Noord-Brabant

Tilburg – Begraafplaats Heike

 

De stad Tilburg kreeg in 1809 stadsrechten verleend door Lodewijk Napoleon. Begin negentiende eeuw was er inderdaad sprake van een centrum, maar eigenlijk was Tilburg vooral een verzameling van historisch aaneengegroeide buurtschappen. In Midden-Brabant werden deze buurtschappen ook wel herdgangen genoemd. De belangrijkste voor Tilburg waren Veldhoven, Korvel en Heuvel, alle verbonden door lange linten met bebouwing. Centraal lag het buurtschap De Kerk, genoemd naar de parochiekerk van ’t Heike die hier al in de middeleeuwen was gewijd aan Sint Dionysius. Bij de kerk werd begraven waarmee dit waarschijnlijk de oudste locatie is waar in Tilburg de doden hun laatste rustplaats vonden.

Aan het begin van de negentiende eeuw telde Tilburg meer dan 8.000 inwoners en alle begrafenissen vonden nog plaats op het oude kerkhof. Dat dit leidde tot ongewenste taferelen werd al in 1795 geconstateerd, maar het zou nog tot 1810 duren voordat er daadwerkelijk stappen ondernomen werden om de situatie te verbeteren.

Ontstaan als algemene begraafplaats

In 1810 ontving de door Napoleon benoemde burgemeester Martinus van Dooren een bericht van de prefect van het departement Bouches du Rhin, waartoe ook Tilburg behoorde. Het bericht betrof de begraafpraktijk in de stad. De prefect sommeerde Van Dooren om buiten de stad een geschikte plek te vinden voor een nieuwe begraafplaats, liefst hooggelegen. Van Dooren was zich terdege bewust van de situatie en liet de prefect weten dat hij al een perceel op het oog had, maar dat nog niet had kunnen bemachtigen. Niet veel later lukte het hem het perceel te kopen en zo kon Tilburg in 1811 beginnen met de aanleg van een nieuwe begraafplaats. De aankoop van het terrein, gelegen “in Den Schyff”, ten westen van de stad, kostte de gemeente 2.000 franc. De afmetingen van het aangekochte perceel bedroegen 160 bij 40 meter, zo’n 6.400 m2. Hoewel nu een geschikt terrein gevonden was, werd er pas voor het eerst begraven eind december 1813. Toen vond op 21 of 22 december de begrafenis plaats van Bartel Mombers (1742-1813) die eerder voor de burgemeester de grond had aangekocht. Naar verluid werd de nieuwe begraafplaats omringd door een beukenhaag en populieren.

Het 'kerkhof' op de kadastrale tekening van ± 1830.Het 'kerkhof' op de kadastrale tekening van ± 1830.

Met het in gebruik nemen van de nieuwe begraafplaats werd het oude kerkhof gesloten. In 1829 kwam er ter plekke een nieuwe kerk tot stand, maar tot 1845 veranderde er vooralsnog weinig aan het kerkhof. Daarna werd hier de markt aangelegd en kreeg de omgeving van de kerk een geheel ander aanzien.

Eerste jaren

De ingang van de oorspronkelijke begraafplaats lag aan de kant van wat toen de Lange Schijfstraat heette, nu de Noordhoekring. Het was de katholieke parochie evenwel een doorn in het oog dat men gebruik moest maken van een algemene begraafplaats en niet een eigen begraafplaats had. Toen bij de schuurkerk in het Goirke ten noorden van de stad in 1816 een kerkhof werd aangelegd, werd de kwestie alleen maar meer urgent. Pas nadat de bouw van de nieuwe kerk in het Centrum niet meer zoveel aandacht van hem eiste, ondernam pastoor Duchamps (1748-1832) een poging om een deel van de begraafplaats over te nemen. Bij de geheel uit katholieken bestaande gemeenteraad vond de pastoor een gewillig oor. Geoordeeld werd dat het algemene deel best een stuk kleiner kon en daarop werd in 1830 het westelijke deel van de begraafplaats overgedragen aan de parochie ‘t Heike. De overname betrof bijna 4.800 m2, waardoor een kleine 1.100 m2 resteerde voor het algemene deel van de begraafplaats.

In 1822 had de kleine hervormde gemeente overigens bij hun nieuwe kerk een eigen kerkhof aangelegd. Die hervormde kerk was niet ver van de katholieke kerk gebouwd en toen kerk en begraafplaats klaar waren, werd in 1823 de grote kerk door de hervormden teruggegeven aan de katholieke parochie. De hervormden kregen wel nog de boodschap mee dat het niet de bedoeling was om ook in de kerk te begraven, maar het kerkhof werd gedoogd. Dat zou niet lang duren, want met het provinciale besluit om het begraven binnen de bebouwde kom met ingang van 1 januari 1829 te staken, had de gemeente weinig moeite om het kleine hervormde kerkhof te sluiten. Er hadden in de tussentijd twaalf begravingen plaatsgevonden. Nu moest de hervormde gemeente weer gebruik maken van de nieuwe begraafplaats op de Schijf.

Bij de hervormde kerk, hier op een foto uit 1966, lag een klein kerkhof (foto Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)Bij de hervormde kerk, hier op een foto uit 1966, lag een klein kerkhof (foto Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

De begraafplaats was al in 1826 zo’n 600 m2 kleiner geworden. Toen werd namelijk een klein deel van de begraafplaats in de zuidwestelijke hoek ingeleverd om de aanleg van de Bredaseweg mogelijk te maken. Die weg maakte deel uit van het nationale wegenplan dat onder Koning Willem I in gang was gezet. De weg kwam gereed in 1826.

In 1832 vond de formele overdracht van de grond plaats waarbij de parochie een bedrag van 580 gulden aan de gemeente moest betalen. Een deel van dat geld was bedoeld voor de scheidingshaag tussen de twee delen. Mogelijk dat het geld voor de aankoop van een gift kwam van Thomas van Dooren (1754-1836) die samen met zijn vrouw een fors graf op de begraafplaats heeft. Het graf is omgeven door een hekwerk tussen bakstenen pijlers met daarbinnen een centraal geplaatst grafmonument.

Eerste uitbreidingen

In 1834 bedacht de opvolger van pastoor Duchamps, pastoor Zwijsen (1794-1877), dat Tilburg snel meer ruimte nodig zou hebben om te begraven. Om voldoende grond in reserve te hebben, liet hij aan de zuidzijde de percelen tussen de begraafplaats en de Bredaseweg aankopen. Ook wist hij de hand te liggen op het perceel ten noorden van de begraafplaats. In 1836 werd ook de bermsloot langs de Bredaseweg aangekocht, te weten een stuk van 4 meter breed en 180 meter lang. Het perceel ten noorden van de begraafplaats dat nog niet in handen was, werd in 1859 aangekocht. In 1866 werd nog meer grond verkregen zodat ruim 2 hectare grond voorhanden was.

In 1864 werd op het deel ten noorden van de oorspronkelijke begraafplaats gestart met de aanleg van een calvarieberg. Het benodigde zand voor de hoge heuvel werd door enkele boeren gratis aangevoerd. Na voltooiing van de berg werd door een lokale ijzer- en staalhandel het kruisbeeld met corpus geplaatst. Niet veel later zullen ook de beelden van Maria en Johannes toegevoegd zijn waardoor een volwaardige calvariegroep ontstond. De calvarieberg werd ook de locatie waar resten die bij graafwerkzaamheden bij de oude kerk naar boven kwamen, herbegraven werden.

De opvallend hoge calvarieberg in 1996 (foto Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)De opvallend hoge calvarieberg in 1996 (foto Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Het ligt voor de hand dat de katholieke begraafplaats al snel na 1832 haar toegang verplaatste naar de kant van de Bredaseweg. De percelen aldaar waren immers al in 1834 aangekocht. De toegang tot het algemene deel bleef aan de toenmalige Lange Schijfstraat. Pas later zou de buitenzijde van de begraafplaats en de ingang verfraaid worden.

Katholiek en hervormd

In 1874 verzocht de hervormde gemeente in Tilburg om het algemene deel aan te mogen kopen. In de volksmond heette dit deel al decennia het Gereformeerde kerkhof. De gemeente willigde het verzoek in en kocht als vervanging van het algemene deel een bijna even groot perceel bij de in 1873 aangelegde begraafplaats St. Jozef op den Heuvel in het oosten van de stad. In 1875 werd het plan goedgekeurd door Gedeputeerde Staten en konden katholieken en hervormden samen hun doden begraven aan de Bredaseweg. De mate waarin was wel heel verschillend. Zo werden in 1882 167 begravingen geteld op ’t Heike en 12 op de hervormde begraafplaats. In 1886 waren die aantallen respectievelijk 194 en 21. Het gezamenlijk begraven zou duren tot 1930 toen de hervormden een nieuwe begraafplaats lieten aanleggen aan de Gilzerbaan. Begraafplaats Vredenhof werd tegelijk aangelegd met een nieuwe gemeentelijke begraafplaats. Beide bestaan nog steeds.

Op een plattegrond uit 1934 van de stad Tilburg is goed te zien dat de begraafplaats twee delen kende.Op een plattegrond uit 1934 van de stad Tilburg is goed te zien dat de begraafplaats twee delen kende.

Verfraaiing begraafplaats

Na het aantreden van pastoor Van der Lee (1825-1891) in 1871 startte een periode waarin de begraafplaats in de stad veel meer zichtbaar werd. In 1887 liet Van der Lee aan de kant van de Bredaseweg een nieuw hekwerk aanbrengen. Ook de ingang werd geheel vernieuwd. Het hekwerk bestaat uit een lage schansmuur met hardstenen ezelsrug, om de 10 meter onderbroken door een forse bakstenen pijler op een hardstenen basement. Tussen de pijlers en op de lage muur zijn telkens smeedijzeren hekdelen aangebracht, onderbroken door smalle gietijzeren pijlers die voorzien zijn van neogotische hogels. Ook de bakstenen pijlers zijn fraai uitgewerkt met dubbele pilaren op de hoeken en een zware hardstenen afdekking. Of er meteen al beelden op de pijlers zijn geplaatst is niet duidelijk, maar uiteindelijk stond er eind negentiende eeuw een complete rij met gietijzeren heiligenbeelden. Bij de terug gelegen toegang waarin een fors smeedijzeren hekwerk is aangebracht, werden ter weerszijden twee apocalyptische engelen geplaatst. In 1892 werd rechts van de ingang het beeld van Johannes de doper geplaatst. De meeste beelden werden geschonken door devote parochianen. Na voltooiing van het hekwerk was er plaats voor 20 beelden. De meeste beelden werden geleverd door de firma Janssen & Co, die ook de beelden bij het kerkhof van ’t Goirke leverde. In 1903 werd het laatste beeld geplaatst, dat van de Heilige Catharina. Na de bouw van het hekwerk werd langs de toenmalige Lange Schijfstraat een wat eenvoudigere schansmuur gebouwd.

De ingang van de begraafplaats in 1906 nadat de verfraaiing voltooid was.De ingang van de begraafplaats in 1906 nadat de verfraaiing voltooid was.

Nabij het destijds hervormde gedeelte werd waarschijnlijk eind negentiende eeuw ook een gebouw geplaatst dat naar verluidt diende voor de priesters om zich om te kleden en om noodzakelijke spullen voor een uitvaart op te slaan. Er heeft ook ooit een lijkenhuisje gestaan op beide begraafplaatsen. In krantenberichten wordt een lijkenhuisje genoemd en in 1909 wordt er zelfs gesproken van een nieuw lijkenhuis op het kerkhof met operatiekamer. Dat laatste zal ongetwijfeld niet bedoeld zijn voor operaties, maar om een schouw op het lichaam te kunnen uitvoeren. Overigens constateerde een bezoeker van de begraafplaats in die tijd dat het huisje als een kippenhok werd gebruikt. De Tilburgse auteur Cees van Raak stelt dat het huidige huisje nooit gebruikt is al lijkenhuisje, maar het is niet uit te sluiten dat dit wel het geval was. Vandaag de dag is het huisje ingericht als gedachteniskapel. Hier kunnen nabestaanden en bezoekers een kaarsje aansteken ter nagedachtenis aan de overledenen.

Uitvaarten waren vaak een bezienswaardigheid waarvoor iedereen wel even de straat opkwam om de laatste eer aan de overledene te tonen. Zeker bij belangrijke uitvaarten werden straatlantaarns ontstoken en werden ze omwikkeld met rouwdoeken. Ook werden klokken geluid en bewoners werd gevraagd de luiken of de gordijnen te sluiten. Uitvaarten waren vaak ook goed hoorbaar, want aan de lijkstoet ging vaak de harmonie vooraf en menigmaal werd bij het graf gezongen. In de kranten werd uitvoerig verslag gedaan van hoe groot de stoet was, welke verenigingen meeliepen en wie er bij het graf spraken.

Na de Tweede Wereldoorlog

In Tilburg waren al voor de Tweede Wereldoorlog plannen om twee grote begraafplaatsen in te richten en de overige te sluiten, waaronder ‘t Heike. Er waren inmiddels in de stad verschillende parochie- en kloosterbegraafplaatsen aangelegd. Na de Tweede Wereldoorlog koerste de gemeente Tilburg nog steeds op het plan om een grote begraafplaats aan te leggen. In de jaren zestig had de parochie die begraafplaats ’t Heike beheerde daar geen problemen mee, omdat toen al de exploitatiekosten hoger waren dan de inkomsten. Bedoeling was dan om een groot deel van de begraafplaats te gebruiken voor het zich uitbreidende wegenstelsel rond het centrum van Tilburg.

Zover kwam het niet, maar in 1958 bleek uit de eerste tekeningen dat een gedeelte van de begraafplaats in de zuidoostelijke hoek wel degelijk opgeofferd zou moeten worden. De gemeente wilde de Lange Schijfstraat verbreden als onderdeel van een veel groter verkeersplan. In 1961 liet de Hervormde gemeente weten dat hun gedeelte te koop was, maar dat de gemeente de kosten diende te dragen voor het overbrengen van 17 graven naar de nieuwe begraafplaats aan de Gilzerbaan. In 1967 werd ook een flink stuk van het katholieke deel geruimd en daarna werd een nieuw hek geplaatst. Nabij de gedachteniskapel, die nu bijna op de perceelsgrens staat, werden nog enkele bakstenen pijlers opgetrokken waarop weer de gietijzeren beelden werden geplaats. De Lange Schijfstraat werd nu omgedoopt tot Noordhoekring. In totaal was de begraafplaats zo’n 2.000 m2 kleiner geworden.

Beeld van de ontruiming in 1967 van het deel waar nu de Noordhoekring loopt (foto Rien Siers)Beeld van de ontruiming in 1967 van het deel waar nu de Noordhoekring loopt (foto Rien Siers)

Bescherming

Door het aanzien van de pijlers met de beelden werd de begraafplaats in de volksmond al snel ‘het kerkhof met de beelden’ genoemd. Na de Tweede Wereldoorlog liep de aandacht voor de katholieke kerk en het erfgoed snel terug. Bij een perceel aanpassing aan de westzijde, ter verbreding van de straat aldaar werd het beeld van de heilige Michael opgeofferd. Vijf andere beelden verdwenen voor de hiervoor genoemde aanleg van de Noordhoekring. In 1964 werden de beelden door een sloper van hun sokkels gehaald. Ze werden vooralsnog niet omgesmolten maar opgeslagen. In 1972 kwam in de gemeenteraad de verbreding van de Bredaseweg ter sprake. Het hekwerk van de begraafplaats zou daartoe naar achteren geplaatst moeten worden, waarbij wel de nog resterende beelden teruggeplaatst zouden worden. De motie haalde het niet. Een bewonerscomité had onder de leus ‘Heiligen gaan niet naar de hel’ veel aandacht weten te genereren voor het behoud en herstel van de beelden. De actie had succes want de gemeente draaide de plannen terug, stelde geld beschikbaar voor de resterende 14 beelden en de 5 reeds verkochte beelden werden weer teruggekocht. In 1974 waren er weer 19 beelden. Eén beeld keerde pas in 1999 terug.

Het belang van de beeldengalerij werd inmiddels ook door de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg ingezien. In 1976 werd de calvarieberg met beelden en het complete hekwerk ingeschreven in het register van rijksmonumenten. Daarmee was duidelijk dat deze onderdelen van groot belang zijn, met name de beeldengalerij.

De beeldengalerij langs de Bredaseweg levert ook vandaag de dag nog een indrukwekkend plaatje op.De beeldengalerij langs de Bredaseweg levert ook vandaag de dag nog een indrukwekkend plaatje op.

De bescherming van de begraafplaats of onderdelen daarvan was nog niet compleet, want de status van veel van het beschermde funeraire erfgoed in Tilburg is te danken aan het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Dit project werd in Tilburg aangegrepen om het funeraire erfgoed van vóór 1940 in kaart te brengen. Tientallen grafmonumenten werden gefotografeerd en beschreven. Dit leidde voor ’t Heike tot de aanwijzing van nog eens 25 grafmonumenten. Dat zijn niet per se de meest bijzondere grafmonumenten, want de kennis van het funerair erfgoed was in de jaren negentig nog niet zo dat alle bijzondere grafmonumenten ook de status van rijksmonument kregen.

Enkel voorbeelden van grafmonumenten

Onder de vele grafmonumenten op de begraafplaats bevinden zich fraaie exemplaren. Ook in de negentiende en begin twintigste eeuw wist men dat de geplaatste grafmonumenten waardevol waren. Dat blijkt uit verschillende artikelen in de krant die telkens als er weer een groot grafmonument werd geplaatst, daarover schreven. Steenhouwers als Victor Barette, Leandre Petit, firma Van Bokhoven en Jan Custers werden veelvuldig genoemd. Niet alleen de onthullingen werden uitvoerig beschreven, maar ook de vormen van het geleverde grafmonument en de materialen waarin het was uitgevoerd.

Wie vandaag de dag de begraafplaats oploopt, ziet al meteen langs het hoofdpad richting de calvarieberg een aantal grote en bijzondere grafmonumenten. Direct rechts ligt een groot monument dat bestaat uit een wat vreemde tombe met een schuin geplaatste deksteen. Dit deel is vervolgens tegen een basement geplaatst met daarop een opstand waarin op de hoeken heiligenbeelden zijn opgenomen. Het front van de opstand is voorzien van het wapen van hier begraven persoon gehele omgeven door lauwertakken. Subtiel onder de lauwertakken hangen een aantal onderscheidingen waaronder een pauselijke. De opstand wordt bekroond door een aanzet voor een hoog kruis, maar dat is helaas verdwenen en niet teruggeplaatst. Het monument ligt over meerdere graven, maar is voor twee personen. Als eerste werd hier bijgezet Maria Francisca Jacoba Smits (1840-1906). Zij was in 1862 weduwe geworden en trad in 1864 in het huwelijk met Wilhelmus Petrus Adrianus Mutsaers (1833-1907). Mutsaers was textielfabrikant en directeur van de wijnhandel Mutsaers-Bogaers en genoot veel aanzien. In 1868 werd hij lid van Provinciale Staten, in 1874 gedeputeerde en in 1889 lid van de Tweede Kamer. Van 1901 tot 1907 was hij bovendien burgemeester van Tilburg. Op de geprofileerde deksteen is een flinke tekst, inmiddels minder goed leesbaar, opgenomen waarin beider namen, verdiensten en titels worden opgesomd. Het fraaie monument werd in 1908 vervaardigd door M. van Bokhoven & Zn. Uit Den Bosch en is in 2002 aangewezen als rijksmonument. Op de rand rondom het monument stond ooit een gietijzeren hekwerk.

Het grafmonument voor het echtpaar Mutsaers-Smit vlakbij de ingangHet grafmonument voor het echtpaar Mutsaers-Smit vlakbij de ingang

Even verderop staat een opvallende grafkapel, dit keer voor de familie Mutsaerts. Dit is eveneens een rijksmonument en terecht, want in uitvoering en voorkomen is de kapel vrij uniek in Nederland. De eerste die hier bijgezet werd in de grafkelder was Frans Mutsaerts (1833-1901), fabrikant van wollenstoffen. Nadien zijn nog 11 familieleden bijgezet. Het ontwerp is van atelier Salu in Brussel en uitgevoerd door de firma Petit uit Tilburg. Opvallend in het neoclassicistische ontwerp zijn de rondvensters aan alle zijden met daarin prachtige glas-in-loodvensters. De hoge kapel kent fraaie details, maar vooral bijzonder is de granieten afwerking van de hoekzuilen. Graniet werd begin twintigste eeuw maar zelden toegepast in grafmonumenten. Ondanks een restauratie in 1994 is te zien dat de kapel door de jaren heen behoorlijk te lijden heeft gehad.

De fraai uitgevoerde grafkapel voor de familie Mutsaerts.De fraai uitgevoerde grafkapel voor de familie Mutsaerts.Een heel bijzonder grafmonument is dat voor Vincent Verbunt (1858-1885) en familie. In 1844 vestigde Josephus Antonius Verbunt (1822-1878) zich in Tilburg met een handel in wijn, gedestilleerd en tabak. De wijnhandel bleek lucratief en ook Vincent was werkzaam in het familiebedrijf. Het monument voor hem en zijn ouders bestaat uit drie relatief eenvoudige tombes met hardstenen zerken. Op de middelste is bij het hoofeind voor Vincent een grafkransenkast geplaatst, geheel vervaardigd uit hardsteen. Aan de voorzijde is een glasplaat aangebracht en in de kast bevinden zich drie metalen kransen. De kast is opgevat als een Griekse tempel, bekroond met een timpaan en acroteria. Centraal in het timpaan is een fotoportret opgenomen en boven op een kruis. In 2015 zijn de geheel vervallen kransen uit de kast gehaald en naar het restauratieatelier van de stichting Graftrommels in Nederland in Veenhuizen gebracht. De restauratie was zeer bewerkelijk omdat er geen voorbeeld was van de gave kransen. Mede door inzet van de stichting Funerair Erfgoed Tilburg is de restauratie tot stand gekomen. Helaas is dit monument destijds niet aangewezen als rijksmonument.

De grafkransenkast op de grafzerken van de familie Verbunt.De grafkransenkast op de grafzerken van de familie Verbunt.

Van de eerdergenoemde firma Janssen & Co. is op de begraafplaats nog een monument te vinden. De firma werd geleid door Caroline van Kalken-Janssen (1840-1895), samen met haar oudste zoon Gus (1865-1920). Op het graf van Caroline werd een gietijzeren afgeknotte obelisk geplaatst met boven op een engel. De obelisk bevat een meegegoten tekst en diverse funeraire symbolen, zoals een lauwerkrans met alfa en omega, een gevleugelde zandloper en een pleurant. De hardstenen platen voor de teksten van later bijgezette familieleden zijn inmiddels losgeraakt.

Katholieke identiteit

Op de begraafplaats is een grote verscheidenheid aan andere grafmonumenten te vinden. Engelen, kruisen, Christuskoppen en talloze andere symbolen geven vorm aan de katholieke identiteit van Tilburg in de late negentiende en vroeg twintigste eeuw. De vormgeving, materiaalkeuze en symbolen duiden op een welvarende gemeenschap die zich goed bewust was van hoe ze ook na hun dood onder de aandacht konden blijven. Uiteraard zijn er grafmonumenten met een geheel eigen verhaal, zoals dat van Marietje Kessels. Dit 11-jarige meisje werd in 1900 verkracht en vermoord waarna haar lichaam in de kerk boven in het verwulfsel (de ruimte tussen de gewelven en het dak) van het schip werd aangetroffen. Het grafmonument voor haar is doorspekt met dramatiek. Ook op andere graven staan zich aan het kruis vasthoudende engeltjes of vrouwen in breed uitwaaierende gewaden. De eerste zijn vaak op kindergraven te vinden, de tweede op graven voor volwassen.

Al met al vormt ’t Heike als oudste nog bestaande begraafplaats van Tilburg een uitgebreide staalkaart van wat twee eeuwen katholiek begraven met zich brengt.

 

Header: De ingang van de begraafplaats in 1993 (foto Paul van Galen, Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

 

Literatuur

  • Leyborgh, Gerard van; Iets omtrent de Kerk van ’t Heike 3, in: Nieuwe Tilburgsche Courant, 12 februari 1927
  • Raak, Cees van; In den Schijff. Begraafplaats Binnenstad Tilburg, Tilburg 2002
  • Raak, Cees van; De oude begraafplaatsen van Tilburg, in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jaargang 9, nr. 3, september 1991
  • Zutphen, F. van; Inventarissen van de archieven van de parochies Tilburg 1600-1797 (1810), H. Dionysius Goirke (ca. 1675) 1797 – 1982, H. Dionysius Heike (1794) 1797 – 1977, Gemeentearchief Tilburg, 1991

 

Internet

  • Parochie De Goede Herder (begraafplaatsen) (geraadpleegd 24 april 2022)
  • Over de Bredaseweg (Tilburg) op Wiki Midden-Brabant (geraadpleegd 24 april 2022)