|
Befloersde trom Noch rouwgebrom Ga romm’lende om Voor mijn gebeente; Geen klokgebom Uit hollen Dom Roep ’t wellekom In ’t grafgesteente; Geen dichte drom Volg’ stroef en stom; Festoen noch blom Van krepgefrom Om ’t lijk, vermomm’ Mijn schaamle kleente! Mijn jaartal kom Tot volle som, Mijn oog verglom; En de ouderdom Roept blind en krom Ter doodsgemeente.
Wat zoude ik thands, Beroofd der glans Van ’s hemels trans, Op de aard begeeren? Geen moed des mans, Geen spies of lans, Geen legerschans, Kan ’t sterfuur keeren. Geen spel of dans, Geen dobbelkans, Geen lauwerkrans, Of Rijkbeheeren. Een handvol zands Des grafkuilrands In ’t nietig gants, Dat de asch mag eeren: De beet des tands Dat Aarttyrans Des menschenstands Zal ’t lijk verteeren.
Doch wat ’s dit my, Die bandenvrij, In ’t uitzicht blij Dat ik belij, Op ’t noodgetij’ Mag triomfeeren? Ik juiche en strij’; Wat glippe of glij’, Hy staat me by, Die ’t af kan weeren. Geen dwinglandy, Geen razerny, Geen Helharpy Van Sofistry, Geen nood, die wy Aan Jezus zij’ Niet stout breveeren! Zijne Englenrij Verorden Hy Tot wachters om ons hoofd. Geen onheil kan ons deeren.
|