Assen - Een wandeling langs graven van oorlogsslachtoffers op de Zuiderbegraafplaats

Geschreven door Marten Mulder op . Gepost in Grafmonumenten

 

Langs paden van herinnering

 

Een dodenakker mag dan een oord van weemoed zijn, nooit zal hij mogen verworden tot een oord van vergetelheid. Zij, die hier hun laatste rustplaats vonden, maakten deel uit van de geschiedenis waarin wij nu staan en die zij mede vorm gaven. Wie de tijd neemt om een wandeling te maken over de slingerende paden van de Zuiderbegraafplaats zal zich niet aan de indruk kunnen onttrekken, dat ook in de dood van gelijkheid van mensen geen sprake is. De verschillen in grafmonumenten maken dat wel duidelijk, om nog maar te zwijgen van de verdwenen stenen en zerken die men ruimde, verwaarloosd als ze waren. Evenmin heelt de tijd alle wonden, hoewel dat vaak wordt beweerd. Getuigen daarvan zijn met name de graven en monumenten, die herinneren aan wie omkwamen door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Verzetsmensen, militairen en “gewone” burgers, we komen hun graven tegen verspreid over deze dodenakker of samengebracht vanuit een gedeeld verleden, zoals dat het geval is bij de officiële oorlogsgraven.

Het verzetsmonument

Verzetsgraven en monumentTien verzetsmensen vonden een laatste rustplaats aan de westelijke rand, vak III perk Fa, van de Zuiderbegraafplaats. Hun graven en de zuil met hun namen vormen een waardig oorlogsmonument. Van deze tien werden Luchien Steen (geb. 1900), Willem Gerrit van Dijk (geb. 1919) en Albert Pieter Smitshuijsen (geb. 1918) op 8 maart 1945 geëxecuteerd bij de Woeste Hoeve in de regio Apeldoorn. Deze executie was onderdeel van de represailles voor de aanslag op de Höherer SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter in de nacht van 6 op 7 maart 1945 bij de Woeste Hoeve.
Luchien Steen was aangesloten bij de LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) en gaf onderdak aan mensen van de KP (Knokploeg). Bij hem was de marconist Van Bemmel van de GDN (Geheime Dienst Nederland) ondergebracht. Op 11 januari 1945 werd hij gearresteerd en opgesloten in het Huis van Bewaring te Assen. Willem Gerrit van Dijk, die als ambtenaar op het gemeentehuis van Grijpskerk belast was met de uitgifte van persoonsbewijzen, had vele onderduikers aan valse papieren kunnen helpen. Hij moest onderduiken, toen dit was ontdekt. Bij een inval op zijn onderduikadres ten huize van Anne Marten Smallenbroek op 9 januari 1945 werd hij gearresteerd en overgebracht naar het Huis van Bewaring in Assen. Albert Pieter Smitshuijsen was opzichter bij de gasfabriek in Assen. In Assen was hij lid geworden van het verzet en had zich aangesloten bij de GDN. Als tekenaar kon hij uitstekend situatietekeningen maken voor de inlichtingendienst. Bij de inval in het huis van Smallenbroek werd ook hij gearresteerd en opgesloten in het Huis van Bewaring in Assen.
Anne Marten Smallenbroek (geb. 1919), Jacob de Ruiter (geb. 1921), Hendrik de Ruiter (geb. 1891), Hendrik Jan de Ruiter (geb. 1926) en Cornelis Broerse (geb.1915) werden op 10 april 1945 in Assen geëxecuteerd.
VerzetsmonumentAnne Marten Smallenbroek was betrokken bij verschillende illegale activiteiten, maar vooral hield hij zich bezig met die van de GDN, de inlichtingendienst van de OD (Ordedienst), en werd daar al spoedig het hoofd van. Tijdens een bijeenkomst van het illegale blad TROUW ten huize van Smallenbroek op 9 januari 1945 deden de Duitsers een inval en werd Smallenbroek met zeven anderen gearresteerd en gevangen gezet in het Huis van Bewaring in Assen.
Hendrik de Ruiter en zijn zoons Hendrik Jan en Jacob, alle drie betrokken bij de activiteiten van de LO, zijn gearresteerd en in het Huis van Bewaring te Assen opgesloten na de ontdekking in hun huis van een geheime schuilplaats met zendapparatuur en de geheim agent Van Bemmel. Schietend probeerde laatstgenoemde zich een weg naar de vrijheid te banen, maar werd daarbij zo zwaar gewond, dat hij in het Wilhelmina Ziekenhuis aan zijn verwondingen overleed.
Cornelis Broerse was actief betrokken bij de LO Assen, verspreidde Vrij Nederland en maakte deel uit van een spionagegroep. Op 20 maart 1945 werd Broerse gearresteerd en vastgezet in het Huis van Bewaring te Assen. Adolf Brader (geb.1918) verloor op 5 augustus 1944 het leven ten gevolge van een treinbeschieting bij Wijster. Brader was lid van de LO Assen. Ben Veenstra (geb. 1915) kwam op 29 december 1942 om in Amersfoort. Als sergeant vocht Veenstra mee in de eerste oorlogsdagen bij het vliegveld Valkenburg (ZH). Na de capitulatie sloot hij zich aan bij de ondergrondse. Veenstra hield zich bezig met het verzamelen van militaire inlichtingen en het doorseinen daarvan naar Engeland. Door infiltratie slaagden de Duitsers erin te achterhalen wie zich met deze activiteiten bezighielden en konden een flink aantal mensen worden opgepakt. Veenstra is op 31 maart 1942 in Bussum gearresteerd en via het “Oranjehotel” in Scheveningen overgebracht naar Kamp Amersfoort. Op 13 november 1942 werd Veenstra met een aantal lotgenoten naar het Huis van Bewaring te Utrecht gebracht, waar van 16-29 november het “Feldkriegsgericht” werd gehouden en zij ter dood werden veroordeeld wegens spionage en woordbreuk als militair. Wat het laatste betreft: de militair zou zich na capitulatie dienen te onthouden van oorlogshandelingen.
Op de Leusderheide werd Veenstra met twaalf anderen geëxecuteerd. Aan de vermelding van hun namen op de zuil werd toegevoegd:

Hiermede gedenken wij
tevens onze andere
gevallenen

 

Eregraven Royal Air Force

Graven Britse vliegersOp 20 oktober 1943 stortte de Lancaster Mk III JB 154 neer bij Assen. De zeven omgekomen bemanningsleden werden begraven op de Zuiderbegraafplaats. Hun graven bevinden zich naast het verzetsmonument. Een zwerfkei met daarop een propellerblad herinnert als monument aan het neerstorten van de Lancaster en bevindt zich op de plek van dat gebeuren bij “Het gat van Dries” aan de Diepstroeten in Assen.

LancastermonumentGevallen voor het Vaderland – officiële grafmonumenten

In vak I op het zuidwestelijk perk herkennen we de witte officiële oorlogsgraven van zes mannen, die, te werk gesteld in Duitsland, daar omkwamen. Sommigen kwamen om door of ten gevolge van bombardementen op of nabij de plek van hun dwangarbeid, anderen onder de meest mens onterende omstandigheden in de verschillende kampen. Vaak kunnen we alleen maar gissen naar die omstandigheden.
Andries Hup (geb. 1919) verbleef in het kader van de Arbeitseinsatz als dwangarbeider in Duitsland. Is hij ingekwartierd geweest in de buurt van zijn tewerkstelling of heeft hij in het beruchte kamp Nordmark gezeten, we weten het niet. In juni 1944 had de Gestapo dat Arbeitserziehungslager (AEL) Nordmark bij Kiel opgezet. Evenals in de andere kampen was ook hier de situatie erbarmelijk. Het hoofd van de RSHA (Reichssicherheitshauptambt) Ernst Kaltenbrunner schreef in 1944: “de arbeids- en levensomstandigheden zijn over het algemeen zwaarder dan in de concentratiekampen.” Nordmark was in gebruik tot het eind van de oorlog. Andries Hup is op 4 april 1945 omgekomen in Kiel.
GevallenenGerrit Reurink (geb. 1924) werd als bakkersbediende te werk gesteld en ingekwartierd bij Bakkerij Breiding in Hersfeld. Op 7 februari 1943 is Reurink daar omgekomen. Rudolf Zoer (geb. 1915) overleed op 5 augustus 1944 in een ziekenhuis te Wolfsburg, mogelijk aan verwondingen, die hij eerder bij een bombardement had opgelopen. Frederik Niemann (geb. 1916) werkte tot de zomer 1943 als dwangarbeider in Duitsland, maar besloot na een kort verlof in Nederland zich te onttrekken aan de tewerkstelling en ging niet terug naar zijn werkplek in Duitsland. Op 4 oktober 1943 werd hij door de Duitsers opgepakt en vanwege zijn aanhoudende weigering terug te keren naar zijn werkplek overgebracht naar een gevangenis in Berlijn. Daar overleed hij op 26 december 1944. Albert Bijholt (geb. 1918) stierf op 30 december 1944. We kunnen dit opmaken uit de lijst “Verstorbener” van het ArbeitsErziehungslager (AEL) Zöschen (Sachsen-Anhalt). Dat kamp was een buitenkamp van het concentratiekamp Buchenwald en moet gerekend worden tot één van de slechtsten in zijn soort.
Tjeerd Mulder (geb. 1919) kwam om te Obhausen op 16 november 1944. Mulder’s naam treffen we aan op lijst “Verstorbener ArbeitsErziehungsLager Schafstädt”. Dit AEL, een verlaten schaapskooi zonder enige voorziening aan drinkwater en sanitair, was gelegen in de gemeente Obhausen (Sachsen-Anhalt) aan de rand van een vliegveld. Door de meest erbarmelijke omstandigheden waaronder men moest leven, was de dood een dagelijkse gast.

Gevallen voor het Vaderland - familiegraven

Graf Jan DriegenIn vak I op het noordoostelijk perk treffen we de graven aan van Henrik Bennink, Jan Driegen en Johannes Stüvel
Hendrik Bennink (geb. 1921) was leerling-machinist/varensgezel. Als lid van het verzet opereerde hij onder de schuilnaam Zwarte Henk en maakte deel uit van de KP-Sappemeer. Begin februari 1945 was hij zwaar gewond geraakt en in de nacht van 7 op 8 april werd hij van zijn ziekbed gehaald en met tien anderen op 8 april 1945 geëxecuteerd te Norg. Jan Driegen (geb. 1898) was Hoofd Invoerrechten en Accijnzen. Als lid van het verzet was hij plaatselijk commandant van de Ordedienst en maakte deel uit van de Binnenlandse Strijdkrachten. Op 20 februari 1945 is hij opgepakt en samen met negen andere OD-ers bij het onderduikershol in het Evertsbos bij Anloo gefusilleerdJohannes Stüvel (geb. 1907) was steenhouwer in Assen en kwam om op 13 mei 1944 te Osnabrück ten gevolge van een geallieerde luchtaanval. Voor deze luchtaanval was men gaan schuilen in de kelder van de fabriek, waar ook Stüvel te werk was gesteld. Mogelijk betrof dit de staal- en ijzerindustrie van de Glöckner-Werke.

Graf Johannes Stüvel.In vak II op perk D1 bevindt zich het graf van Jans Laferte (geb. 1913). Laferte verbleef als dwangarbeider in het Gemeinschaftslager in Emden. Emden was één van de havenplaatsen, die in de periode mei en juni 1941 door de geallieerden werden gebombardeerd om zo transporten per schip lam te leggen. In de nacht van 24 op 25 juni tegen 02.00 uur werd Emden aangevallen door een groep Wellington bommenwerpers. Bij dat bombardement kwam Laferte om.
In vak II op perk D2 bevindt zich het graf van Lammert Stoffers (geb. 1905).Stoffers was landbouwer en lid van het verzet. Hij overleed op 8 september 1941.

Gevallen militairen in familiegraven

In vak II de perken D1 en D2 bevinden zich graven van een aantal militairen die sneuvelden tijdens de eerste gevechtshandelingen in mei 1940.
 Dpl.sld.Johannes van Houten (geb. 1914) overleed op 14 mei 1940 in de Ursulakliniek te Wassenaar na zwaar gewond te zijn geraakt te Wassenaarseslag. Sgt.maj. Bauke de Jong (geb. 1894) viel op 11 mei 1940 te Makkum, gelegen in de Wonsstelling. De Wonsstelling was de linie vóór de Stelling Kornwerderzand en moest zorgen voor het openhouden van de toegang naar de Afsluitdijk. De dood van Sgt.maj. Bauke de Jong is een dramatisch gebeuren geweest. Hij vertrouwde niemand en zag in iedereen een vijand. De spanningen en de vermoeidheid waren hem teveel geworden. Dit werd weliswaar ingezien door een meerdere, kapitein C. Mars, die hem onderhield naar aanleiding van klachten over onnodig “vuur afgeven”, maar helaas kon niet worden voorkomen, dat een burger en een militair, soldaat T.Boomsma, door hem werden getroffen. Ze hebben het wel overleefd. Ook richtte hij nog op een andere militair, de luitenant Manders. De opdracht hem buiten gevecht te stellen leek in die situatie de enige mogelijkheid om verder bloedvergieten te voorkomen. Sgt.maj. Bauke de Jong werd uiteindelijk dodelijk getroffen.
Ongetwijfeld zal een telefoontje dat zou zijn binnengekomen tot zijn verward gedrag hebben bijgedragen, met het bericht dat Assen, waar zijn gezin woonde, was platgeschoten.
StellingwerfSgt. Berend Pieter Lunshof (geb. 1917) van de Staf van het IIIe Lgerkorps sneuvelde op 13 mei 1940 te Culemborg. Waarschijnlijk is hij slachtoffer geworden van een luchtaanval bij gevechten om de brug van Culemborg. Sgt.Cap. Jan Muskee (geb. 1916) raakte op 11 mei 1940 gewond te Wassenaarseslag en overleed op 25 augustus 1940 in de Ursulakliniek te Wassenaar. Als één van de weinigen had hij wachtposten uitgezet, zodat het bataljon direct vuur kon geven, toen ze door de Duitsers waren omsingeld. Bij dit gevecht raakte hij zwaar gewond. Sgt.Cap. Cipke Stellingwerf (geb. 1916) sneuvelde op 11 mei 1940 in de strijd te Wassenaarseslag. Muskee en Stellingwerf waren beiden sergeant-capitulant. Een sergeant-capitulant was een onderofficier die, hoewel de tijd van de dienstplicht erop zat, vrijwillig in dienst bleef. Voor sommigen betekende dat immers een mogelijkheid werk te hebben in een tijd van grote werkeloosheid. Naast het graf van Stellingwerf bevindt zich het graf van de Dpl.Wmr van het Korps Rijdende Artillerie Willem Jansen (1909). Hij overleed op 6 juni 1940 te Eindhoven aan de verwondingen, die hij had opgelopen tijdens de oorlogshandelingen in de buurt van de Dungense brug over de Zuid-Willemsvaart onder de gemeente Berlicum op zaterdag 11 mei 1940. Zijn graf was aanvankelijk één van de graven in de Ererij van oorlogsgraven op de Rooms-katholieke begraafplaats van Elst. Uiteindelijk werd besloten tot een herbegrafenis in een familiegraf op de Zuiderbegraafplaats te Assen, waar hij met echtgenote en dochtertje had gewoond.

Omgekomen bij bombardementen

Slachtoffers EsstraatIn de vroege ochtend van 3 januari 1941 vond er op Assen een luchtaanval plaats. De bemanning van het Engelse vliegtuig heeft waarschijnlijk in de veronderstelling verkeerd boven Duitsland te vliegen en liet twee brisantbommen vallen, waarvan er één ontplofte. De ravage in de Eschstraat, waar de bom neerkwam, was enorm. Erger was het onnoemelijk leed dat families trof. Er waren zeven doden te betreuren, terwijl er één zwaargewonde viel. Brandbommen, die eveneens neerkwamen, richtten grote schade aan in de wijde omgeving. Van toen omgekomen Assenaren treffen we graven aan in vak III op perk B, zoals die van:
Roelfien Roodhardt-Kuik, 56 jaar
Grietje Kuiper-Rosing, 49 jaar
Jan Willem Kuiper, sgt. Infanterie, 25 jaar
Rijna Annechiena Kuiper, typiste, 23 jaar
Annechiena Hendrika Jansiena Kuiper, kantoorbediende, 17 jaar
Harm Dijk, sgt. Infanterie, 24 jaar en verloofde van Rijna

Op hetzelfde perk zijn Tjitske Hagen, 20 jaar oud en Willem Tent, 14 jaar oud, begraven. Tjitske was een dienstmeisje, dat bezig was de ramen te lappen en Willem een middelbare scholier, die stond te kijken. Hun dood was het gevolg van één van de beschietingen die bedoeld waren om treinen te raken. Wonen in de omgeving van het spoor was daarom niet veilig. Uiteraard had de NSB in hun orgaan over dit gebeuren een eigen visie en sprak van een “laffen Britschen aanval” en van “het onverantwoordelijk optreden der Britsche piloten”.

Een Joods oorlogsslachtoffertje

DonnyNiet op de Joodse begraafplaats, maar op de Zuiderbegraafplaats treffen we in vak III op perk A het graf aan van het Joodse jongetje Donald Lazlo Tibor Grünsfeld, zoon van Alfred Grünsfeld en Helena Adriana Berkelouw.
Afkomstig uit Den Haag en gedeporteerd naar kamp Westerbork overleed Donny daar op 26 november 1942, nog geen jaar oud. De ouders zelf hebben hun deportatie naar het concentratie-kamp Buchenwald overleefd.

Een bombardement in Amsterdam

Het is zondagmiddag 26 november 1944 als enkele tientallen Typhoons van de RAF een aanval doen op de gebouwen van de Nederlandse afdeling van de Sicherheitsdienst in de Amsterdamse Euterpestraat. De aanval wordt uitgevoerd op een zondag, omdat er dan waarschijnlijk geen gevangenen aanwezig zullen zijn en de scholen in de naaste omgeving leeg. Een voltreffer en paniek alom.
Lages en zijn SD-companen weigeren een aantal gevangenen, die nog wel in de kelder zaten uit het puin te bevrijden. Tenslotte zijn toch maar de gevangenen uit het puin naar boven gehaald. Drie gevangenen kunnen daarbij in de ontstane verwarring ontsnappen. Slechts enkele SD-ers vinden de dood. Het PAROOL van 28 november 1944 schrijft: "De razzia-generaal Jodl,die zich tijdens het bombardement in de buurt bevond, bleef ongedeerd."
Grafmonument Mr. Suringar en twee van zijn zoonsNiet alleen de gebouwen van de SD werden getroffen, ook tientallen woonhuizen kwamen in puin te liggen. Van de burgerbevolking verloren 56 mensen het leven. Onder de dodelijke slachtoffers bevonden zich ook Mr. G.C.B.E. Suringar (geb. 1887) en twee van zijn zoons. Mr. G.C.B.E. Suringar was toen als rechter verbonden aan de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam. In een brief aan zijn zoon Alfred de Booy, de latere vice-admiraal, schreef vader de Booy op 26 november 1944 met betrekking tot het bombardement op de Euterpestraat onder andere: “Mevrouw Suringar verloor haar man en twee zoons, blijft nu achter met één zoon en een verwoest huis.” Deze brieven konden niet worden verstuurd vanwege de oorlog, maar werden door hem gebundeld om ze na de oorlog te kunnen overhandigen aan de zoon. Als marineofficier opereerde Alfred de Booy tijdens de oorlog met name vanuit Engeland en was briefwisseling nagenoeg onmogelijk.
De graven van de Suringars bevinden zich in vak I op het noordoostelijk perk van de Zuiderbegraafplaats.

Slachtoffers van de oorlog, maar geen oorlogsslachtoffers?

Henk AndringaHenk Andringa (geb. 1919) was in opleiding bij de Nederlandse Spoorwegen. Op de dag van de bevrijding van Assen op 13 april 1945 was hij met leden van de Binnenlandse Strijdkrachten op zoek naar een NSB-er, die men overigens niet vond. Het zou kunnen zijn dat men op zeker ogenblik Andringa, die vanuit een kamer op de bovenverdieping van een huis aan de Julianastraat rond speurde naar de gezochte, heeft aangezien voor die gezochte en het vuur heeft geopend. Een slagaderlijke bloeding maakte op die 13e april een einde aan zijn jonge leven. Erkenning als oorlogsslachtoffer is hem niet ten deel gevallen.

Geert Trip (geb. 1914) was als machinist werkzaam bij de Nederlandse Spoorwegen. Op 6 oktober 1944 maakte bij Waterhuizen (Gr) een beschieting door geallieerde vliegtuigen van de trein waarop hij reed, een einde aan zijn leven met alle emotionele en materiële ellende van dien voor de nabestaanden, met name zijn jonge vrouw, drie jonge kinderen en één op komst. 
De goederentrein van Groningen naar Nieuweschans zou de laatste trein zijn vóór hij zou onderduiken. Pensioen van de Spoorwegen zat er vanwege te weinig dienstjaren niet in. De Stichting 1940-1945 oordeelde: “wijlen Geert Trip was wel politiek betrouwbaar, maar heeft niet door daad en houding tot verzet bijgedragen. Hij is vrijwillig of gedwongen aan het werk gegaan na enkele dagen te hebben gestaakt. Hij heeft voldoende tijd gehad opnieuw aan het bevel der wettige regering te Londen te voldoen om het werk te staken.” Het gevolg: geen buitengewoon pensioen als oorlogsslachtoffer. Een volgende poging tot erkenning werd afgewezen op grond van het getroffen zijn door geallieerd vuur en niet door vuur van de vijand. Eerst in 1984 werd aan de weduwe een uitkering toegekend als burgeroorlogsslachtoffer 1940-1945 door het Burger Pensioenfonds.
Niet ieder heeft in die benauwde tijd de mogelijkheid of de moed gehad, gezien de enorme consequenties, zich daadwerkelijk te verzetten tegen de toenmalige vijand.
De graven van Andringa en Trip bevinden zich in Vak III perk D

 

Bronnen:

 

  • Gewapend verzet en bloedige wraak, deel 3: Represailles in Groningen 1940-1945
  • Asser Historisch Archief– Themanummer: De lijst van Braaksma; nummer 1/ maart 2010
  • Asser Historisch Tijdschrift nummer 1/ maart 2000
  • Hans van der Wiel, Assen ‘40-’45: Oorlog en bevrijding (1995)
  • “HET PAROOL” , nr 79 - Dinsdag, 28 november 1944
  • Hoop doet leven, brief aan Alfred de Booy van zijn vader – 26 november 1944
  • Dr. J. Ridderbos, Asser Oorlogsslachtoffers 1940-1945; (versie 2 februari 2012)
  • Hans Sprakel en Anke Sprakel, ‘Blitzkrieg’ halte Kornwerderzand; Bedum (2006)
  • Martin Pabst, Der Tod ist ein Täglicher Gast; Galgenbergsche Literaturkanzlei e. K. (2007)
  • De noodlottige reis van machinist Geert Trip in: Dagblad van het Noorden 30 april 2005
  • Jacob Topper, De Wonsstelling, wanhoopslinie voor Kornwerderzand; (2010)

 

Website:

 

 

 

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section