Gelderland

Doetinchem - De Stadsbegraafplaats

 

De funeraire geschiedenis van Doetinchem start met de stichting van de kerk die in de negende eeuw voor het eerst werd genoemd. Of er in de eeuwen daarvoor begraafplaatsen, urnenvelden of grafheuvels in de omgeving zijn aangelegd, is weinig over bekend. Er woonden al vroeg mensen in de omgeving die we nu gemeente Doetinchem noemen, maar die vertrokken telkens na verloop van tijd. Vanaf ongeveer 1200 is meer bekend. Toen werd een aanvang gemaakt met de bouw van de voorloper van de huidige kerk. We weten dat er in die tijd in Doetinchem ook nog een kapel bestond, gelegen bij een gasthuis. Dat bij beide gebouwen begraven werd, is aannemelijk.

Detail van een kaart van Gelderland en Kleef in 1573 met de kloosters Zyon en Bethlehem bij de stad Doetinchem.Er waren ook al vroeg enkele kloosters in en bij Doetinchem die mogelijk ook over een eigen kerkhof beschikten. Veel archiefmateriaal van voor die tijd is echter bij een grote stadsbrand in 1527 verloren gegaan. Wel bekend is dat Doetinchem in 1238 stadsrechten verkreeg en dat het belang van Doetinchem in de eeuwen daarna groeide. Zo schoot de Hertog van Gelre na de brand in 1527 de stad te hulp om deze weer op te bouwen. Wat niet onvermeld kan blijven, is de invloed van het klooster Bethlehem dat ten oosten van de stad lag. Het zielenheil van de bewoners in de stad viel in de veertiende eeuw aan het klooster toe en veel inwoners van Doetinchem lieten bezittingen in de stad na aan het klooster. Het kan niet anders dan dat in of bij Bethlehem ook begraven kon worden, iets wat extra status met zich bracht. Uiteindelijk is Bethlehem in 1579 verloren gegaan, net als veel andere kloosters in die tijd.

Vanaf 1599 werd Doetinchem Staats gebied en voerde het protestantse geloof de boventoon. In hoeverre dit invloed had op het begraven in de stad, is niet duidelijk. Net als elders kon niet meer op de begraafplaatsen bij de kloosters begraven worden, met name omdat die kloosters in veel gevallen afgebroken werden. Mogelijk dat inwoners van de stad die desondanks toch het katholiek geloof bleven aanhangen, voor hun diensten en een graf uitweken naar Wehl, Emmerich of Anholt waar ze ‘Paepsche’ godsdienstoefeningen bijwoonden. Vanaf 1728 konden de katholieke inwoners van Doetinchem voor het eerste terecht in de kerk van Wijnbergen. Deze buurt, net ten zuiden van de stad, lag net over de grens van de toenmalige gemeente Bergh. Bij het kerkje werd echter pas in 1858 een kerkhof aangelegd. In 1770 wist de kleine joodse gemeenschap ten noorden van de stad een stuk grond te bemachtigen dat ingericht werd als begraafplaats. Dit was de eerste begraafplaats die in eeuwen weer buiten de stad werd aangelegd.

Noodzaak tot verandering

Tot 1829 werd in en bij de Catharinakerk begraven, hier op een fot in 1910 (afbeelding Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)Halverwege de achttiende eeuw teisterden epidemische ziekten de stad en omstreken van Doetinchem. Ter bestrijding van de ziekten bepaalde het hof van Gelderland dat er maatregelen nodig waren, maar tot een verbod op begraven in de kerken durfde men niet over te gaan. Dat de stad het begraven in de loop der tijd steeds meer naar zich toe had getrokken, weten we door de ambtenarenlijsten, zoals die uit 1798, waaruit blijk dat de gemeente  een doodgraver voor het kerkhof had aangesteld.

Met de komst van de Fransen en de stichting van de Bataafse Republiek in 1795 werd het begraven in de kerken verboden. Waarschijnlijk is daar, net als in de meeste steden en dorpen in Nederland, in Doetinchem weinig gevolg aan gegeven. Na het vertrek van de Fransen in 1814 veranderde er daarom vooralsnog weinig en werden oude gewoonten en privileges voortgezet. In 1827 gaven de Provinciale Staten van Gelderland echter, in aansluiting op de wensen van Koning Willem I, een verordening uit waarin de regels die golden in de Franse tijd feitelijk weer van kracht werden. De regels moesten ingaan op 1 januari 1829. Dat betekende voor steden en dorpen met meer dan 1.000 inwoners dat begraven in of bij de kerk nu daadwerkelijk verboden werd. Na het vertrek van de Fransen werden Doetinchem en het buitengebied verdeeld in twee gemeenten: Stad-Doetinchem en Ambt-Doetinchem. Beide moesten daarom op zoek naar een nieuwe begraafplaats.

Aanloop naar nieuwe begraafplaats(en)

De twee jonge gemeenten waren in 1827 van plan om voor beide gemeenten één begraafplaats aan te leggen. Dicht bij de stad, want dan lag deze ook voor Ambt-Doetinchem centraal. De kosten zou men gezamenlijk dragen. Er werd zelfs toestemming voor dit plan verleend door Gedeputeerde Staten van Gelderland. Uiteindelijk liep het plan stuk doordat men het niet eens kon worden over het benodigde stuk grond. Daarop gingen beide gemeenten voort met hun eigen plannen. Stad-Doetinchem kocht een stuk grond ten noorden van de stad en Ambt-Doetinchem vond een perceel net buiten de stadsgrens langs de oostelijke uitvalsweg richting Varsseveld.

De Stadsbegraafplaats

De Stadsbegraafplaats op een kadastrale kaart ± 1830. Het oorspronkelijke perceel is hier blauw gekleurd.Het stuk grond dat de gemeente Stad-Doetinchem kocht was ongeveer 2.200 m2 groot en had een driehoekige vorm doordat het bij de splitsing van twee wegen lag. De grond werd voor 175 gulden aangekocht van burgemeester en chirurgijn E.J. Planten (1768 – 1834) die hier zelf later ook begraven zou worden. De begraafplaats kon direct in 1829 in gebruik genomen worden. Over de inrichting weten we echter niet veel, behalve dat de oorspronkelijke toegang aan de zuidzijde lag. Een echte toegang is er vandaag de dag niet meer. De eerste klas graven lagen aan de oostzijde en daarvan resteren nog vijftien rijen met grafmonumenten. De andere gedeelten, nu vooral gras, waren bestemd voor algemene graven. In de loop der tijd is enige grond van de begraafplaats benut voor verbreding van de straten die aan weerszijden lopen. Rond 1872 moet er een lijkenhuisje gebouwd zijn op de begraafplaats, maar daar resteren geen sporen van.

In 1857 kreeg Doetinchem ook een katholieke begraafplaats, waardoor een gedeelte van de bevolking geen gebruik meer maakte van de gemeentelijke begraafplaats. Desondanks zal de begraafplaats snel volgeraakt zijn. Nadat aan de Loolaan een nieuwe begraafplaats was aangelegd, werd de begraafplaats in 1893 gesloten verklaard. Omdat er geen mogelijkheid was om nadien nog bij te zetten in eigen graven op de oude begraafplaatsen moesten langstlevende partners noodgedwongen een graf aanschaffen op de nieuwe begraafplaats. Daarbij werd een aantal grafmonumenten overgebracht naar de nieuwe begraafplaats. Na sluiting van de begraafplaats werd de aandacht voor de begraafplaats al snel minder en minder en raakte in verval. Zerken verzakten en vooral het groen drong zich op en zorgde vervolgens voor meer schade.

In 1977 kwam de eerste kritiek op de verwaarlozing, maar pas in deze eeuw kwam een gerichte actie op gang voor het behoud van de begraafplaats. Langzaam ontstond het besef dat de begraafplaats bescherming nodig had, met name om de cultuurhistorische waarden te behouden. In 2005 werd de Stadsbegraafplaats samen met de Ambtsbegraafplaats aangewezen als gemeentelijk monument. In 2006 werd een stichting opgericht tot behoud van beide begraafplaatsen. Sindsdien heeft enig herstel plaatsgevonden van grafmonumenten en groen.

De begraafplaats vandaag de dag

Op een luchtfoto uit 2021 is het slingerende pad over de begraafplaats goed te zien. De grafmonumenten blijven verborgen onder het groen.Wie de begraafplaats nu vanuit de stad benaderd, ziet als eerste een lage heg rondom een open grasveld met daarachter een groot aantal struiken en bomen. Het geheel wekt meer de indruk van een plantsoen dan van een begraafplaats. In hoeverre het huidige groen gelinkt kan worden aan de aanleg van de begraafplaats is onduidelijk. Hoogstwaarschijnlijk dateert al het groen, inclusief het pad dat over de begraafplaats slingert, van ver na de sluiting. Een enkele boom kan een oudere oorsprong hebben, maar die gaat zeker niet terug tot de negentiende eeuw.

De grafmonumenten zijn destijds voor de aanwijzing tot gemeentelijk monument als collectief beoordeeld en van algemeen belang bevonden. Pas later zijn ze beschreven, vooral vanuit de genealogische betekenis van degenen die hier begraven liggen. In de literatuur wordt erop gewezen dat de grafmonumenten dicht opeenliggen en dat mogelijk eenzelfde beeld nagestreefd werd als de vloer van de Catharinakerk. Omdat lang niet meer alle grafmonumenten nog aanwezig zijn, is dit beeld nog maar ten dele aan te treffen. Een deel van de grafmonumenten is immers overgebracht naar de nieuwe begraafplaats aan de Loolaan. Op de Stadsbegraafplaats vinden we veel zerken, al dan niet op een lage roef die mogelijk op een grafkelder wijzen. Tussen de zerken bevindt zich nog een aantal exemplaren van zandsteen, wat niet ongebruikelijk is in het oosten van Nederland. De zerken zijn over het algemeen ouder dan de stèles die we hier en daar ook aantreffen. De stèles kennen een enkele keer een combinatie met een zerk en zijn overwegend van hardsteen. De vormgeving van de stèles is in een aantal gevallen klassiek uitgewerkt met het decoratieschema van een Griekse tempel, aedicula genaamd.

Het samengestelde grafmonument voor predikant Westerbeek van Eerten (graf 198).Wat symboliek betreft zijn de grafmonumenten karig bedeeld. In een aantal gevallen komt een verbeelding voor van een zon, meestal in de hoeken van de zerken. Dit verwijst naar onsterfelijkheid en de opstanding. Verder kennen twee hekwerken een vaas als motief. Het grafmonument voor predikant Westerbeek van Eerten (1817 – 1888) is het rijkst voorzien van symboliek. We vinden op zijn stèle een zespuntige ster met daaronder een rouwdoek en daaronder nog twee handen in een handdruk en daaronder een guirlande. De ster staat voor Jezus Christus en de handen staan voor een verbintenis tussen man en vrouw, maar hier kan het ook de betekenis hebben van een verbintenis met Christus. De rouwdoek en guirlande hebben een ondersteunende functie en wijzen op rouw en verdriet.

Graven en belangwekkende personen

De eenvoudige grafzerk voor viceadmiraal Schröder (graf 187).Hoewel de vormgeving van de grafmonumenten sober en terughoudend is in nagenoeg alle aspecten, is datzelfde niet te zeggen over de begraven personen. Allereerst valt onder de begravenen op dat veel van hen een militaire rang hebben bekleed. Daarnaast zijn veel van de hier begraven personen afkomstig van gegoede families en vaak waren ze afkomstig van buiten de stad. Doetinchem was in de negentiende eeuw kennelijk een goed oord om van de oude dag te genieten.

Iemand die van buiten de stad kwam en trouwde met een Doetinchemse, was viceadmiraal Jan Schröder (1800 – 1885). Hij werd geboren in Vlissingen, maar woonde lange tijd in Kleef. Al op 12-jarige leeftijd trad hij in dienst van de Keizerlijke (Franse) marine en werd nadien ingelijfd bij de Nederlandse marine. Schröder was in Nederlands-Indië betrokken bij een aantal belangrijke expedities waarbij hij zich onderscheidde. Hij doorliep de rangen en in 1830 was hij luitenant 1e klasse en diende De zerk van viceadmiraal Coops (graf 104) lijkt op die van Schröder.naast Van Speyk in Antwerpen tijdens de strijd rondom de Belgische afscheiding. In 1849 werd hij als kapitein ter zee eervol ontslagen met een aanbeveling aan de Pruisische marine om daar de opbouw van de Kriegsmarine te begeleiden. Uiteindelijk werd hij bevorderd tot viceadmiraal en in zijn laatste jaren in Duitsland was hij eerste minister van Marinezaken in Berlijn. Schröders graf wordt bedekt door een eenvoudige hardstenen zerk. Wel uit Doetinchem was Herman Hendrik Timoteus Coops (1793 – 1865). Hij bracht het tot de rang van viceadmiraal. Net als Schröder ging hij eerst in Franse dienst en maakte daarna carrière in de Nederlandse marine waar hij net als Schröder betrokken was bij de blokkade van Antwerpen. Nadien diende Coops in de wateren rond Nederlands-Indië en maakte hij onder meer een reis naar Japan. Na een uitgebreide loopbaan in de West en in Nederland werd Coops in 1850 bevorderd tot schout-bij-nacht en in 1853, bij zijn pensioen, titulair bevorderd tot viceadmiraal. Geschilderd portret van Coops door Gijsbert Buitendijk Kuyk ± 1850.Tijdens zijn diensttijd was Coops talloze malen onderscheiden en was hij gerechtigd verschillende medailles te dragen. Ondanks de grote verdiensten is de zerk van Coops al net zo eenvoudig en zonder enige opsmuk als die van Schröder.

Onder de voor Doetinchem bekende personen bevindt zich nog een aantal lieden uit de familie Coops, zoals koopman en fabrikant Willem Coops (1772-1850) en Wolter Coops (1764 – 1847) die naast koopman ook wethouder en burgemeester van Doetinchem was. Wolter was de vader van viceadmiraal Herman Hendrik. Uit geheel andere hoek komt de orgelmaker Hendrik Christiaan Haffmans (1809 – 1876). Haffmans is vooral bekend van de bouw, aanpassing of verbouw van orgels in de regio.

In zowel de verhalen van de begraven personen en in de uitstraling van de grafmonumenten toont de Stadsbegraafplaats zich in zijn geheel een negentiende begraafplaats. De vroege sluiting heeft ervoor gezorgd dat veel behouden is gebleven, maar zoals we al zagen is het onderhoud een uitdaging voor zowel stichting als gemeente.

 

Literatuur:

  • Aa, A.J. van der; Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Gorinchem 1848
  • Bok, Leon en Dam, René ten; Canon van het Nederlands funerair erfgoed, IJsselstein 2020
  • Boogman, J.C en S. Oosterhaven (red.); Geschiedenis van Doetinchem, Zutphen 1986
  • Coops, W.J.P.; Stads- en Ambtsbegraafplaats. Doetinchem 1829-2011, IJzerlo 2011
  • Stenvert, Roland e.a.; Monumenten in Nederland : Zuid-Holland, Zwolle 2004
  • Gelders Genootschap: beschrijvingen van Stads- en Ambtsbegraafplaats, ongedateerd
  • Monumenten Advies Bureau; Bouwtechnisch onderzoek Stadskerkhof Ds. Van Dijkweg / Hofstraat te Doetinchem, Nijmegen 2003

 

Internet:


© 2022 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.