Moord en doodslag

De moord op Frederick Marius Bogaardt

 

Op de gemeentelijke begraafplaats in Brummen staat een bijzonder grafmonument. Binnen een gietijzeren hekwerk is een opvallende overkapping aangebracht over een tombe met aan het hoofdeind een marmeren beeld van een vrouwenfiguur dat met beide armen een gebroken zuil omvat.

Het kasteel Groot Engelenburg in 1967 (foto Beeldbank RCE).Het grafmonument werd niet lang na 1880 opgericht voor Frederick Marius Bogaardt, de zoon van de vermogende planter Frederick Bogaardt (1835-1902) en Maria Elizabeth van der Schalk (1836-1910). Het gezin Bogaardt was in 1873 naar Nederland teruggekeerd vanuit Soerabaja waar Frederick niet alleen een goedlopende plantage had, maar waar hij ook firmant was van het Handelshuis Fraser, Eaton & Co. In 1877 had Bogaardt het kasteel Groot Engelenburg bij Brummen gekocht. Daar ging het gezin echter niet wonen, want in Den Haag werd een luxe villa betrokken op de hoek van de Sophialaan en het Plein 1813. Er waren drie kinderen, Louise Isabelle (1864), de hierboven al genoemde Frederick Marius (1867), roepnaam Marius, en Marie Julie (1874). In 1869 was overigens nog een jongen geboren, maar die was hetzelfde jaar gestorven. Over de meisjes is niet veel bekend, maar over zoon Marius des te meer. Dat komt omdat Marius op 23 september 1880 werd ontvoerd en vermoord. De gebeurtenis deed veel stof opwaaien in Nederland en de kranten stonden er in de weken daarna vol van.

Wat er gebeurde

Portret van Marius door Johan Heinrich Neuman uit 1881 (bron: RKD).Marius ging op school op het elitaire Haagse Instituut Bouscholte, dat toen gelegen was op de hoek van de Koninginnegracht en wat nu heet de Dr. Kuyperstraat. Op 23 september werd in de middag bij de school aangebeld door een man in een huurkoets met de boodschap dat hij Marius kwam ophalen. Hij vertelde aan de dienstbode dat zijn vader op hem wachtte. De dienstbode gaf de boodschap door aan de leraar die vervolgens de jongen uit de les liet gaan. Het kwam wel vaker voor dat een leerling voor het eind van de schooldag werd opgehaald, dus leek er niets aan de hand. Marius had ook nog, volgens de dienstbode, gezegd dat hij de meneer wel kende en stapte samen met hem in de klaarstaande koets. Die vertrok daarop richting Scheveningen. Naar later bleek heeft de koetsier de man samen met Marius afgezet langs de Laan van Meerdervoort waarop beiden richting de duinen waren gelopen. Daar in het Dekkersduin, op de plek die nu bekend staat als het Nachtegaalplein, bracht de man Marius om het leven. De dader had eerder, zeker van zijn zaak, al een losgeldbrief op de post gedaan geadresseerd aan Frederick Boogaard. De brief die met de avondpost bezorgd werd, bevatte de eis dat zijn zoon tegen een losgeld van 75.000 gulden vrijgelaten zou worden. De vader moest zijn dienstbode de volgende namiddag over de Hoefkade laten lopen met het geld in een bruine envelop in de hand. Een tussenpersoon zou de envelop dan in ontvangst nemen. Meteen na het lezen van de brief deed Bogaardt aangifte bij de officier van Justitie, die hij goed kende. Daarop werden gelijk alle maatregelen genomen om de jongen en zijn ontvoerder op te sporen. Uit het relaas van de koetsier, die al snel gevonden werd, bleek waar men het zoeken moest beginnen. Het gehele duingebied rondom het Dekkersduin werd uitgekamd. Pas de volgende dag werd het lichaam van de jongen gevonden door duinwachters. Marius bleek aan handen en voeten gebonden te zijn en uit een eerste onderzoek bleek dat hij vrijwel direct na zijn ontvoering om het leven was gebracht met minstens twaalf steken met een dun wapen, vermoedelijk een degen.

Nog dezelfde middag werd op basis van het vage signalement dat de koetsier en de dienstbode hadden gegeven door agenten in burger op de Hoefkade een man in de kraag gegrepen. Het was de 24-jarige Willem Marianus de Jongh, een gewezen sergeant in het Koninklijk Nederlands-Indische Leger. De Jongh werkte op dat moment bij het Ministerie van Koloniën en hij ontkende ten stelligste enige betrokkenheid bij de zaak. Na een lang verhoor werd hij wegens gebrek aan bewijs weer heengezonden.

De dader gevonden

De moord op de 13-jarige had ondertussen voor een enorme commotie in Den Haag gezorgd. De politie deed haar uiterste best om de moordenaar te vinden. Mede daarom werd de losgeldbrief in verscheidene kranten afgedrukt in de hoop zo achter de dader te komen. Ondertussen loofde Bogaardt een premie van 10.000 gulden uit voor het aanhouden van de moordenaar van zijn zoon.

Een blad met de losgeldbrief en andere details over de moord, gemaakt in 1880 (bezit Rijksmuseum)Jacques de Bergh, een kritisch journalist, was het opgevallen dat de schrijver van de brief in het woord ’s-Gravenhage een koppelteken gebruikte. Vandaag de dag is dit de gewoonste zaak van de wereld maar destijds was dit zeer ongebruikelijk. In de krant “De Amsterdammer” vestigde hij hier de aandacht op en dit werd gelezen door Emile Auguste Musquetier, een sergeant bij het leger. Deze meldde zich vervolgens bij De Bergh en liet hem een aantal brieven zien van een vriend, W.M. de Jongh, met wie hij samen in Nederlands-Indië had gediend. In die brieven gebruikte De Jongh consequent het koppelteken in de plaatsnaam ’s-Gravenhage wat voor beiden voldoende reden was om hiervan aangifte te doen bij de politie. Omdat het handschrift van de brief niet alleen overeenkomsten vertoonde voor wat betreft het koppelteken, maar ook op andere punten, werd De Jongh opnieuw gearresteerd. Dit keer werd hij in staat van beschuldiging gesteld, waarop De Jongh bekende dat hij Marius om het leven had gebracht. Op 30 december 1880 werd De Jongh veroordeeld tot levenslange tuchthuisstraf.

Ondertussen was er nog wat opzienbarends gebeurd. De bekende schrijver Eduard Douwes Dekker (Multatuli) had zich namelijk daags na de publicatie van de losgeldbrief gemeld bij de politie. Hij deed dit omdat hij vermoedde dat zijn zoon de dader was. Volgens hem was het diens handschrift en vanwege zijn geestelijke gesteldheid achtte Douwes Dekker hem ertoe in staat om een moord te plegen. Toen hij later vernam dat de echte dader was opgepakt reageerde hij in een brief gelaten met de reactie: “Goed, Edu heeft het dus vrijwel zeker niet gedaan. Maar hij moet zich nu niet verbeelden dat het niet-vermoorden van de arme jongen zo’n verdienste is, die hem schoonwast van alle beroerdheid.”

Ondanks de veroordeling van De Jongh werd nog jaren daarna getwijfeld of hij wel de echte dader was. Verdenkingen richtten zich ook op ene Gerrit Kets, de aanstaande echtgenoot van de zus van De Jongh. Dit is echter nooit nader onderzocht en verzoeken om heropening van het onderzoek werden genegeerd.

Begrafenis

In de ochtend van maandag 27 september 1880 vond de begrafenis van Marius plaats op begraafplaats Eik en Duinen in Den Haag. In de kranten van de dag erna werd verslag gedaan van de begrafenis. Er werd melding gemaakt dat zich bij het huis van het gezin al een forse menigte had verzameld die daarna de lijkstoet in stilte vergezelde naar de begraafplaats. De lijkwagen, beladen met zesentwintig kransen, werd aan weerszijden begeleid door schooljongens. Hierachter volgden acht koetsen. Bij het graf sprak dominee Romeny uit Brummen die de droefenis vertolkte van de vele omstanders en de familie. Ook de hoofdonderwijzer van de school waar Marius op zat, sprak enkele woorden en legde een krans bij het graf. Hierna bedankte een vriend van de familie iedereen voor de bewezen eer aan de jongen. Op het graf werd een grafmonument geplaats, dat geschonken werd door de schooljeugd van Den Haag.

Het grafmonument niet lang na plaatsing in 1880 op Oud Eik en Duinen.Niet lang na de moord verliet de familie Bogaardt Den Haag en verhuisden ze naar Groot Engelenburg in Brummen. Eind december 1882 werden de stoffelijke resten van Marius overgebracht naar de algemene begraafplaats in Brummen. In eerste instantie bleef het grafmonument dat op het graf was geplaatst, een marmeren beeld, achter op Oud Eik en Duinen. Later is het eveneens overgebracht inclusief het typisch baldakijn dat boven het grafmonument was aangebracht ter bescherming van het marmeren beeld.

Het grafmonument

Wie de gemeentelijke begraafplaats van Brummen bezoekt, hoeft niet lang te zoeken naar het grafmonument dat voor Marius werd opgericht. Het grafmonument is het rijkst uitgevoerd, gelegen op het negentiende-eeuwse gedeelte van de begraafplaats. Het geheel is omgeven door een gietijzeren hekwerk in neogotische stijl met een dubbel draaihek aan de voorzijde. Het grafmonument zelf bestaat uit twee onderdelen. Direct achter het toegangshekje ligt een eenvoudige marmeren zerk op een roef met daarop een cartouche met hierin in verheven letters het opschrift “GRAFKELDER VAN DE FAMILIE F. BOGAARDT'. Aansluitend op de zerk is een vierkant basement geplaatst met Het grafmonument in 2018.daarop een sokkel waarop een gladde afgebroken zuil is geplaatst. Het basement biedt ook plaats aan een klassiek geklede vrouwfiguur die knielend de zuil met beide armen omklemd. Het hoofd is omhoog geheven met een emotionele blik. De afgebroken zuil staat symbool voor het te vroeg afgebroken leven en de knielende treurfiguur ernaast is een uitdrukking van het intense verdriet dat hierdoor veroorzaakt werd. De sokkel bevat een grafschrift dat als volgt luidt: Ter / gedachtenis / aan / Frederick Marius Bogaardt / geboren 23 mei 1867 / overleden 23 september 1880 / zijne ouders, zusters / en / de schooljeugd van 's-Gravenhage'. Over het basement en tegen de sokkel aan zijn enkele verwelkte bloemen opgenomen waaronder een roos. Het marmeren monument, inclusief de zerk, worden beschermd door een baldakijn met houten tongewelf dat gedragen wordt door zes slanke, gietijzeren zuiltjes. Het afgeplatte schilddak van de overkapping is met shingles belegd. Buiten de overkapping is ter weerszijden van het grafbeeld taxus aangeplant.

Het monument van de vrouwfiguur met de afgebroken zuil.In 2001 werd het grafmonument ingeschreven in het register van rijksmonumenten omdat het grafmonument als rijk en gaaf bewaard gebleven voorbeeld van grafmonumenten uit het eind van de negentiende eeuw van kunsthistorische waarde is mede vanwege het opvallende baldakijn en het neogotische hekwerk. Het achterliggende verhaal over Marius was geen reden om het monument aan te wijzen, maar is vanzelfsprekend een verhaal dat tot op de dag van vandaag tot de verbeelding spreekt. Helaas verkeert het grafmonument anno 2018 in een slechte staat. Het baldakijn is doorgerot en onderdelen zijn op de zerk gevallen. De beplanting op en rond het monument is doorgeschoten en ontneemt een deel van het monument aan het zicht. Ook het gietijzeren hekwerk blijkt nodig aan onderhoud toe. De gemeente Brummen heeft de rechthebbende al enkele malen geattendeerd op de situatie, maar tot op heden zonder resultaat.

Nasleep

Sergeant Musquetier, die in 1880 De Jongh aangaf, heeft nadien nauwelijks nog rust kunnen vinden. Veel van zijn militaire kameraden namen hem zijn “verraad” kwalijk. Die houding heeft Musquetier waarschijnlijk zodanig achtervolgd dat hij in 1887 in Indië een eind aan zijn leven maakte. De Jongh, die in december 1880 veroordeeld werd tot een levenslange gevangenisstraf, kreeg in hoger beroep uiteindelijk een tuchthuisstraf van 25 jaar onvoorwaardelijk. Zijn straf zat hij uit in Leeuwarden. In 1901 deed De Jongh via zijn advocaat, mr. P.J. Troelstra, een revisie-verzoek wegens nieuw bewijs dat hem zou vrijpleiten van de moord. Het verzoek werd echter terzijde gelegd omdat van de door De Jongh aangewezen dader, Gerrit Kets, geen spoor te vinden was. Nadat hij in 1905 op vrije voeten kwam, trok hij eerst in bij zijn moeder. Na haar overlijden verhuisde De Jongh naar Amsterdam waar hij in 1908 trouwde. Of hij wroeging had, of dat hij zijn draai niet meer kon vinden is niet duidelijk. In 1919 pleegde De Jongh zelfmoord.

Het kapotte baldakijn in 2018.In 1883 werd het bedrag dat als losgeld voor Marius had moet dienen ingezet voor de oprichting van de Huize Louise-inrichting. De inrichting werd genoemd naar de oudste dochter en was bedoeld om onderdak te verlenen aan rijke dames van protestantse huize die door misfortuin arm waren geworden. De inrichting fuseerde in 1950 met een andere inrichting maar in 1976 werd de inrichting opgeheven wegens de gestegen kosten van onderhoud van gebouwen en de hogere levensstandaard van de dames. Groot Engelenburg in Brummen was al in 1910, na het overlijden van Maria Elizabeth Bogaardt-Van der Schalk, verkocht aan jonkheer Schelto van Citters. Lang voor die tijd waren de twee zussen van Marius beiden nog in Brummen getrouwd. De jongste zus overleed er ook in 1956. Zij was de laatste die Marius gekend heeft.

 

Literatuur:

  • Willemsen, Piet; Résidence Louise-inrichting voor verarmde deftige dames (1883-1976). Aspecten van een standenmaatschappij in en buiten Brummen, Brummen 2007.

 

Internet:

 


© 2018 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.