Verhalen achter grafmonumenten

Beetsterzwaag - Het graf van de jonge Indonesische arts Basoeki

 

Op het Hervormde kerkhof van Beetsterzwaag valt vooral het grote, omheinde grafvak voor de Friese adellijke familie Van Harinxma thoe Slooten op. Links daarvan, aan de rand van het kerkhof, staat een klein grafmonument dat door de toegepaste symboliek ook de aandacht trekt. Het betreft het graf van Basoeki, overleden op 11 november 1924. Een opvallende naam tussen alle Friese namen op het kerkhof met al even opvallende symboliek.

De begrafenis

Grafmonument Basoeki op het NH kerkhof in BeetsterzwaagHet grafmonument geeft naast de naam en overlijdensdatum op het eerste gezicht weinig verdere informatie. Over het leven van Basoeki is ook niet veel bekend, behalve dat we van zijn begrafenisakte weten dat hij werd geboren op Java, zijn vader arts was en hij zelf studeerde voor arts in Nederland. Wel kunnen we enige informatie afleiden uit het verslag van zijn begrafenis in het Nieuwsblad van Friesland: Hepkema’s courant van dinsdag 18 november 1924. In de krant staat zelfs een foto van de plechtigheid bij het graf.

[...] ‘t Was voor ons Friezen een ongewoon gezicht, die begrafenisstoet. De kist, bedolven onder bloemen en kransen, werd gedragen door bruine landsbroeders van den gestorvene, een 18-tal hier te land studeerende Indonesiërs, medische en juridische studenten, onder wie van vorstelijke bloede. Het waren afgevaardigden van de aan de verschillende universiteiten hier te lande studeerende Indonesiërs.

De baar werd naast het graf geplaatst, waarna een wierook-offer werd gebracht; een viertal schroeiende takjes gaven een vreemd-zoete geur.

Toen de kist in het graf was neergelaten en de bloemen waren gelegd, begon de eigenlijke Mohammedaansche plechtigheid; in alle stilte, zonder het schrille luiden der klokken.

Een gebed werd gezonden naar Allah. Hem, in wien zij gelooven als hùn God en gebieder. Vreemd-weeklagend was des sprekers smeek-roep aan Allah, vreemd voor onze ooren en oogen zijn taal en gebaren; vreemd ook het ceremonieel, waarmee alles plaats had. Maar op hen, die geschaard stonden rondom het graf van hun vriend, maakte het een zichtbaren indruk.

Door een drietal sprekers werd na het ritueele gedeelte nog gesproken in zeer goed verstaanbaar Nederlandsch. Eerst sprak de voorzitter der Indonesische Vereen., waarbij hij er op wees, dat het nationaal gevoel van de leden door het heengaan van Basoeki was aangeroerd, Basoeki was een goede, aardige jongen, een vurig idealist, iemand die geheel in zijn beroep opging. Men was het vorig jaar zoo verheugd, dat Basoeki de dunne gelederen der Indonesische Vereeniging in ons land kwam versterken. Want hij kwam hier, evenals wij alleen, zegt spr., om zich de bekwaamheid te verwerven, die wij in ons eigen land niet deelachtig kunnen worden. Het was met eenige sarcasme, dat deze spreker de absentie van hoogescholen in Indië naar voren bracht. Want het is uit liefde voor het Indische volk, dat de meeste studeerenden naar Nederland doet trekken, om later de opgedane kennis aan te wenden tot opheffing van eigen land en volk. Bij dat streven is Basoeki in het land, zoo ver van zijn geboortegrond, gevallen. Het heengaan van Basoeki wordt gevoeld als een nationaal leed. Met een “rust zacht, Basoeki”, eindigde de spr. [...]

Mas Basoeki was een Indonesische arts die in Nederland zijn opleiding genoot, iets wat in het toenmalige Nederlands-Indië niet mogelijk was. Zoals veel Indonesiërs was Basoeki moslim. Hij was woonachtig in Utrecht, waar hij waarschijnlijk studeerde aan de universiteit en woonde in bij de weduwe Fournier en haar dochter aan de Willem Barentzstraat 72. Hij overleed aan de gevolgen van een ziekte. In het november/december-nummer van Indonesia Mardeka (vertaald: Indonesië vrij), het tijdschrift van de Indonesische Vereniging voor studenten, verscheen een “in memoriam Basoeki”. Deze vereniging was in december 1923 door de Centrale Inlichtingendienst in Den Haag als communistisch bestempeld en bestond uit Indonesische studenten en intellectuelen die de onafhankelijkheid van Indonesië nastreefden. Niet duidelijk is of Basoeki lid was van de vereniging, maar gezien het ‘in memoriam’ kunnen we daar wel voorzichtig van uitgaan.

Theosofisch zegel

De reden dat Basoeki in Beetsterzwaag werd begraven, was dat de echtgenoot van mevrouw Fournier, Antonius Hijpolitus Fournier, daar in 1913 begraven was. Het graf naast Fournier was gereserveerd voor haar. Zij stelde het graf echter ter beschikking om de jonge Mas te begraven. Op zijn grafmonument werd een grof gehakte stèle met zwarte geverfde tekstplaat op basement geplaatst. De tekst:

BASOEKI

11 Nov 1924

Wijsheid in het Leven
Kracht in den Dood

Schoonheid in den Morgen

stond van het Eeuwige Leven

Zijne vrienden door alle levens

Bovenaan de tekst valt de symboliek op. Wat we zien is het zegel van de theosofische beweging. Deze beweging was eind negentiende eeuw opgericht door de Russische occultiste en esoterica Helena Blavatsky. De theosofie is een mystiek-filosofische levensbeschouwing en kent geen verplichte leerstellingen. Het gaat uit van andere werkelijkheden dan de waarneembare stoffelijke werkelijkheid. Daarin speelt bijvoorbeeld ook reïncarnatie een rol. Als we kijken naar de slotregel op het grafmonument van Basoeki ‘zijne vrienden door alle levens’, lijkt dit een verwijzing te zijn naar het theosofische levensbeeld. De vraag is alleen of Mas Basoeki een aanhanger was van de theosofische beweging, gezien de islamitische rituelen die bij zijn begrafenis zijn uitgevoerd. Nergens wordt immers melding gemaakt van andere zaken. Theosofie bevat veel religieuze invloeden, maar met name van het boeddhisme en niet zozeer van de islam. Om de toegepaste symboliek te verklaren, kijken we naar de familie Fournier.

Het zegel van de oorspronkelijke Theosophical Society - dat hetzelfde is als op het grafmonument van Basoeki staat afgebeeld - is een variant op het persoonlijke zegel van Helena Blavatsky en is opgebouwd uit verschillende symbolen die al eeuwen in gebruik zijn. Voor de theosofische beweging maken ze ‘deel uit van de universele mysterietaal die heilige waarheden van de natuur zonder woorden aan de geest kan overbrengen’. Het zegel bestaat in theosofische zin uit: de Slang met haar staart in de bek, de Swastika, de Vervlochten Driehoeken en het Geluste Kruis, Ankh of Tau.

Volgens de theosofische leer vertegenwoordigt de cirkelvormige slang de volmaking en het herstel van de universele harmonie, maar ook het grenzeloze waaruit alle manifestatie voortkomt en waarin alles weer terugkeert. In de funeraire symboliek kennen we de staartbijtende slang als ouroboros. De slang is binnen de christelijke beeldtaal alpha en omega ofwel het begin en het einde. De symboliek wijst op het feit dat alles besloten is binnen de macht van God en op de oneindigheid. De ouroboros is echter ouder dan het christendom en is als symbool al terug te vinden bij de oude Egyptenaren en Grieken.

Het theosofisch zegel

De Swastika staat bij de theosofie symbool voor de evolutie en de eeuwigdurende beweging. Het centrum bevat de ziel en de gebogen armen geven de eeuwigdurende wenteling van de levenswielen weer tijdens het universele bestaan. De swastika is in verschillende oude culturen terug te vinden en wordt nog steeds gebruikt in het hindoeïsme, waarin de linksdraaiende armen sauvastika wordt genoemd en het kruis verwijst naar voorspoed en geluk. Met de opkomst van het nazisme in Duitsland kreeg de rechtsdraaiende swastika een nieuwe betekenis, waarin het symbool stond voor de Arische identiteit.

De Vervlochten Driehoeken herkennen we als de ster van David, maar deze vorm komt in veel oude culturen voor. Blavatsky zal de ster hebben ontleend aan India, waar het symbool bekend is als het zegel van Vishnu, de hindoeïstische god die de schepping in stand houdt. De ster is eigenlijk opgebouwd uit een witte en zwarte driehoek, welke volgens de theosofische leer samen verwijzen naar het gemanifesteerde heelal.

Het Geluste Kruis, Ankh, of Tau: voor de theosofie een heilig symbool dat duidt op leven, vernieuwing, en de neerdaling van de geest uit innerlijke gebieden in de stoffelijke werelden. Het symbool is vooral bekend vanuit het oude Egypte, waarin de hiëroglief Ankh symbool stond voor het leven.

De familie Fournier

Overlijdensbericht Anton Fournier Leeuwarder CourantAntonius Hijpolitus (Anton) Fournier werd 16 november 1871 in Uithoorn geboren als zoon van onderwijzer Andreas Cornelis Joseph Fournier (geb. 1851, Harderwijk) en Grietje van der Bijl (geb. 1849, Uithoorn). Nog geen jaar na zijn geboorte werd vader Fournier benoemd tot hulponderwijzer in Nederlands-Indië en eind januari 1873 vertrok het gezin met de Nederland naar Batavia. Fournier zou opklimmen van 4de hulponderwijzer in Samarang tot 1e hulponderwijzer 2e klasse aan de openbare school te Tagal in 1881. In september 1885 overleed zijn vrouw Grietje. Fournier werd wegens ‘dringende familieomstandigheden’ tweejarig verlof verleend naar Europa. Begin november vertrok Fournier met vijf kinderen per stoomschip Zeeland naar Nederland. Zoon Anton komen we daarna in 1896 tegen als hij een benoeming krijgt als onderwijzer in het Friese Oldeboorn. Anton was dus in zijn vaders voetsporen getreden. In 1897 trouwde hij in Gouda met Akke Sijtsma. Op een gegeven moment moet Anton een aanstelling in Dokkum hebben gekregen, want daar was hij bij zijn plotselinge overlijden in 1913 hoofd van de M.U.L.O. Anton overleed op 1 september op 41-jarige leeftijd in het ziekenhuis van Heerenveen en werd begraven op het hervormde kerkhof in Beetsterzwaag, waar het gezin woonde. Op het grafmonument in de vorm van een grof uitgehouwen stèle staat een eenvoudige tekst: ‘aan onzen geliefden leermeester A.H. Fournier in leven hoofd der school voor M.U.L.O. te Dokkum’.

Grafmonument voor Antonius Hijpolitus Fournier op het NH kerkhof te Beetsterzwaag

Tot zover nog geen spoor van de theosofische beweging. Dat vinden we echter terug bij de jongere broer van Anton, Francois Louis Paul Gerard. De jongste telg van het gezin Fournier-Van der Bijl was in januari 1884 geboren in het Indonesische Tegal, groeide op in Semarang en studeerde werktuigbouwkunde in Delft. In 1909 vertrok hij weer naar Nederlands-Indië en maakte daar met succes carrière. Hij was naast zijn werk bijzonder actief. In 1926 werd hij priester in de Vrije Katholieke Kerk, een kerkgenootschap van gnostisch-theosofisch signatuur. Al sinds 1920 was hij lid van het hoofdbestuur van de Nederlands Indische Theosofische Vereeniging en hij werd later voorzitter van de Nederlands Indische afdeling van de Theosofische Wereld Universiteit. In 1926 had de afdeling 200 leerkrachten in dienst en werden de scholen bezocht door zo’n 5000 kinderen. Zonder twijfel kunnen we daarmee stellen dat Francois een overtuigd aanhanger van de theosofische beweging was. Niet onwaarschijnlijk is dat dit ook invloed heeft gehad op zijn familie. Er zijn echter vooralsnog geen aanwijzingen dat Anton Fournier doceerde op een theosofische school. Betrokkenheid bij de theosofische beweging was overigens niet alleen voorbehouden aan Europeanen die in Nederlands-Indië woonden en werkten; zo was ook de vader van de latere president Soekarno geen orthodox moslim, maar een aanhanger van de theosofische beweging. Tal van Indonesiërs sloten zich aan bij de beweging in de hoop betere contacten met de Europeanen op te doen. Soekarno zelf distantieerde zich daar tijdens zijn opvoeding overigens steeds meer van en in 1963 verbood hij de beweging zelfs.

Het grafmonument

Na de dood van Anton Fournier in 1913 verhuisde zijn vrouw Akke met hun dochter naar Utrecht. Op het grafmonument van Anton in Beetsterzwaag is geen enkele verwijzing te vinden naar de theosofische beweging. Kan het zijn dat Akke Sijtsma na de dood van haar man via haar zwager onder invloed van de theosofische beweging is gekomen? Dat lijkt een voorbarige conclusie. In Utrecht nam Akke de jonge Indonesische student Mas Basoeki in huis. Dat zij het, voor haar bestemde, graf naast haar man beschikbaar stelde aan Mas, geeft aan dat ze een innige band moeten hebben gehad. Wie het monument heeft betaald, is niet bekend, maar laat zich mogelijk niet moeilijk raden. We weten namelijk dat het in 1921 opgerichte Theosofisch Studie Fonds, dat in 1926 op zou gaan in de Nederlands Indische afdeling van de Theosofische Wereld Universiteit, veelbelovende Indonesische jongeren financieel steunde zodat zij hun studie in Nederland konden voortzetten. Waarschijnlijk is ook Mas Basoeki met steun van dat fonds naar Nederland gekomen. Daarmee lijkt het ook plausibel dat het Theosofisch Studie Fonds direct of indirect verantwoordelijk is geweest voor de plaatsing van het grafmonument met de opvallende symboliek. Waarmee echter niets is gezegd of de jonge arts zelf een aanhanger van de beweging was. Mogelijk zag Basoeki met de mogelijkheid in Nederland te studeren, een kans om zijn droom te realiseren om arts te worden. Na het afronden van zijn studie zou hij dan ook terugkeren naar zijn geliefde vaderland. Zover kwam het echter niet. Mas Basoeki werd als moslim ten grave gedragen op een hervormd kerkhof in het verre Nederland. Zijn eenvoudige grafmonument wordt gesierd door de symboliek van een mystiek-filosofische levensbeschouwing die zich in de eerste helft van de vorige eeuw met name in het toenmalige Nederlands-Indië nadrukkelijk manifesteerde. In Nederland vinden we dergelijke symboliek vooral terug op grafmonumenten uit de jaren '20 van de vorige eeuw.

Zelf zou Akke Sijtsma overigens niet in Beetsterzwaag begraven worden. Ze keerde terug naar Nederlands-Indië en overleed op 3 april 1942 in Medan op het eiland Sumatra.

 

Bronnen

  • Burgerlijke Stand van de gemeenten in de provincie Utrecht 1903-1942. Toegangsnummer 463 Inventarisnummer 548-02 Aktenummer 1513
  • Overlijdensregister 1913, archiefnummer 30-09, Burgerlijke Stand Dokkum - Tresoar, inventarisnummer 3035, aktenummer 028

Literatuur

Internet


© 2019 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.