|
"Als je veel begraafplaatsen bezoekt en onderzoekt, vergeet je soms wel eens dat een begraafplaats nog altijd een plek is van verdriet en rouw. Soms lijkt het een studie-object te worden zonder al te veel emotie. Ik betrap me daar wel eens op, maar ik zal daarin niet alleen zijn. Het heeft misschien paradoxaal genoeg ook te maken met de passie voor het onderwerp. Natuurlijk ben ik wel eens geroerd op een begraafplaats, door een tekst of door een verhaal achter een grafmonument of bij kindergraven. Maar op één plek in het bijzonder loop ik rond met een brok in mijn keel en worden mijn ogen soms wat vochtig. Het heeft niets te maken met heldendom of een verheerlijking van oorlog. Ik verafschuw wapens. De eerste keer dat ik op militair ereveld Grebbeberg kwam, zag ik graven van leeftijdsgenoten. Niet een paar of tientallen, maar honderden. Veel te vroeg gestorven jonge mannen. Vrienden, familie en geliefden achterlatend. Wat een ongekend verdriet lag daar verzameld op één plek. Het greep me bijzonder aan. Ik kende de oorlog van films, boeken en familieverhalen. Toen ik nog een klein jochie was, ging ik met mijn ouders tijdens de vakantie naar Margraten. De beelden zijn altijd blijven hangen, maar ik was te jong om te begrijpen wat ik zag. Maar toen ik daar op de Grebbeberg stond, als twintiger, werd het ineens een stuk tastbaarder. Nu, jaren later, is dat gevoel er nog steeds. Als ik er in de buurt ben, maak ik altijd even een stop en loop een rondje. Om te bezinnen en om stil te staan bij de vrijheid waarin ik leef. Pathetisch? Het zij zo. Kijk maar eens naar een willekeurig journaal. Mensen over de hele wereld gunnen elkaar nog steeds het licht in de ogen niet. De mens is niet hardleers, hij leert gewoon niet. Begraafplaatsen als op de Grebbeberg zijn daar het trieste bewijs van."
Dit item verscheen in de nieuwsbrief van mei 2008
|
Laatst aangepast op vrijdag 12 februari 2010 21:49
Heeft u op- of aanmerkingen over bovenstaand artikel? Uw reactie wordt op prijs gesteld. |