Rampen

Katwijk aan Zee - Grafmonument slachtoffers Martin Mariner P 303 - Abadan, Perzië

 

 

In de vroege ochtend van 10 september 1958 stortte de Martin Mariner P 303 van de Marine Luchtvaartdienst neer op het vliegveld van Abadan in Perzië, het huidige Iran. Bij de ramp kwamen alle tien inzittenden om het leven. Het betrof een reparatieploeg en het vliegend personeel dat het toestel naar Nederland zou vliegen. De slachtoffers werden in eerst instantie in Abadan begraven, maar kregen uiteindelijk in 2003 een laatste rustplaats in Nederland.

Marine Luchtvaartdienst - Squadron 321

Na de Tweede Wereldoorlog woedde in Nederlands-Indië, een kolonie van Nederland, een hevige onafhankelijkheidsstrijd die uiteindelijk zou leiden tot de overdracht van de macht. Bij de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 werd de kolonie overgedragen aan Indonesië. Een uitzondering vormde Nieuw-Guinea dat vooralsnog onder Nederlands bestuur zou blijven. Het was het minst ontwikkelde deel van de oude kolonie, maar Nederland zag het behoud van dit deel van de archipel als een kans om zijn positie in de regio te consolideren. Dit overigens tot grote ergernis van Indonesië. Om de Nederlandse belangen te beschermen was de aanwezigheid van een troepenmacht een vereiste. Enkele weken eerder, op 12 december, was op het Marinevliegkamp Morokrembangan bij Surabaya het Squadron 7 in dienst gesteld, bestemd voor de Dienst in Nederlands Nieuw-Guinea. De belangrijkste taak van het squadron van de Marine Luchtvaartdienst was het verzorgen van transportvluchten, maar ook werden oefenvluchten voor de opleiding van personeel en oefeningen met schepen gehouden. Daarnaast werden er verkenningsvluchten uitgevoerd in de binnenlanden, onder andere ter voorbereiding van een wetenschappelijke expeditie naar het Sterrengebergte. Ook werden verkenningen uitgevoerd tegen vijandelijke infiltraties vanuit Indonesië en werden detachementen mariniers naar bedreigde plaatsen ingevlogen. Voor de nieuwe eenheid werden drie Catalina-vliegboten en drie Catalina-amfibievliegtuigen beschikbaar gesteld.

Martin Mariner MLD

Eind december 1949 vertrok het squadron naar het Marinevliegkamp Boeroekoe op het eiland Biak, dat voor de komende twaalf jaar haar thuisbasis zou zijn. Op 1 februari 1951 werd de naam van het squadron gewijzigd in ‘321’. Datzelfde jaar werden in de Verenigde Staten nog eens zes Catalina-amfibievliegtuigen gekocht. Vanaf maart 1956 werden de Catalina's vervangen met de bedoeling een groter detachement mariniers te kunnen vervoeren. Omdat er geen nieuwe vliegtuigen beschikbaar waren, werden van de Amerikaanse marine zeventien Martin Mariner's overgenomen, waarvan er twee gesloopt moesten worden om de overige te kunnen reviseren. Tot voor kort was de Mariner het grootste amfibische vliegtuig dat ooit gebouwd is. Het was 23,5 meter lang en had een vleugelspanwijdte van 36 meter. Enkele vliegtuigen hadden een aantal jaar in opslag gestaan in de woestijn van Arizona, de andere vliegtuigen waren afgedankte vliegtuigen van de US Navy op de Amerikaanse eilanden in de Stille Oceaan. Vanwege de ouderdom van de vliegtuigen en de staat waarin ze werden gekocht, vergden de vliegtuigen veel onderhoud. Het grote onderhoud moest plaatsvinden in Nederland.

De fatale vlucht

Op 11 juni 1958 vertrok de Mariner P 303 voor onderhoud vanuit Biak naar Nederland. Het bereik van een Mariner was zo’n 2000 zeemijl, waardoor veel tussenstops noodzakelijk waren op de lange reis. In de eerste etappeplaats, Labuan in Brits Noord-Borneo, werd een olielekkage in één van de motoren ontdekt. Nadat een tweede Mariner vanuit Biak onderdelen had gebracht, kon het vliegtuig op 18 juni zijn reis vervolgen. Op de volgende tussenstop in Singapore werden weer reparaties uitgevoerd. Die bleken ook noodzakelijk op de stops in Malakka, Ceylon en Goa (India). Toen het vliegtuig in Karachi, Pakistan, arriveerde, kon daar de noodzakelijke vervanging van onderdelen uitgevoerd worden. Op 20 juli vertrok het vliegtuig naar Abadan, waar het na twee dagen vertrok richting Athene. Wederom waren er echter problemen aan één van de motoren en men was genoodzaakt terug te keren naar Abadan. Omdat één van de motoren nauwelijks nog vermogen leverde, moest het vliegtuig op de andere motor het vliegveld zien te bereiken. Het vliegtuig strandde echter zo’n 30 meter voor de landingsbaan in het woestijnzand. Niemand raakte gewond, maar beide motoren moesten vervangen worden en deze werden op 5 augustus door twee Dakota’s van de Koninklijke Luchtmacht aangeleverd, vergezeld door een reparatieploeg. Luitenant-ter-zee Hoebink vloog met de bemanning van de P 303 met een KLM-vlucht naar Nederland en keerde twee weken later met drie nieuwe bemanningsleden terug om het toestel alsnog naar Nederland te vliegen. Op 10 september vertrok het toestel met aan boord eveneens de reparatieploeg. Kort na de start meldde Hoebink wederom een olielekkage en zag zich genoodzaakt terug te keren naar Abadan. Vlak voor de landingsbaan zwenkte het toestel plotseling naar rechts, waarbij het ternauwernood de olie-installaties naast het vliegveld wist te ontwijken en raakte de grond. Het vliegtuig vatte onmiddellijk vlam en omdat het vliegtuig was volgetankt, ontstond er een enorm inferno. De bemanning had geen enkele kans en kwam om in het vuur. Identificatie van de lichamen bleek onmogelijk.

De slachtoffers:

Luitenant ter Zee vlieger 1e klasse Th.M.A. Hoebink (* 11-6-1912)

Luitenant ter Zee 2e klasse OC J. Andreas (* 4-4-1927)

Luitenant ter Zee 2e klasse OC J.A. Wurtz (* 3-7-1920)

Sergeant vlieger P.J.M. Paardekooper (* 20-4-1930)

Korporaal vliegtuigtelegrafist J.J.F. Schrijver (* 3-5-1928)

Sergeant vliegtuigmaker G. de Charon de St. Germain (* 2-8-1925)

Sergeant vliegtuigmaker H.Q. Spiessens (* 25-3-1919)

Korporaal vliegtuigmaker K.W. Smits (* 7-3-1930)

Korporaal vliegtuigmaker J. Bosma (* 30-10-1935)

Korporaal vliegtuigmaker A. Rompies (* 29-10-1934)

De Begrafenis

Begrafenis van de bemanningDe slachtoffers werden op donderdagmiddag 11 september begraven op Palmgrove Cemetery van de Anglo-Iranian Oil Company, waar enkel buitenlanders werden begraven. De begrafenisstoet vertrok vanaf het verenigingsgebouw van het Nederlands-Iraanse Olieconsortium en aan weerszijden van de weg vormden leden van de Iraanse marine strijdkrachten en leden van de lokale politiemacht een erehaag. Aan het hoofd van de stoet liep de militaire kapel van de Iraanse marine, gevolgd door een erepeloton van de marine. Daarachter reden tien auto’s, elk met een kist bedekt met de Nederlandse vlag. Na de auto’s volgden de Nederlandse ambassadeur, geflankeerd door de gouverneurs van Abadan en Khorramshahr, de bevelhebber der Iraanse Zeestrijdkrachten in het Zuiden en de burgemeesters van Abadan en Khorramshahr. Een groot aantal diplomatieke vertegenwoordigers, leden van de plaatselijke Nederlandse gemeenschap en officieren van de Nederlandse schepen die in de haven van Khorramshahr lagen, sloten de stoet. Omdat de begrafenis plaatsvond direct volgend op de dag van het ongeluk, konden er geen nabestaanden aanwezig zijn. Op de begraafplaats werden de kisten door matrozen in een gezamenlijk graf geplaatst. Allereerst sprak de Nederlandse ambassadeur W.J.G. baron Gevers, gevolgd door kapitein-luitenant ter zee vlieger Venema, die in de ochtend uit Nederland was overgekomen. Vervolgens werd een eredienst gehouden, geleid door een Amerikaanse predikant en een Italiaanse katholieke geestelijke. Na de dienst werden de kisten aan de aarde toevertrouwd, waarna de marinekapel het Iraanse en het Nederlandse volkslied speelde. Een houten stèle met de namen werd voor het graf geplaatst. Vervolgens werden tal van kransen als laatste eerbetoon aan weerszijden van het tijdelijke grafmonument geplaatst. Initieel was een aantal namen verkeerd gespeld op het tijdelijke grafmonument, maar dit werd later verbeterd.

Het Nederlands-Iraanse Olieconsortium dat de begrafenis verzorgde, heeft via de Koninklijke Marine alle families van de slachtoffers een set met foto’s van de begrafenis toegezonden.

Onthulling van het grafmonument

Onthulling grafmonumentTwee jaar na het ongeluk werd op 10 september 1960 een grafmonument onthuld in aanwezigheid van de Nederlandse ambassadeur in Teheran, H.J. Levelt, en vlagofficier Marine-Luchtvaartdienst, commandeur-vlieger J.L. den Hollander. Het eenvoudige betonnen grafmonument was voorzien van een marmeren gedenkplaat en was een ontwerp van medewerkers van de Iraanse oliemaatschappijen. De uitvoering werd gedaan door het Nederlandse bedrijf Bredero’s Bouwbedrijf NV. Bij de onthulling waren, naast de Nederlandse afvaardiging, aanwezig de commandant van de Keizerlijke Iraanse Marine, de gouverneur van Abadan, vertegenwoordigers van de oliemaatschappijen en van de Nederlandse gemeenschap in Abadan. De stoet hoogwaardigheidsbekleders werd voorafgegaan door een detachement van de Iraanse marinekapel en matrozen die talloze kransen droegen. Na de autoriteiten en de genodigden volgde een deputatie van Iraanse marine-officieren en troepen. De Nederlandse ambassadeur hield een korte toespraak, evenals commandeur-vlieger Den Hollander. Na de onthulling van het gedenkteken en de kransleggingen werd in het Perzisch een dankwoord uitgesproken door de ambassadesecretaris. Na afloop van de plechtigheid werden tal van bloemstukken geplaatst door leden van de Nederlandse kolonie in Abadan.

Repatriëring

Al in 1974 werd een poging ondernomen om de stoffelijke resten over te brengen naar Nederland, echter zonder succes. Ook latere pogingen bleven zonder succes. Pas nadat in 2000 een nieuwe ambassadeur in Iran was aangesteld, lukte het om de stoffelijke resten op te laten graven en te herbegraven in Nederland. De begraafplaats was intussen tot een vergeten plek verworden, gelegen aan de grensrivier Shat I Ara en dichtbij de olie-installaties die tijdens de Iran-Irak oorlog in de jaren tachtig in de vuurlinie lagen. Er was op dat moment lang geen onderhoud meer uitgevoerd op de begraafplaats en met hulp van oude foto’s en de National Iranian Oil Company werd de plek getraceerd waar de tien mannen begraven lagen. Geheel overwoekerd werd het grafmonument gevonden, maar de marmeren naamplaat was verdwenen. De paaltjes die het graf markeerden, stonden er nog wel. Het zou echter tot november 2002 duren voordat uiteindelijk toestemming werd verkregen om de stoffelijke resten op te graven, mits de werkzaamheden binnen 48 uur zouden worden uitgevoerd. Dit lukte uiteindelijk en de resten werden in één kist overgebracht. Op 11 november vloog een team van de Nederlandse ambassade met de stoffelijke resten naar Teheran. Daar werd door een Iraanse militaire kapel en erewacht van de vliegveldbewaking op waardige wijze afscheid genomen. Met een vliegtuig van de KLM werden de stoffelijke resten overgebracht naar Nederland.

De herbegrafenis

Grafmonument DuinrustVoorafgaand aan de herbegrafenis op 7 februari 2003 werd in hangar 7 van het Marinevliegkamp Valkenburg een eredienst gehouden voor familie van de nabestaanden en actief en voormalig personeel van de Marineluchtvaartdienst. De dienst werd opgeluisterd door de Marinierskapel van de Koninklijke Marine en de Tamboers en Pijpers van het Korps Mariniers. Tezamen met een gewapende compagnie van de Marine Luchtvaartdienst met ingetreden vaandel vormden zij het decor bij deze uitvaartdienst. Na dominee Majoor, de hoofdvlootpredikant, sprak de vlagofficier van de Marineluchtvaartdienst, commandeur Van Dijk. Deze ging uitgebreid in op de oorzaak van de ramp en tekortkomingen van toendertijd, zoals het feit dat de slachtoffers ter plekke werden begraven en niet werden overgebracht naar Nederland. Dat was in lijn met het beleid voor slachtoffers die in het toenmalige Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea waren begraven. Pas nadat de begraafplaats, mede als gevolg van de Iran-Irak-oorlog in de jaren tachtig, zwaar was verwaarloosd, werd in 1997 besloten om in afwijking van het toen gevoerde beleid, alles in het werk te stellen om de stoffelijke resten te repatriëren.

Detail Grafmonument DuinrustNa de ceremonie op Valkenburg werd de kist met stoffelijke resten begeleid naar de gemeentelijke begraafplaats Duinrust in Katwijk, waar met tien salvo’s door het vuurpeloton afscheid werd genomen van de slachtoffers. Jaarlijks vindt er op 10 september, de dag van de ramp, een herdenkingsbijeenkomst plaats voor de bemanning van de P 303 bij het graf.

Meerdere tragedies met de Mariner’s

Het ongeluk met de Mariner P 303 stond helaas niet op zichzelf. Een jaar eerder, op 12 augustus 1957, was de Mariner P 312 verongelukt op het vliegveld van Merauke, aan de zuidkust van Nieuw-Guinea. Alle inzittenden waren daarbij om het leven gekomen. Tien maanden na de ramp in Abadan verongelukte op 11 juni 1959 de Mariner P 306 bij Goa, aan de westkust van India. Het vliegtuig was eveneens op weg naar Nederland voor onderhoud. Naar aanleiding van de laatste twee ongelukken werden de vliegtuigen voor revisie in Nederland in vervolg per schip vervoerd. Nadat op 17 december 1959 een verkenningsvlucht met de 102 (ex-P 302) verongelukte op zee en een aantal bemanningsleden verdronk, werd het toestel uit dienst genomen en tijdelijk vervangen door vier Dakota’s van de Koninklijke Luchtmacht.

Monument Kembang KuningDe zeven inzittenden van de P 312 liggen begraven op ereveld Kembang Kuning in Surabaya, Indonesië. De acht bemanningsleden van de P 306 liggen begraven op de begraafplaats van St. Andrew’s Church in Vasco Da Gama (Goa) in India. Vier van de inzittenden van de P 302 vonden een zeemansgraf. Een vijfde slachtoffer ligt begraven op ereveld Kembang Kuning. Aldaar is een groot monument voor alle gevallenen van de Marine Luchtvaartdienst opgericht.

De bemanningen van de P 303 en de P 306 worden op een plaquette herdacht op het Nationale Indië-monument in Roermond.

 

Internet