|
Acanthus: plant (ook bereklauw genoemd) waarvan de bladeren gebruikt zijn als voorbeeld voor ornament in de bouwkunst van de oudheid. De acanthus heeft zijn funeraire symboolwaarde vooral te danken aan zijn stekelige bladeren. Op het einde van de 5de eeuw voor Christus zou de Griekse beeldhouwer Kallimachos een kapiteel gekapt hebben naar een bosje acanthusbladeren op het graf van een jong meisje. Het Korinthisch kapiteel hoorde daarom aanvankelijk voornamelijk thuis in de funeraire architectuur. De overledene had de beproevingen van leven en dood, gesymboliseerd door de stekelige bladeren, glansrijk overwonnen. Het acanthusblad is meteen ook een afdoende bezwering voor de Bijbelse vervloeking: 'doornen en distelen zal de aardbodem voortbrengen' (Genesis, 3.18).
Aronskelk: de gevlekte aronskelk, die zijn bloem omhoog naar de hemel richt, was in de Middeleeuwen een symbool van Maria. Vermoedelijk wegens zijn naam die aan de Bijbelse Aäron doet denken. De tante van Maria, Elisabeth, stamde uit het geslacht Aäron. De bloem werd ook als 'lelieachtig ten hemel wijzend' aangeduid. Vaak is de bloem verwerkt in guirlandes.
Bloem of geknakte bloem: De bloem staat voor de ziel. Bloemen openen hun hart naar het zonlicht, zoals ook een mens zijn ziel opent voor God.
Neutraal gezien symboliseren bloemen levenskracht en levensvreugde, het einde van de winter en de zege over de dood. In de christelijke symboliek is de naar boven geopende bloemkelk een verwijzing naar het ontvangen van Gods gaven, van de vreugde over de natuur in het paradijs, maar ook van de vergankelijkheid van alle aardse schoonheid die pas in de tuin des hemels duurzaam kan zijn. Het oude gebruik om graven in tuinen aan te leggen of ze met bloemen te beplanten houdt daarmee verband. Bloemen symboliseren zowel levensvreugde als vergankelijkheid. Zo leest men in de bijbel: 'Want de mens - als gras zijn zijn dagen, hij bloeit als de bloem op het veld; gaat de wind erover - verdwenen, en de plek heeft geen weet meer van hem'. (Psalm 103, 15-16).
Boom: In de christelijke iconografie is de boom symbool voor het door God gewilde leven, en zijn doorlopen van de jaarlijkse cyclus wijst op leven, dood en verrijzenis, de onvruchtbare of afgestorven boom daarentegen op de zondaar. Uit het hout van de 'boom der kennis' in het paradijs zou later het kruis van Christus zijn getimmerd, dat voor de gelovigen voortaan tot 'boom des levens' werd. De levensboom op een grafmonument symboliseert het beëindigende leven. Soms omgehakt, inclusief bijl, verwijzend naar het te jong afgebroken leven.
Doornenkroon (-krans): Symbool van Christus, die de mensheid verlost door zijn lijden en sterven. Na zijn berechting werd Christus weggeleid om te worden gekruisigd. Volgens Marcus: 'Ze hingen Hem een purperen kleed om, vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op. Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen: "Gegroet, koning der Joden".' (Marcus 15, 17-18).
Druivenrank of -tros: Als bloedsymbool is de druif het teken van leven en dood. De druivenrank of -tros, vooral in combinatie met korenaren, verwijst naar de eucharistie of het Avondmaal en daarmee naar de offerdood van Christus. De druiventros staat ook symbool voor de vruchtbaarheid: 'Uw vrouw als een vruchtbare wijnstok in het binnenvertrek van uw huis.' (Psalm 126, 3).
Eikenblad of -tak of eikels: Hier zijn verschillende betekenissen aan toe te kennen. Eikenhout werd als onverwoestbaar beschouwd en was daarom symbool van de onvergankelijkheid. In de oudheid werd een lauwerkrans van eikenbladeren gegeven aan overwinnaars ten teken van onvergankelijk eer.
Guirlandes: In de oudheid werden vaak tempels versierd met slingers van bloemen, bladeren en vruchten: zogenaamde guirlandes. Het waren offergaven en elk van de gebruikte bloemen en vruchten had zijn eigen specifieke betekenis.
Hulst: Zijn wintergroene bladeren en rode bessen verwijzen naar het eeuwig leven en de vooruitziendheid. Voor de christenen suggereren de stekelige bladeren het lijden van Christus en verwijzen zij naar de doornenkroon.
Klaproos: Rond 4 en 5 mei worden op oorlogsbegraafplaatsen met slachtoffers afkomstig uit de Britse Gemenebestlanden, de doden herdacht met rode klaprozen. Omdat klaprozen snel verwelken zijn ze gemaakt van kunststof. Het gebruik hiervan is terug te voeren tot de Eerste Wereldoorlog, waar de bloedrode klaprozen groeiden op de gebombardeerde slagvelden en de eindeloze hoeveelheid vers gedolven graven. In de Gemenebestlanden worden de klaprozen (poppies in het Engels) gedragen in de periode voor 11 november, Remembrance Day. In Zuid-Afrika heet de dag van herdenking van de Eerste Wereldoorlog zelfs Poppy Day. Op Remembrance Day worden traditioneel kransen gelegd welke volledig zijn samengesteld uit klaprozen.
In 1915 schreef de Canadese kolonel McCrae een later beroemd gedicht over de velden vol klaprozen, getiteld 'In Flanders Fields'. De beginregels luiden: In Flanders fields the poppies blow / Between the crosses, row on row / That mark our place (vrij vertaald: In de Vlaamse velden bloeien de klaprozen / Tussen de kruizen, rij na rij / Onze plekken markerend). In 1918 overleed McCrae zelf aan de gevolgen van een longontsteking en een hersenvliesontsteking.
Aan de klaproos zelf wordt nog een symbolische waarde toegekend. De kleur rood verwijst naar het bloed van de doden, de zwarte kern naar dood en rouw. In het hart van de bloem is tenslotte een kruisvorm te herkennen, gezien als het christelijk symbool voor lijden. De klaproos is het symbool geworden voor het ondraaglijke lijden van alle slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, maar is na de Tweede Wereldoorlog symbool geworden van alle doden.
Klaverblad: Symbool van de Heilige Drie-eenheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Doordat klaver vroeger werd gebruikt als grafbeplanting - wellicht een verwijzing naar het nieuwe leven na de opstanding - kon het klaverblad ook symbool van afscheid worden, vaak in combinatie met rozen (symbool van liefde) en viooltjes (met de violette boetekleur).
Klimop: De winter staat bekend als het seizoen van de dood en is de tijdelijke rustperiode van de natuur. Op begraafplaatsen is het dan de periode dat de kleur groen van de coniferen en de overige wintergroene beplanting opvalt. Vaak wordt de structuur van een begraafplaats bepaald door deze beplanting. Groene hagen omkaderen de kamers en kleinere hagen omkaderen de graven. En soms zijn de grafmonumenten volledig onzichtbaar zowel in de zomer als in de winter door de klimop (Hedera helix). Deze kruipende of klimmende heester met de donkergroen glanzende bladeren, is soms ongewenst en soms juist gewenst omdat het bijdraagt aan de patina van een begraafplaats. Een andere volksnaam van de klimop is lijkblaren, maar waar dat vandaan komt? Al in de oudheid was de klimop als groenblijvende plant het zinnebeeld van het eeuwige leven. Maar ook van trouw, gehechtheid, vaderlandsliefde en volharding van het verlangen. Dit doordat de plant zicht strak en stevig hecht aan een muur, boom of grafmonument. En later in de vroeg christelijke tijd werden op sarcofagen en catacomben klimopbladeren afgebeeld als symbool voor de eeuwige verbondenheid en het eeuwig leven. Al was het lichaam dan wel dood, die ziel leefde verder voort. Een vrome spreuk van Hohberg (1675) luidt: 'De klimop windt zich hoog om een eik, geen onstuimige wind kan hem losrukken. Als iemand Gods bijstand geniet, dan komt hij spoedig omhoog; geen ongeluk kan hem deren.'
Korenaren: Met koren wordt over het algemeen het graan bedoeld dat voor voedsel wordt verbouwd, meestal tarwe, rogge of gerst. Met de halm van het graan wordt de korenaar, met de bloeiwijze aren, aangeduid. Al in een ver verleden was koren een symbool van de hoop op een leven na de dood. Men geloofde dat men na de dood ongeveer dezelfde behoeften bleef hebben als ervoor. In de Egyptische koningsgraven werd een klein bakje met graan ingezaaid en meegegeven aan de doden. Het tijdstip van het zaaien werd zo precies uitgekozen, dat tijdens de begrafenis het graan pas ontkiemde. Het graanbakje bleef na het afsluiten van het graf in de tombe staan, maar stierf uiteindelijk door gebrek aan licht. In de lage landen werd als oud gebruik bij een sterfgeval een bos stro in de vorm van een kruisvorm voor een sterfhuis geplaatst. Op deze manier konden mensen die langs het huis liepen, zien dat er iemand was overleden en konden ze bidden voor zijn zielenheil. Hieruit volgde dan ook dat het stro als zinnebeeld van de "dood" is geworden. Maar in de christelijke symboliek diende het brood, met als belangrijke grondstof graan, ook als geestelijk voedsel. ' En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.' (Johannes 6:35). Christus wordt gezien als het levende brood. En de aar wordt in de bijbel dan ook gezien als het symbool van Christus. 'Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.' (Johannes 6:51). Maar in de bijbel wordt koren ook gezien als het symbool van groei, dood en verrijzenis of wederopstanding. 'Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort. (Johannes 12:24). Al met al wordt de korenaar in allerlei gebruiken gezien als belangrijk voorbeeld van de overwinning op de dood en boezemt het hoop in.
Lauwerkrans: Een lauwerkrans van laurierbladeren is door de groene bladeren een symbool van eeuwig leven, eeuwige vriendschap, overwinning, roem en eerbetoon. De oudste betekenis van laurier is die van reinheid (Apollo). Een schedel met een lauwerkrans symboliseert de heerschappij van de dood over de levenden (zie ook eikenblad).
Lelie: Symbool van zuiverheid en reinheid. vooral verbonden met Maria en maagdelijke heiligen. De aartsengel Gabriël, die de geboorte van Jezus aankondigde aan Maria, wordt meestal afgebeeld met een lelie. Als funerair symbool treft men de witte lelie aan - soms geknakt - op kindergraven of graven van jonge meisjes. In de volkssymboliek is de lelie ook symbool van de 'bleke' dood. Daarnaast is de lelie ook symbool van christelijke barmhartigheid.
Lelietje van Dalen: Symbool van Christus als brenger van het heil en het evangelie.
Olijftak: De olijfboom is symbool van gerechtigheid, vrede en vroomheid en Gods zorg voor Zijn kinderen. De joods-christelijke traditie wil dat een duif het einde van de zondvloed aankondigde met een olijftak in de bek. (Genesis 8,11). Sindsdien zijn de duif en de olijftak vredessymbolen. In de 18de eeuw was het gebruikelijk olijftakken samen met palmtakken te verwerken in rouwkransen ten teken van vrede en roem.
Palmboom: De joods-christelijke symboliek van de palm gaat terug op Psalm 92, vers 13: 'De rechtvaardige zal groeien als een palmboom'. De palmboom, soms alleen afgebeeld als een stam, is symbolisch voor het paradijs.
Palmtak: Als attribuut van de godin van de overwinning, Victoria, symboliseert de palmtak de overwinning op de dood. In de oudheid werd de palmtak geschonken aan atleten als teken van overwinning. De christenen namen het over als teken voor hen die gestorven waren, in het bijzonder de martelaren. In de christelijke kunst was de palmtak symbool van de overwinning op de dood door en in Christus. In de katholieke liturgie verwijst de palmtak naar de intocht van Jezus in Jeruzalem. Een duif met een palmtak verwijst naar vrede. De palmboom en de palmtak verwijzen in het algemeen naar vrede en overwinning.
Papaver: Papaver is het symbool van Hypnos, de god van de slaap, en van zijn zoon Morpheus, de god van de dromen. Hypnos is de tweelingbroer van Thanatos, de god van de dood.
Passiebloem: De drie stempels symboliseren de kruisnagel, de driekleurige krans rondom het bestuivingsorgaan symboliseert de doornenkroon en het gesteelde vruchtbeginsel is het symbool van de kelk des Heren.
Pijnappel: Symbool van onsterfelijkheid.
Roos: Een bloem die in het bijzonder verbonden is met Maria, die de 'roos zonder doornen' wordt genoemd omdat zij vrij is van de erfzonde. Een vroege, door Sint Ambrosius vermelde legende vertelt dat de rozen tot de Zondeval geen doornen hadden. In de christelijke symboliek staat de enkelvoudige roos met haar vijf bloemblaadjes voor de kelk die het bloed van Christus opvangt en voor diens vijf wonden. De rode roos symboliseert de martelaardood (het bloed van de martelaar), een witte roos de reinheid. In de huidige betekenis verwijst de roos naar liefde en vergankelijkheid.
Taxus: Net als de laurier en de klimop blijft de taxus altijd groen en is symbool van de onvergankelijkheid, rouw en dood. Bij de Kelten was het de boom van de dood, omwille van zijn giftige naalden en vruchtpitten. Traditioneel werden taxustakjes meegedragen bij begrafenissen en werden zij rond het graf in de grond gestoken, waarbij zij als stek opschoten. In de Griekse mythologie is de taxus een boom van de onderwereld.
Treurwilg: Symbool van rouw en verdriet. De hangende takken symboliseren de tranenstroom die in de aarde verdwijnt. Voor de Germanen was de wilg het symbool van de dood.
Zonnebloem: De zonnebloem staat voor een niet-aflatende toewijding. Deze betekenis is ontleend aan de Griekse mythe, waarin Clytia verliefd wordt op de zonnegod Apollo, die alleen oog heeft voor haar zuster Leucothea. Clytia's jaloezie veroorzaakte de dood van haar zuster. Zelf kwijnde zij langzaam weg nadat de god haar bleef afwijzen. Ze veranderde in de bloem die altijd het gezicht naar de zon wendt. Dit motief komt met name in de jaren twintig op grafstenen voor.
|