Op 9 april 1942 werd het stil in Kamp Amersfoort

Geschreven door Remco Reiding op . Gepost in Algemeen

 

Het is 27 september 1941, ruim drie maanden na de inval van het Duitse leger in de Sovjet Unie. Op de veelosplaats nabij station Amersfoort, duizenden kilometers ten westen van Moskou, komt na een erbarmelijke reis van twee weken een trein met 101 Sovjetrussische krijgsgevangenen aan.
Van ellende en ondervoeding bezwijkt één van hen al op de losplaats. De anderen worden in optocht door de stad gevoerd, met een lange omweg naar Kamp Amersfoort. De bedoeling is dat zoveel mogelijk Amersfoorters zien wat voor 'Untermenschen' deze bondgenoten met een vreemd Mongools uiterlijk zijn. Afgrijzen kómt er, niet jegens hen maar jegens de Duitsers.
In het kamp wacht een filmploeg. Er wordt de Sovjetrussen, deels afkomstig uit Oezbekistan, brood toegeworpen in de verwachting dat ze zullen vechten om het eten. Dat zou 'mooie' beelden opleveren voor het filmjournaal. Een medegevangene: Midden op de appèlplaats werd een ruimte afgezet met prikkeldraad; het 'verblijf' van de Russen. En toen de Sovjetsoldaten uitgehongerd, gemarteld gedurende het transport, in kleding gestoken die de hunne niet was, maar uit vuile, halfvergane lompen bestond, binnen deze omheining waren gebracht, werden hun brood en sigaretten toegeworpen. Natuurlijk verwachtten de beulen dat de jongens zich als wolven op hun prooi, op het voedsel zouden werpen. Maar neen. De toegewijde kameraadschap en uiterste discipline waarmede het brood werd ontvangen en verdeeld, sloegen de nazi-bandieten met stomheid en zullen allen die er getuige van waren, nog lang bijblijven.

Veertien dagen moeten de Sovjetrussen buiten blijven, voordat zij worden ingedeeld in barak 4. Honger, uitputting en foltering zijn dagelijkse kost. J.F. Hunsche beschrijft het in 'P.D.A., Herinneringen van een gijzelaar' als volgt: Daar vliegt plotseling Grote Nelis langs ons heen. In het voorbijrennen bukt hij zich, raapt een zwaar stuk brandhout op, vliegt daarmee op één van de kleine Russen toe en slaat die met volle kracht van zijn grote lichaam boven op het hoofd. Zonder een kreet te slaken valt het Russische manneke neer. De hersenpan is totaal verbrijzeld; de weke hersenmassa komt naar buiten. Een bloedgolf kleurt de sneeuw rood... Nog is de deliriumachtige woede van het monster Stöver niet bekoeld. Nog schalt zijn metaalachtige stem over het terrein en vervult ieder met schrik [...]. En als de grote kist, die Nelis heeft laten maken en waar vijf lijken tegelijk in kunnen, vol is, zal deze in een grote kuil bij het kamp worden leeggekeerd en zullen de slachtoffers met ongebluste kalk worden bedekt.

Een voor een bezwijken de Russen aan de zware levensomstandigheden in het kamp. Twee van hen krijgen in opdracht van kamparts Nico van Nieuwenhuijsen een dodelijke injectie, omdat hij zo geïmponeerd is van hun afwijkende schedelbouw en hun gave gebit. De twee schedels stelt hij als curiositeiten ten toon op zijn bureau.
Begin april 1942 zijn er reeds 24 gestorven, maar het gaat de Duitsers niet snel genoeg. Reinhard Heydrich, hoofd van het Reichs Sicherheits Hauptamt, buigt zich over de zaak. 'Het blonde beest', na Himmler de hoogstgeplaatste leider bij de SS, is vanuit Berlijn overgekomen naar Den Haag. Hij besluit dat de overgebleven Russen geen enkel doel meer dienen, nu zij als propagandamiddel te kort zijn geschoten. Dus moeten de overgebleven 77 maar gefusilleerd worden. Met hun besmettelijke ziekten vormen ze een gevaar voor de andere gevangenen. En het zou een goede vergeldingsactie zijn voor de slechte behandeling van Duitse krijgsgevangenen op de Krim.
Op 9 april 1942, om vijf uur 's ochtends, staan de 'beulen' op. De Russen worden in twee vrachtwagens geladen. Er wordt verteld dat ze naar het station zullen worden gebracht en daar vandaan naar een kamp in Zuid-Frankrijk, waar het klimaat voor hen beter is. Maar de vrachtauto's komen al snel tot stilstand bij de plek waar na de oorlog het monument De Koedriest is opgericht.
In groepjes worden de Russen afgemaakt door het vuurpeloton. Dat bestaat uit kampcommandant Heinrich, SD'er Deppner, de SS-codespecialist May en de latere opvolger van Heinrich, Karl Peter Berg. Ook Josef Titho, verantwoordelijk voor de garage van het kamp, moet aanvankelijk deelnemen aan het vuurpeloton.
Als het viertal de eerste schoten heeft gelost, krabbelt uiterst links een Rus weer op. Titho's schot heeft het 'doel' gemist. Hij is te nerveus en mag terugkeren naar de vrachtwagens. Een van de anderen schiet de Rus alsnog door zijn hoofd.
De 77 overgebleven Sovjetrussen zijn niet meer. Het hele gebeuren heeft zo'n twee uur in beslag genomen. Rond half negen is iedereen weer terug in het kamp, waar een akelige stilte heerst. De andere gevangenen moeten zoals elke dag op het appèl verschijnen, alsof er niets is gebeurd. En de SS'ers? Die maken er een feestdag van. (2001)

 

Internet

 

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section