Rampen

Prof. Dr. E. J. Thomassen à Thuessink en de Groninger ziekte van 1826

 

Sinds eeuwen hebben epidemieën de mensheid geteisterd. Sinds eeuwen is er ook gezocht naar oorzaken én naar middelen om de strijd aan te gaan. In 1826 brak er in Groningen een ziekte uit die epidemische vormen aannam en vele dodelijke slachtoffers maakte. In de stad Groningen stierf bijna 10 procent van de bevolking. Ook delen van de provincie werden zwaar getroffen. De toenmalige gemeente Kantens en de gemeente Appingedam telden vele slachtoffers. Ook buiten Groningen eiste de ziekte slachtoffers, onder andere in het Friese Wirdum en Sneek, in het Noord-Hollandse Hoorn en in Overijssel.

‘Anderendaagse koorts’

De ziekte kreeg de naam Groninger ziekte, al noemde men het ook wel 'anderendaagse koorts' of 'tussenpozende koorts'. De koortsaanvallen bij deze ziekte herhaalden zich namelijk om de dag, namen in hevigheid toe en leidden uiteindelijk tot overlijden. Sommigen meenden dat malariamuggen de oorzaak zouden zijn. In de winter van 1825 waren er nogal wat dijkdoorbraken geweest, waardoor veel landerijen onder water kwamen te staan. Het daaropvolgende warme voorjaar, de warme zomer en de milde winter veroorzaakten dat veel planten en gewassen begonnen te rotten en ideale omstandigheden opleverden voor de verspreiding van parasietdragende muggensoorten. Anderen zagen als oorzaak verontreiniging van het oppervlaktewater. Huis aan huis werden de tonnen met fecaliën opgehaald, die dan uitlekten op de zogenaamde drekstoep. Door lekkage werd uiteindelijk het schone grachtenwater verontreinigd. Dat water werd gebruikt voor allerlei doeleinden, ook als drinkwater. De gevolgen laten zich raden.

Hoogleraren

Het was niet voor niets dat de hoogleraren Thomassen à Thuessink en Bakker gebrek aan schoon drinkwater en armoede als oorzaken zagen van de epidemie van 1826. De snelle uitbreiding van de ziekte werd ook nog eens bevorderd door een gebrek aan voldoende artsen. Thomassen à Thuessink pleitte daarom ook voor buurtpompen in de armere buurten. Thomassen à Thuessink achtte het getuigen van een wijs bestuur wanneer handelsbelangen opzij werden gezet en de keuze werd gemaakt voor strenge isolatie van patiënten. En hoe actueel is het?!

De grote aantallen sterfgevallen en het besmettingsgevaar deed het stadsbestuur van Groningen op advies van de artsen besluiten twee nieuwe begraafplaatsen aan te leggen: de Noorderbegraafplaats en de Zuiderbegraafplaats. Deze begraafplaatsen werden al in 1827 in gebruik genomen en alle nog in gebruik zijnde kerkhoven binnen de wallen werden gesloten. Ook de joodse gemeente moest een nieuwe begraafplaats in gebruik nemen. Dat werd een deel van de Noorderbegraafplaats, gelegen aan de Moesstraat.

Op 11 september 1826 liet het stadsbestuur van Groningen in het bijvoegsel van de Groninger Courant publiceren, dat in verband met de ernst van deze besmettelijke ziekte alle lijken met de derde dag ter aarde moeten worden besteld. Dus niet onbegraven laten staan tot op de vijfde dag. Er rustte een boete op van 50 gulden bij het niet voldoen aan deze maatregel. Het tekort aan artsen deed het gemeentebestuur op 22 september in het bijvoegsel van Groninger Courant een kennisgeving plaatsen, waarin artsen uit plaatsen waar de werkdruk minder groot was, werden verzocht zich “herwaarts te begeven, ten einde de alhier ter Stede van genoegzame hulp ontbloote lijders, voor zekeren tijd, tegen genot van een maandelyks honorarium van honderd guldens, met hunnen raad en hunne hulp bij te staan en alzoo mede te werken, om het deernisaardig lot van 200 velen hunner lijdende natuurgenooten te helpen verzagten”.

De epidemie stelde de medische zorg zwaar op de proef. Het Stads Armenziekenhuis, gesticht in 1820, had maar beperkte plaats en de drie stadsdoktoren konden de stroom zieken onmogelijk aan. Zalen van het militair hospitaal werden ter beschikking gesteld en het Arsenaal werd ingericht om de vele zieken te kunnen opvangen. Chirurgijns-majoor van leger en marine werden ingezet en veel vrijwilligers van elders meldden zich aan. De hoogleraren Hendriksz, Stratingh en Bakker werkten in het Arsenaal, terwijl Thomassen à Thuessink vanuit het academisch ziekenhuis werkte om de crisis het hoofd te bieden.

Carrière Thomassen à Thuessink

Portret Thomassen a Theussink (Rijksmuseum)Evert Jan Thomassen à Thuessink zag op 6 augustus 1762 het levenslicht, als zoon van de Zwolse burgemeester Mr. David Thomassen à Thuessink. Na de Latijnse school studeerde hij Geneeskunde en Wijsbegeerte aan de Geldersche Academie te Harderwijk, waar hij in 1782 promoveerde in de Wijsbegeerte. Een benoeming in hetzelfde jaar als buitengewoon hoogleraar in de Wijsbegeerte aan de Academie van Franeker, sloeg hij af. Hij vertrok naar Leiden om daar in 1785 te promoveren in de Geneeskunde. Intussen had hij ook al reizen ondernomen naar grote hospitalen in Parijs, Londen en Edinburgh en contacten gelegd met vooraanstaande medici. Met zijn verworven kennis vestigde hij zich eerst als arts in zijn geboorteplaats Zwolle, om een paar jaar later naar Den Haag te verhuizen. Naast zijn Haagse praktijk, trad hij ook op als geneesheer bij de Raad van State.

Het Groene Weeshuis in Groningen in 1858Wetenschappelijk maakte Thomassen à Thuessink naam door de verworven kennis aangaande resultaten die Engelse medici van naam hadden geboekt, voor de Nederlandse vakgenoten beschikbaar te stellen. Harderwijk bood hem een leerstoel aan, maar hij verkoos die van Groningen en hield er op 26 november 1794 zijn inaugurele rede. Hem werd het onderwijs opgedragen in de pathologie, therapie, gerechtelijke geneeskunde en de geschiedenis van de geneeskunde. Grote verdiensten verwierf hij zich door zijn waarnemingen op het gebied van ziekten die zich makkelijk tot epidemieën zouden kunnen ontwikkelen: roodvonk, mazelen, gele koorts, cholera, kinderpokken en tussenpozende koorts (1826). In 1797 leidde zijn inzet tot de oprichting van een academisch ziekenhuis in Groningen tot realisering ervan, het Nosocomium Academicum in het Groene Weeshuis in de Hofstraat. Het sprak voor zich, dat Thomassen à Thuessink naast de andere leeropdrachten tevens werd belast met het klinisch onderwijs. Al spoedig bleek het Nosocomium te klein. In 1803 opende Thomassen à Thuessink daarom een beter ingericht ziekenhuis in het West-Indisch Huis aan de Munnekeholm. Had het ziekenhuis in het Groene Weeshuis slechts acht bedden, in het nieuwe ziekenhuis werden dat er veertig.

Dat zijn zorg zich ook uitstrekte tot banale zaken als het drinken van een kop koffie, mag blijken uit een bericht in de Courier d’ Amsterdam van 16 mei 1811: Schaarsheid aan zuivere koffie noopte tot het oprichten van een kunst-koffiefabriek. In verband met de vraag of het wel veilig was die koffie te drinken werden een aantal medici geconsulteerd. Deze medici kwamen tot de slotsom, na bestudering van de ingrediënten, dat de koffie veilig gedronken kon worden. De goedkeuring door de medici professor van Geuns (Utrecht), professor Thomassen à Thuessink (Groningen) en professor Reinwardt (Amsterdam) werd gedrukt op de zakken van deze koffie.

Grafzerk op de Zuiderbegraafplaats, GroningenThomassen à Thuessink was lid van verschillende genootschappen: Natuur- en Geneeskundige Correspondentie Societeit (1782), Zeeuws genootschap der Wetenschappen (1788- 1832), Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (1788), Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte (1791) en Koninklijk Instituut eerste klasse (1817). Tweemaal was hij Rector Magnificus van de Groninger Academie: in de academiejaren 1797–1798 en 1809-1810. Om zijn verdiensten werd hij geridderd in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Op 3 juni 1832 overleed hij, slechts enkele maanden na het overlijden van zijn echtgenote Adriana Catharina de Blanche op 12 februari 1832. Beiden zijn begraven op de Zuiderbegraafplaats te Groningen.

 

Bronnen

Literatuur

  • 'Thomassen a Theussink (Evert Jan)' in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Leiden 1918
  • Nieuwsblad van het Noorden - Noorder Rondblik 1979
  • Brood, P. e.a. (hoofdred.). Nieuwe Groninger Encyclopedie, Groningen 1999.
  • Baron, W., Het belang en de welvaart van alle ingezetenen - Gezondheidszorg in de stad Groningen 1800-1870

Internet

  • Delpher.nl
  • Boomsma, Christien, 'RUG niet voor het eerst op slot' op Ukrant.nl (geraadpleegd 11 mei 2020)
  • Koops, Enne, 'De Groninger Ziekte (1826)' op Historiek (geraadpleegd 11 mei 2020)