Verhalen achter grafmonumenten

Stadskanaal - Glaspioniers van Nieuw-Buinen en Stadskanaal

 

De geschiedenis van glasfabricage in vogelvlucht

Wanneer we ver teruggaan in de geschiedenis komen we glas met name tegen als sieraad, in de vorm van ondoorzichtige parels. Ze zijn gevonden in Egypte en delen van Meopotamië en dateren uit omstreeks 3500 v. Chr. Vondsten van fragmenten van vazen werden gevonden in Mesopotamië en dateren uit de 16de eeuw v.Chr. In Egypte ontwikkelden rond 1500 v. Chr. handwerkslui methoden om glazen potten te vervaardigen. Mogelijk waren deze handwerkslui als slaven meegevoerd naar Egypte na succesvolle veldslagen. Enkele gevonden vazen dragen de naam van Farao Thoetmosis III (ca 1479-1425 v.Chr.). Alexandrië is een aantal eeuwen een belangrijk centrum voor glasproductie geweest. Men neemt aan, dat zich van hieruit de glasproductie verspreid heeft tot in Italië.

De Glasblazer te Nieuw-Buinen

Vermeldenswaard is de vondst van een handleiding voor het maken van glas. Deze is beschreven op kleitabletten en kwam uit de bibliotheek van de laatste grote heerser over Assyrië, Assurbanipal (669-627 v. Chr.). Een doorbraak in de glasfabricage was het blazen van glas door middel van een lange metalen buis omstreeks het begin van onze jaartelling. Men schrijft die doorbraak toe aan Syrische handwerkslui. Het zijn de Romeinen geweest, die tot verspreiding van de glasfabricage hebben bijgedragen. Het Romeinse rijk immers creëerde door de grote veroveringen, het aanleggen van wegen en het stichten van steden een situatie, waarin allengs de handel kon gedijen. Die handel betrof ook de handel in glasproducten. Glazen voorwerpen vonden zo hun weg door Europa en ver daarbuiten.

De val van het West-Romeinse rijk in de 5e eeuw betekende voor Noord- en Midden-Europa een enorme terugval voor de glasfabricage en het glasblazen. In het Oost-Romeinse rijk ging de ontwikkeling door en kwam de glasfabricage tot grote bloei. Die bloei zette zich ook door, toen grote delen van dit rijk in handen vielen van de opvolgers van Mohammed, de Omajjaden- en Abassiden kaliefen. Kruisvaarders op hun kruistochten voerden buitgemaakte glasproducten mee terug naar het thuisland en Venetianen, die zich wat de kruistochten betreft met hun schepen niet onbetuigd lieten, vestigden op diverse plekken handelsposten en ronselden glasmakers, die ze op eilandjes in afzondering het vak lieten leren aan de eigen mensen. Het was glasfabricage op hoog niveau. Glasfabricage van een wat minder hoog niveau was er ook. Die vond plaats in Midden-Europa. In bosrijke gebieden, waar hout ruimschoots voor handen was, bouwden glas-makers hun “Waldglashütten”. We spreken dan ook van Waldglas. Niet onbelangrijk voor de ontwikkeling van de glasfabricage was de vraag naar glas voor de grote gothische kerkgebouwen, die overal verrezen.

Het besloten karakter van de beroepsgroep van de glasmakers, die hun vaardigheden overbrachten van vader op zoon, bracht met zich mee, dat waar glas geblazen werd, we vaak dezelfde familienamen aantreffen. Het beperkte aantal werkplekken per “glashut” en het schaarser worden van de brandstof, die men nodig had bij de fabricage, moest wel leiden tot migratie. Wat de brandstof betreft, zocht men z’n toevlucht tot de veengebieden, ook buiten de landsgrenzen. Financiering was een volgend probleem. Toch werden er geldschieters gevonden, zoals we zullen zien. 

De eerste glasfabrikanten

Johann Christian Anton Thöne (1792 – 1860)
Stèle Johann Christian Anton Thöne RK begraafplaats StadskanaalOp de rooms-katholieke begraafplaats van Stadskanaal lijkt het oude grafmonument voor Johann Christian Anton Thöne vervangen te zijn door een eenvoudige stèle ter nagedachtenis. Mogelijk was het monument dusdanig in verval, dat restauratie geen optie was. Wie echter het oude monument vergelijkt met de stèle die nu op het graf is geplaatst, raakt bepaald niet onder de indruk. Veel leden van de familie Thöne vonden op deze rooms-katholieke dodenakker hun laatste rustplaats. 

Wie op zoek gaat naar Thöne als lid van een familie van glasblazers en dan met name in de gebieden Hessen, Thüringen en Bohemen, waar zich concentraties van glasblazers bevonden, zal de naam Thöne niet tegenkomen. Uit familiedocumenten wordt duidelijk, dat het een familie van glashandelaars was, afkomstig uit Driburg in Westfalen in de buurt van Paderborn, een rooms-katholiek gebied. De levendige handel in glas aldaar had alles te maken met de glasfabricage, die zich ook in dat gebied had ontwikkeld door de ruime aanwezigheid van brandhout.

Oude grafmonument voor de familie Thöne op de RK begraafplaats StadskanaalOp zoek naar grotere afzetgebieden dan de eigen regio, die verzadigd raakte, mogen we aannemen, dat het door de Thöne’s ingekochte glas werd verkocht op een route door Ost-Friesland over de grens naar Winschoten, Groningen en Harlingen, waar een en ander scheep ging naar onder andere Holland. Had zich in Leeuwarden al een Thöne als handelaar gevestigd, Johann Christian Anton vestigde zich in Winschoten aan de Vissersdijk. Daar stond hij voor het eerst in 1817 geregistreerd als winkelier. Eenentwintig jaar zou hij daar zijn bedrijf uitoefenen, bijgestaan door Trijntje Busscher (1795-1871). Met haar trouwde hij, nadat er al 4 kinderen geboren waren, pas in 1828, waarna uit deze echtverbintenis nog 3 kinderen geboren werden. Het laat tot stand komen van een officieel huwelijk moet als oorzaak hebben gehad, dat Thöne rooms-katholiek was en Trijntje Busscher protestant. Op zeker moment heeft Thöne zich gestort op de glasfabricage met als financier voor de onderneming Mr. Jan Freesemann Viëtor. Freesemann Viëtor was notaris te Winschoten en zeer vermogend als reder en eigenaar van grote percelen veengrond. Zijn bekendheid met ontwikkelingen over de grens met betrekking tot het gebruik van turf als brandstof voor bijvoorbeeld de glasovens, zullen hem hebben doen nadenken over de exploitatie van zijn eigen bezit. In Thöne beschikte hij over iemand met kennis inzake afzetgebieden en de vraag van de markt. Aangezien Thöne zelf geen glasblazer van professie was, moesten er daarom gekwalificeerde vaklui gevonden worden. Eenvoudig schijnt dat niet geweest te zijn, maar uiteindelijk gaven toch een aantal vakbekwame mensen gehoor aan de werving. Op 25 juni 1838 werd te Nieuw-Buinen de eerste steen gelegd voor een glasfabriek, waarin, zoals de Provinciale Drentsche Courant van 29 juni 1838 vermeldde, voornamelijk medicijn- en wijnfleschen, karaffen, bier- en andere glazen zouden worden vervaardigd. De eerste steen vermeldt trouwens naast Thöne als compagnon een zekere De Jonge. Thöne hield zich vooral bezig met het aanbrengen van klanten en de verkoop en was dus veel op reis. Zijn compagnon De Jonge zorgde administratief en financieel voor het bedrijf. Niet lang na het opstarten van de fabriek is De Jonge echter met de noorderzon vertrokken en met hem verdween 3500 gulden, die het bedrijf lichter was geworden. Onder het personeel, dat uit Duitsland was aangetrokken, komen we ook Johann Georg Christoph Heinz tegen, een glasblazer uit Thüringen, die een grote rol zou gaan spelen in de glashistorie van Nieuw-Buinen.

Graven van de Familie Thöne op de RK begraafplaats in Stadskanaal

De financieel moeizame eerste periode, die de productiecapaciteit niet ten goede kwam, schiep duidelijk weinig vertrouwen bij de geldschieter van het eerste uur Mr. Jan Freesemann Viëtor. In elk geval werd bij hem vergeefs aangeklopt voor een financiële injectie. Toen op zeker moment de lonen niet konden worden uitgekeerd, zochten enkele glasblazers, onder wie Heinz, uiteindelijk hun heil elders. Voor Thöne kwam er een doorbraak, toen de gemeente Borger Certificaten van Oorsprong verstrekte voor glaswerk van Thöne, bestemd voor Nederlands Oost-Indië. Met zulke certificaten konden Nederlandse producten tolvrij in de koloniën worden ingevoerd. De financiële positie werd hierdoor sterk verbeterd. Bovendien zag Thöne in, dat vanuit een ander centrum dan Nieuw-Buinen de glashandel moest plaats vinden. Hij zond daartoe in 1845 zijn zoon Johan Hendrik naar Amsterdam. Daar werd een verkoopkantoor met magazijn gevestigd.

In Nieuw-Buinen werd na de dood van Mr. Jan Freesemann Viëtor door diens weduwe de fabriek aan Thöne verkocht. Met de nodige investeringen kwam het bedrijf tot bloei. Johann Christian Anton bleef directeur tot zijn dood in 1860. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Philippus Wolbertus, die directeur bleef tot zijn dood in 1874. Zijn broer Johan Hendrik, die in Amsterdam het verkoopkantoor had gesticht, werd in 1874 directeur van de glasfabriek. Hoe goed het ging met het bedrijf blijkt wel uit de bouw van de riante villa “Flora”, die Johan Hendrik, bijgenaamd “de Amsterdammer”, liet bouwen aan het Zuiderdiep in Nieuw-Buinen. Villa FloraBij het overlijden van Johan Hendrik op 11 september 1891 werd hij opgevolgd door Anthonius Johannes Bakker. Bij testament was deze als opvolger aangewezen. Tevergeefs vocht de familie Thöne dit testament aan. Anthonius Johannes was officieel de zoon van Cornelius Anthonius Bakker en Ardine van Wel. Dit echtpaar diende bij een relatie van Johan Hendrik. Tussen Johan Hendrik en Ardine bloeide blijkbaar iets op, want bij Ardine heeft Johan Hendrik genoemde Anthonius Johannes (!) verwekt. Hij zou de enige nakomeling blijven. De glasfabriek zou niet meer de naam Thöne dragen, maar de N.V. Glasfabrieken A. J. Bakker gaan heten. Wanneer in 1933 Bakker overlijdt en de erfgenamen elkaar in de haren vliegen over de opvolging heeft dit als resultaat dat de fabriek sterk wordt verwaarloosd. De overname in 1934 door de Glasfabriek Leerdam luidde het einde in van de N. V. Glasfabrieken A. J. Bakker. Een definitieve sanering had plaats in 1937, toen Leerdam werd overgenomen door de Verenigde Glasfabrieken te Schiedam. Bakker werd gesloten en enkele jaren later werden de fabrieksgebouwen gesloopt. Een enkele muur achter de voormalige directiewoning herinnert nog aan het bestaan van de fabriek.

Johann Georg Christoph Heinz (1819 – 1909)
Grafmonument Johann Georg Christian HeinzJohann Georg Christian Heinz was, zoals reeds vermeld, afkomstig uit Thüringen, een deelstaat van Duitsland, die op veel plaatsen herinnert aan de reformator Maarten Luther. De Lutheraan Heinz en vele leden van zijn familie zijn niet alleen van grote betekenis geweest voor de glasfabricage en glashandel in de regio, maar hebben ook een grote rol gespeeld in het ontstaan van de Evangelisch Lutherse kerk in Stadskanaal. Plaats van herkomst was het Thüringer Piesau, waar tot op de dag van vandaag dragers van de naam Heinz nog betrokken zijn bij de glasfabricage en Piesau zich
“Glasmacherdorf seit 1622” mag noemen. Thüringen kende een groot aantal Dorfglashütten en het is niet verwonderlijk dat we in de verschillende glasmakersdorpen vanwege het besloten karakter van de stand van glasmakers c.q. glasblazers veel dezelfde namen tegenkomen, zoals die van Heinz en Müller. Het beperkte aantal arbeidsplaatsen echter noopte veel glasmakers zich elders te vestigen. Zo kwam in 1838 een zekere Georg Friedrich Müller (soms ook Mulder genoemd) als pottenmaker naar Nieuw-Buinen. Voor de glasblazerij waren pottenmakers van groot gewicht. Zij vervaardigden de ovens voor de glasfabricage.

Ongeveer terzelfder tijd meldde zich Johann Georg Christoph Heinz in Nieuw-Buinen om evenals Müller bij Thöne te gaan werken. Op 8 december 1842 trad Johann Georg Christoph in het huwelijk met Anna Benus. Zij was de dochter van Johannes Klaassens Benus en Jaapkien Riemts Roelfzema. In de huwelijksakte van 20-01-1819 van laatst genoemden wordt als beroep van Johannes Klaassens aangegeven, dat hij landbouwer is. In de geboorteakte van 04-12-1823 van hun dochter Anna is het beroep van Johannes Klaassens grutter aan het Stadskanaal in de gemeente Nieuwe Pekela. Andere bronnen vermelden hem als vervener. Hoe het zij, Heinz’ schoonvader beschikte over enig kapitaal. Dit gegeven en enkele belangrijke contacten, die Heinz opdeed bij het ondertekenen van een erfpachtcontract voor een stuk grond waarop hij een huis wilde bouwen, zouden van betekenis worden voor zijn toekomst. Medeondertekenaars waren namelijk Roelof Oosting en Jan Meursing, een paar belangrijke figuren in de regio. Grafmonument Jacob Meursing te Nieuw-BuinenJan Meursing, afkomstig uit een boerengeslacht te Eext (voormalige gemeente Anloo), gaat na zijn huwelijk in 1815 met Roelfien Heeling boeren op het bedrijf van zijn schoonouders. Daarnaast was hij vervener en werd hij gemeenteontvanger. Al snel na de geboorte van hun zoon Roelof overleed Roelfien en Jan hertrouwde in 1822 met Jantje Dilling. Hun zoon Jacob zou de eerste directeur van de glasfabriek Müller, Heinz & Co worden. De stichtingsakte van 11 oktober 1844 onder genoemde naam werd al snel vervangen door een nieuwe akte met de firmanaam J. Meursing & Co. Bij de overname van Meursing in 1938 door de Verenigde Glasfabrieken verdween overigens de naam Meursing en kreeg het bedrijf de naam De NV Nieuw-Buiner Glasfabrieken. De reorganisatie van de Verenigde Glasfabrieken in 1966 luidde echter het einde in van de NV Nieuw-Buiner Glasfabrieken. Op 15 maart 1967 werd de glasoven gedoofd en het bedrijf gesloten.

Terug naar de beginsituatie zien we duidelijk de volgende gezagsstructuur: hoofdfabrikant is Jacob Meursing, die als baas-pottenbakker Müller en als baas-glasblazer Heinz onder zich heeft. Waarschijnlijk heeft Müller het niet kunnen accepteren, dat Heinz als glasblazer de hele glasblazerij runde. In elk geval heeft hij al in 1852 Nieuw-Buinen verlaten, is teruggekeerd naar Duitsland en heeft zich met zijn gezin gevestigd in Klein-Tettau. Het stichten van deze glasfabriek was uiteindelijk mogelijk geworden door een aantal factoren. Jan Meursing kon beschikken over goede vaklui in de personen Heinz en Müller. Financieel zag het er gunstig uit door het huwelijk van Heinz met Anna Benus. Bovendien had Meursing door zijn positie de nodige connecties en beschikte hij over een locatie aan het Dwarsdiep. Aan geld ontbrak het hem ook niet. Niet minder belangrijk was het commercieel en financieel inzicht van zoon Jacob. Overigens gaat Heinz zich steeds meer toeleggen op de glashandel en na 1860 wordt hij ook geen glasblazer meer genoemd in meer of minder officiële stukken, maar koopman. Het is dan ook niet vreemd, dat Heinz een eigen handelszaak oprichtte met aanvankelijk als leverancier het glas van Meursing.

Grafmonument Ane Heinz In 1880 heeft Heinz Meursing verlaten. De commerciële contacten bleven bestaan. De persoonlijke verhoudingen leden nauwelijks door de zakelijke gezien bijvoorbeeld de onderlinge huwelijken. In 1851 trouwde Frederica Heinz met Johannes Laurentinus Thöne en in 1856 trouwde Johanna Christina Heinz met Philippus Wolbertus Thöne. De Glas- en Kristalhandel v/h J. Heinz werd in 1912 omgezet in een naamloze vennootschap met als directie Johannes Heinz en diens zoon Ane Heinz. Ane, die op 31 oktober 1878 geboren werd te Nieuw-Buinen, werkte na zijn schoolopleiding enkele jaren als volontair op glasfabrieken in Duitsland en Engeland en bezocht als vertegenwoordiger van zijn vaders glashandel winkels, dokters en apothekers. Bij het overlijden van zijn vader Johannes in 1915 werd naast Ane zijn broer Sjoerd mede-directeur.Van een kleine onderneming met slechts één knecht had het bedrijf zich bij het overlijden van Ane Heinz op 6 februari 1951 ontwikkeld tot een grote importeur en exporteur van glas en aanverwante artikelen met 35 man expeditie-personeel, 12 mensen op kantoor en 9 vertegenwoordigers bij de weg. 

De kerkelijke betekenis van de familie Heinz

Grafmonument Sjoerd Heinz

De familie Heinz is niet alleen maatschappelijk van betekenis geweest voor de regio, ook kerkelijk was de familie dat. Afkomstig uit een Lutherse omgeving in Duitsland samen met een aantal mensen die ook hun geluk hier wilden beproeven in de glasfabricage, voelde men al snel de behoefte als Lutheranen samen te komen. Men kan zonder bezwaar stellen, dat de geschiedenis van de Evangelisch-Lutherse Gemeente Stadskanaal begint met de komst van Johann Georg Christoph Heinz naar Stadskanaal. Met het samenstellen van een kerkenraad in 1857, gevormd uit de “voornaamste” leden, krijgt een en ander een officieuze vorm. In die kerkenraad zat uiteraard ook Johann Georg Christoph Heinz. Met het vormen van die kerkenraad werd men filiaalgemeente van de Evangelisch-Lutherse Gemeente Wildervank-Veendam. Eerst in 1864 kreeg de kerkelijke gemeente haar zelfstandige status. Veelvuldig komen we in de archieven van de kerkelijke gemeente de naam Heinz tegen. Leden van de familie Heinz vonden hun laatste rustplaats op de hervormde begraafplaats van Stadskanaal.

Johannes van der Tuuk (1822-1883)
Familiegraven Johannes van de Tuuk

Grafmonument Johannes van de Tuuk op de Unikenbegraafplaats

Een glasfabriek, die slechts korte tijd heeft bestaan, was die van de vervener Dirk Johan Pieter Nicolaas Gaymans. Hij richtte omstreeks 1860/1861 die glasfabriek op te Stadskanaal op enige afstand van de andere glasfabrieken. De glasfabriek wisselde nog al eens van naam als gevolg van de wisseling van de directie. Gestart als Gaymans & Co, werd het al snel Gaymans & Van der Tuuk. Na de naam Van der Tuuk & Co werd het tenslotte Schmidt & Van der Tuuk. Toen Gaymans overleed in 1864 werd het bedrijf gekocht door Egbert Uniken, zijn compagnon en verwant. Terwijl Uniken zorgde voor de financiën en de handel was het zijn schoonzoon Johan van der Tuuk, die de dagelijkse leiding van de fabriek voor zijn rekening nam. Een lang leven was de glasfabriek niet beschoren. Na het overlijden van Johan van der Tuuk verkocht zijn weduwe Catharina van der Tuuk-Uniken de hele fabriek aan een zekere Frederikus Scholtens, die overging tot sloop van de fabrieksgebouwen. Johannes van der Tuuk en echtgenote vonden hun laatste rustplaats op de familiebegraafplaats van de Unikens te Stadskanaal. 


Literatuur en bronnen:

  • J.A. Zwaag, De Glaspioniers in het Veen; (Groningen, 2002)
  • Nieuw-Buiner Glasindustrie, geschiedenis in foto’s en documenten (2004)
  • Hoe het Lutherde in Nederland (Stichting Lutherse Uitgeverij en Boekhandel, 1994)
  • Archieven regionale kranten

 

Internet


© 2019 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.