse kerk gereed (ook wel Middelkerk genoemd) en later werden in dit gebied ook nog de Waalse Kerk (1635), de Oostkerk (1654) en de Mennonietenkerk gebouwd. Vooral de Kleine Kerk en de Oostkerk zijn interessant omdat die een wat ruimer kerkterrein hadden waar ook begraven werd.
De hervormde gemeente kreeg halverwege de 17de eeuw ook nog de Oostkerk ter beschikking. Het aantal inwoners van Vlissingen liep toen al tegen de 8.000, maar er verbleven daarnaast ook altijd veel buitenlanders in de stad. Op zondagen zal het in de kerken behoorlijk vol zijn geweest. Uit de geschriften van de Vlissingse advocaat Brasser leren we ook hoe het in het midden van de 18de eeuw stond met de begraafplaatsen bij de kerken. Brasser beschrijft dat alle drie de kerken een kerkhof hebben, omgeven met een stenen muur. Ieder kerkhof had een vierkant gemetseld vak dat diende voor het opslaan van de knekels. Deze doodsbeenderhuisjes speelden toen nog een belangrijke rol in het gebruik van de kerkhoven, maar we vinden van dit gebruik nauwelijks nog sporen terug. Elk kerkhof had zijn eigen doodgraver. Brasser beschrijft ook wat men betaalde voor een begraving in de kerk of het kerkhof. Een begraving in de kerk kostte gemiddeld vijftien gulden. De prijzen op het kerkhof waren uiteraard lager, maar voor een particulier graf op het kerkhof betaalde men weer een gulden extra. Wanneer iemand van de armen werd begraven, zoals dat heette, dan rekenden de grafdelvers geen kosten. Het 'ellendige kerkhof' was bij de Middelkerk. Daar werden misdadigers, zelfmoordenaars en onbekende doden begraven. Begravingen moesten in het algemeen voor twaalf uur plaatsvinden, op straffe van een boete. Die liep op tot wel honderd gulden als dat in de avonduren gebeurde. Het begraven in de ochtend had waarschijnlijk te maken met het feit dat de kerken in de middag voor andere diensten werden gebruikt. Het begraven in de zogenaamde ‘gemene of gemeente put’ bij de St. Jacobus kerk riep in de 18de eeuw al bezwaren op. N.C. Lambrechtsen (1752-1823), pensionaris van de stad, schreef hierover: “het opstapelen van lijken in de zogenaamde gemeente put, zonder dat men de moeite neemt dezelve met een handvol aarde te bedekken, zig vergenoegende door eenige losse planken de oppervlakte van den put vrij slordig te hebben toegelegt”. Ook een van de Vlissingse predikanten, Jona Willem te Water was een fervent tegenstander van de begraafpraktijken in en rond de kerk. Hij pleitte dan ook voor het aanleggen van begraafplaatsen buiten de stad.
Na het afschaffen van begraven in de stad
Tot zover over het begraven in Vlissingen tot de 19de eeuw. De opgegraven kerkhoven uit de 14de tot en met de 19de eeuw zullen in de komende jaren echter nog van zich doen spreken. Zo’n tweehonderd skeletten van de oude kerkhoven zijn geselecteerd voor nader onderzoek. Er is een project gestart naar het DNA van de oude Vlissingers. Die zal wellicht uitkomst geven over de herkomst van al de mensen die door de eeuwen de stad bevolkten. (2011)
Literatuur:
Internet:
Met dank aan Bram Silkens, Walcherse Archeologische Dienst. |
|
Laatst aangepast op dinsdag 12 april 2011 19:27 Heeft u op- of aanmerkingen over bovenstaand artikel? Uw reactie wordt op prijs gesteld. |