Grafmonumenten

Sliedrecht - Het lot van de Actinia op 11 mei 1940

 

In de eerste oorlogsdagen speelden zich op verschillende terreinen in Nederland gebeurtenissen af die door de vijf jaar daarna in de vergetelheid raakten, bijvoorbeeld op de vaart. Zo werden talloze schepen beschoten en gebombardeerd, ook liepen sommige op inderhaast uitgeworpen contactmijnen. Een dergelijk lot trof de Actinia op 11 mei 1940.

De Oranje Nassau Kazerne in Amsterdam op een ansicht uit 1927 (Stadsarchief Amsterdam)De mobilisatie die eind augustus 1939 was afgekondigd, bracht duizenden mannen onder de wapenen. In de maanden daarna werden steeds nieuwe troepen gemobiliseerd, waaronder verschillende Rode Kruis-vrijwilligers van afdelingen uit het land. Een aantal van hen werd op 1 februari 1940 opgeroepen zich te melden bij de Oranje-Nassau kazerne in het centrum van Amsterdam. Het waren allen al wat oudere mannen, de jongste was 32 jaar, en veel hadden thuis een gezin. Eigenlijk zouden deze troepen elders ondergebracht moeten worden, maar omdat de mannen moesten dienen op tijdelijke “hospitaalschepen” was de ligging van de kazerne aan het water wel ideaal. Vanaf begin mei lagen achter de kazerne drie door het Vaartuigendepot gevorderde binnenvaartschepen die waren omgebouwd om gewonden te kunnen afvoeren. Per schip werden zestien soldaten ingedeeld. Hun taak was aan boord de gewonden te verzorgen, terwijl deze vanaf het strijdtoneel naar Amsterdam of een andere stad werden gebracht.

Dag van de Duitse inval

In de vroege ochtend van vrijdag 10 mei vielen Duitse troepen Nederland binnen. Diezelfde avond kreeg een groep de opdracht om met de 70 ton metende Actinia (genoemd naar een zeeanemoon, voorheen voerde het schip de naam De Hoop) naar Sliedrecht te gaan. Het schip was even daarvoor aangekomen nadat het eerder inwoners van Rhenen had geëvacueerd naar het westen. Die avond gingen vijftien Rode Kruis-soldaten onder leiding van de arts-officier G. Aukes aan boord. Schipper Huisman en een soldaat van het Vaartuigendepot voeren vervolgens via het Amsterdam-Rijnkanaal en het Merwedekanaal naar de Merwede waar ze in de vroege ochtend aankwamen bij Sliedrecht. Sliedrecht was het doel, omdat het Nederlandse leger daar onder grote geheimhouding grote voorraden verband- en geneesmiddelen had aangelegd in de verwachting dat Sliedrecht de verzamelplaats zou worden voor het westelijke gedeelte van het beoogde front. Vanuit Sliedrecht zouden gewonden verdeeld worden voor vervoer naar de grote steden verderop. Verschillende afdelingen van het Rode Kruis hadden zich voorbereid op een tocht naar Sliedrecht om daar te helpen bij de verdeling van de gewonden en het toepassen van eerste hulp. De loodsen waarin de hulpmiddelen waren opgeslagen konden snel in gebruik worden genomen als noodhospitalen. Eenmaal in Sliedrecht aangekomen, bleek er echter geen enkele gewonde te zijn en rond twee uur werd daarom besloten dat men de volgende dag terug zou keren naar Amsterdam.

De noodlottige 11de mei

Op de Merwede was het stil, maar in de lucht niet. De overvliegende toestellen waren alle Duits en werden herhaaldelijk beschoten vanuit de Alblasserwaard. Sommige vliegtuigen wierpen boven de rivier voorwerpen af die niet bleven drijven. Niemand stond er verder bij stil dat er geen ontploffing volgde. Rond drie uur in de middag was de Actinia in de buurt van Boven-Hardinxveld, ter hoogte van de splitsing van de Boven- en Beneden-Merwede. Een deel van de soldaten stond of zat aan dek, terwijl anderen benedendeks lagen te rusten of te lezen. Plotseling klonk er een heftige explosie. Het schip bleek op een magnetische mijn te zijn gelopen die eerder door een Duits vliegtuig was afgeworpen. De kleine veerpont tussen Hardinxveld en Werkendam die nog gewoon in de vaart was, schoot meteen te hulp. Enkele gewonden konden gered worden en werden overgebracht naar Werkendam. Vanuit het snel zinkende schip meenden de redders nog wel geklop te hebben gehoord, maar er was geen tijd om hier op te reageren. Voor elf van de opvarenden was het te laat. Enkele lichamen werden direct geborgen en naar Sliedrecht gebracht, maar men vond niet meteen alle lichamen. Die dag werden de lichamen van zes mannen uit het water gehaald:

A.J. Bex (geboren 5 februari 1894, Maastricht), sergeant 2e Roode Kruis Comp. en ploegcommandant

J. Bruinzeel (geboren 13 februari 1907, Velsen), helper 2e Roode Kruis Comp.

M.K. de Graaf (geboren 25 augustus 1898, Haarlem), helper 2e Roode Kruis Comp.

J. Groeneveld (geboren 6 september 1908, Vlaardingen), helper 2e Roode Kruis Comp.

J. Sint (geboren 22 februari 1914, Wormerveer), soldaat 23 Roode Kruis Comp.

H.W. de Vries Danil (geboren 12 juli 1909, Den Haag), soldaat 23 Roode Kruis Comp.

 

De lichamen van vijf verdronken soldaten die niet uit het water konden worden gehaald, werden pas veel later geborgen. Het ging om:

G. Aartsen (geboren 30 september 1902, Beilen), soldaat 2e Roode Kruis Comp., afdeling Baarn

A. Hamel (geboren 7 juli 1907, Loosduinen), vrijwillig helper 2e Roode Kruis Comp.

J. Hoek (geboren 22 maart 1907, Katwijk), soldaat Vaartuigendienst Dep. Amsterdam.

J. Romijn (geboren 6 juli 1906, Leidschendam), helper 2e Roode Kruis Comp.

M. Tak (geboren 10 februari 1903, Oud-Gastel), soldaat 23 Roode Kruis Comp.

De overige zes, waaronder arts Aukes en de schipper, werden gewond aan wal gebracht en kregen aldaar direct eerste hulp.

Begraven en soms herbegraven

Het gedenkteken voor soldaat BruinzeelVan de verschillende dodelijke slachtoffers liggen alleen Jacob Groeneveld en Jacob Bruinzeel nog begraven in Sliedrecht. In het register van de Oorlogsgravenstichting staat bij Bruinzeel abusievelijk 21 mei 1940 als overlijdensdatum. Dit kan te maken hebben met het feit dat pas op 21 januari 1941 de overlijdensakte werd opgemaakt in zijn woonplaats.

Het stoffelijk overschot van Sergeant Bex werd na aanvankelijk in Sliedrecht begraven te zijn, in oktober 1941 overgebracht naar Maastricht. Daar ligt hij begraven op het herinneringsveld voor Nederlandse soldaten op de gemeentelijke begraafplaats aan de Tongerseweg. Marcus de Graaf is uiteindelijk begraven op het Ereveld in Loenen. Jan Sint, de jongste van allen aan boord, vond zijn laatste rustplaats op de gemeentelijke begraafplaats van Zaandam. Zijn familie plaatste op 27 mei 1940 een overlijdensadvertentie in verschillende landelijke dagbladen. Daar wordt overigens de datum van 10 mei als overlijdensdatum genoemd. Annonce voor Jan Sint in het Utrechts Volksblad van 27 en 28 mei 1940Zijn familie heeft het lichaam van Jan snel laten overbrengen naar Zaandam, getuige ook een dankbetuiging die de familie begin juli in de krant liet plaatsen. Het lichaam van Matheus Tak werd op 30 juli aangetroffen in de rivier bij Sliedrecht. De aangifte van overlijden werd pas op 6 december 1940 gedaan in Eindhoven waar hij voor zijn overlijden woonde. Tak vond uiteindelijk zijn laatste rustplaats op Ereveld Loenen. Hendrik Willem de Vries Danil werd begraven in Boven-Hardinxveld en daar is nog steeds zijn graf te vinden. Naar het schijnt zijn de ouders van Hendrik naar Boven-Hardinxveld verhuisd om dicht bij het graf van hun zoon te zijn. Het stoffelijk overschot van Andries Hamel werd op 23 mei gevonden in een haven bij Dordrecht. Hij is daar begraven op een noodbegraafplaats waar meer gesneuvelden van de meidagen werden begraven. In 1948 is Hamel met militaire eer herbegraven op het kleine kerkhof van Loosduinen bij Den Haag. Op dezelfde dag als Hamel, 23 mei 1940 (andere bronnen melden 23 september), werd het lichaam van Jan Hoek uit de rivier gehaald bij Sliedrecht. Daar is hij ook begraven. Op verzoek van zijn weduwe werd het stoffelijk overschot in oktober 1940 overgebracht naar Katwijk aan Zee. In 1969 werden de resten overgebracht naar het ereveld in Loenen. Het grafmonument van Romijn op de Oosterbegraafplaats in VoorburgIn augustus 1940 werd het lichaam van Johannes Romijn nabij Sliedrecht geborgen. Romijn is begraven op de Oosterbegraafplaats In Voorburg.

Toen in maart 1941 op aandrang van de beroepsvaart en vissers het wrak dat in de vaargeul lag gelicht werd, vond men het lichaam van Gerrit Aartsen in het voorruim. Het moet Aartsen zijn geweest die men bij de reddingspoging nog had horen tikken tegen de wand van het schip. Het stoffelijk overschot van Aartsen werd eerst begraven in Sliedrecht, maar op 31 maart werd hij overgebracht naar de nieuwe Algemene begraafplaats in Baarn. Later is Aartsen begraven op het Ereveld in Loenen.

Eerbetoon en gedenkstenen

Het complete monument met links het gedenkteken voor Bruinzeel en rechts dat van GroeneveldNadat de eerste oorlogsdagen voorbij waren, werd door dienstmakkers van de gesneuvelde Rode Kruis-soldaten een comité in het leven geroepen met het doel een eenvoudig herdenkingsmonument voor hen op te richten. Het monument zou een plaats moeten krijgen op het graf van de soldaten in Sliedrecht. Op zaterdag 13 september 1941 werd het monument onthuld in het bijzijn van familieleden van de gesneuvelden, het dagelijks bestuur van de gemeente en dat van het Nederlandse Rode Kruis. Volgens het bericht in de krant was het monument van hardsteen en was er in de steen een Rode Kruis-teken uitgehouwen met daaronder de tekst:

Ter nagedachtenis aan:

A.J. Bex, pl. Comm.

G. Aartsen

J. Bruinzeel

M.K. de Graaf

J. Groeneveld

A. Hamel

J. Romijn

J. Sint

M. Tak

H. de Vries Danil,

die op 11 mei 1940 als ploeg-commandant en helpers in dienst van het Nederlandsche Roode Kruis den dood vonden op de Merwede bij Werkendam.

Het in rood graniet uitgevoerde gedenkmonument op de begraafplaats in SliedrechtHet herdenkingsmonument zou gemaakt zijn door een transportcolonnist van het Rode Kruis. De tekst is vandaag de dag nog steeds te lezen op het monument op de begraafplaats van Sliedrecht. Of het huidige monument nog hetzelfde is, staat niet vast. Op de herdenkingsplek staat een rood granieten stèle op een grof behakt basement. Het Rode Kruis-teken is in de stèle opgenomen, maar betreft een los onderdeel van graniet dat anders bewerkt is zodat het rood feller overkomt en meer opvalt. Het monument staat tussen een smeedijzeren hekwerk dat op een bakstenen rollaag is geplaatst met daarbinnen zwart grit. Links en rechts, voor het monument staan twee tekstplaten voor de slachtoffers Bruinzeel en Groeneveld. De hardstenen platen bevatten een getrapte bovenzijde en boven de tekst is een palmtak opgenomen. Jan Hoek wordt als soldaat Vaartuigendienst niet herdacht op het monument.

Ambrosius Bex wordt ook vermeld op een gedenksteen in de gang van het Rode Kruis-gebouw aan de Cortenstraat in Maastricht. Mattheus Tak wordt tevens herdacht in de eregalerij van de Stichting Herdenking Brabants Gesneuvelden in Waalre. Romijn en De Vries Danil staan genoemd op een gedenkplaquette in het voormalige raadhuis van Leidschendam en op het Monument voor Vrede en Vrijheid in Park Sytwende aan de Rodelaan in Voorburg. Alle namen van de destijds omgekomen soldaten zijn ook vermeld op een herdenkingsplaat in het oude Rode Kruis-gebouw in Den Haag.

 

Literatuur

  • Liempt, Ad van en Margot van Kooten, Hier om te helpen: 150 jaar Nederlandse rode Kruis, Uitgeverij Balans, Amsterdam 2017
  • Onthulling monument gevallen Roode Kruissoldaten, in: Nieuwsblad het land van Heusen en Altena de Langstraat en de Bommelerwaard, 17 september 1941

 

Internet

  • Wilhelminasluis: 11 mei 1940 Ramp op de Merwede (geraadpleegd 5 juli 2020)
  • Oorlogsgravenstichting over Mattheus Tak (geraadpleegd 14 juni 2020)