Moord en doodslag

Burgum - Een lugubere vondst

 

Iedere onderzoeker doet wel eens een toevallige vondst. Soms heeft die vondst helemaal niets te maken met het doel van je onderzoek. Zo viel mijn oog op een negentiende-eeuwse overlijdensakte. Op 21 maart 1846 verscheen Sijtze Brouwer (1809-1871), genees- heel- en vroedmeester te Bergum, op het gemeentehuis van Tietjerksteradeel.

Brouwer verklaarde het volgende:

‘dat op den zeventienden dag dezer maand maart, des voormiddags ten tien uren op het kerkhof te Bergum is gevonden het lijkje van een kind, gewikkeld in een zwart lijkkleedje, benevens een katoenen hembdje, alsmede in de nabijheid van hetzelve eene oude spanen doos, voorzien van een band, waarin hetzelve lijkje zou hebben gelegen; voorts dat hetzelve lijkje moet zijn van een pasgeboren, voldragen kind, zonder bijzondere kenteekenen, doch zoodanig verminkt, dat de kunne (het geslacht) van hetzelve niet zigtbaar is. Welk kind alzoo als levenloos is ingeschreven.’

Artikel in het Algemeen Handelsblad van 21 maart 1846 over het voorval.Een ernstig verminkte baby op het kerkhof van de Burgumer Kruiskerk. Het moet een lugubere vertoning geweest zijn. Was dit het werk van een psychopaat? Of van een ernstig verwarde vader of moeder? Uit het nevenstaande krantenbericht blijkt de zaak heel anders in elkaar te zitten.

Geen psychopaat dus, maar verwilderde honden die instinctief groeven op het kerkhof. Vermoedelijk roken de honden het lijkje omdat het niet diep genoeg was begraven. Met deze kennis is het wel opvallend dat geneesheer Brouwer aangifte deed van het overlijden van iemand die overduidelijk al eens eerder begraven (en dus ook aangegeven) was. Misschien dacht Brouwer er goed aan te doen om de gangbare procedure bij een ‘normaal’ overlijden te volgen.

Het kerkhof aan de koorzijde van de kerk te Bergum voor 1900 (foto Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).Over de identiteit van het kindje wordt in de overlijdensakte niets gezegd. Maar dat hoeft nog niet automatisch te betekenen dat die nooit bekend werd; ik heb wel eens eerder een overlijdensakte gelezen van een onbekend persoon, waarvan de identiteit na de aangifte bekend werd, zonder dat de akte werd gecorrigeerd.

Misschien is het mogelijk om de identiteit met terugwerkende kracht te achterhalen. We moeten daarvoor zoeken in de historische Burgerlijke Stand van Tietjerksteradeel naar een heel jong kindje dat kort hiervoor overleed in Burgum. Er blijkt slechts één persoon aan dit signalement te voldoen: Janneke Baukes Visser, overleden op 9 maart 1846, zes dagen oud. Zij was de jongste in het arbeidersgezin met vijf kinderen van Bauke Gerrits Visser (1803-1857) en Sjoukje Jans van der Meulen (1803-1874). Zouden zij geweten hebben dat hun dochtertje kort na de begrafenis werd opgegraven en verslonden door honden? Laten we maar hopen van niet. De herbegrafenis vond plaats op de Leeuwarder Oude Stadsbegraafplaats, in het veld van vrijgegeven lijken door justitie.

 

Dit artikel is ook gepubliceerd in De Sneuper 135, orgaan van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland, 32e jaargang nr. 3.


© 2020 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.