Moord en doodslag

Verloren kinderen

 

Kinderlijkjes op de Nieuwe Noorder in Amsterdam in historisch perspectief

Op de Amsterdamse begraafplaats de Nieuwe Noorder zijn tussen 1930 en 1950 enkele tientallen kinderlijkjes begraven. En is de dood van een nieuw leven al niet tragisch genoeg, dan zijn de omstandigheden waaronder deze kinderen zijn gevonden dat zeker. Een deel van deze kinderen werd doodgeboren of was een miskraam, maar een deel werd ook levend geboren.

Al deze kinderen hebben gemeen dat ze levenloos gevonden werden in het water of tussen de struiken van een plantsoen. De kinderlijkjes zijn anoniem begraven, zonder grafmonument of iets anders dat aan ze herinnert. Feitelijk zijn er alleen nog de verloven tot begraving die aan ze doen denken. Terwijl veel begraafplaatsen inmiddels monumentjes voor jong gestorven en ongedoopte kinderen kennen, monumentjes voor pasgeborenen die door geweld en opzettelijke verwaarlozing om het leven zijn gekomen, bestaan niet. En dat is op zich niet gek, aangezien concrete cijfers over aantallen ontbreken. Toch worden we ook tegenwoordig nog af en toe opgeschrikt door trieste berichten in de media. Dit verkennende artikel is bedoeld om deze berichten in een historisch kader te plaatsen en in het bijzonder om aandacht te besteden aan de kinderlijkjes die anoniem zijn begraven op De Nieuwe Noorder in Amsterdam.

Begrippen

De woorden kindermoord en kinderdoding zijn ietwat verwarrende begrippen, met name zoals ze in de media gehanteerd worden. Er valt een onderscheid te maken tussen kinderdoding door ouders en die door buitenstaanders. In dat laatste geval plegen daders het misdrijf vrijwel altijd om een ander misdrijf met veelal seksuele motieven te verhullen. Dit terwijl moord of doodslag door ouders vrijwel nooit is ingegeven door seksuele motieven.

De definitie die wordt gebruikt voor kindermoord is vaak afhankelijk van de beroepsgroep die het tot onderwerp heeft. Gedragskundigen bedoelen met kindermoord vooral de doding door eigen ouders zonder daarbij te kijken naar de leeftijd van het kind. Onder juristen wordt over kindermoord gesproken wanneer het kind binnen 24 uur na de geboorte wordt gedood. Kinderdoding door de ouders wordt infanticide genoemd, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen doding van het kind binnen 24 uur na de geboorte, neonaticide, en doding van een kind ouder dan een dag, filicide.

In dit artikel gaat het om het doden van een pasgeborene door de ouders en wat zal blijken door met name de moeder. Vermoedelijk gaat het bij de kinderlijkjes op de Nieuwe Noorder vooral om baby’s die binnen 24 uur na de bevalling om het leven zijn gekomen.

Geschiedenis

Kinderdoding door ouders is geen verschijnsel dat typisch is voor de twintigste eeuw, al lijkt het door de berichtgeving in veel media daar soms wel op. Het doden van pasgeborenen is van alle tijden. In de meeste stadstaten van de Grieken was het volgens de wet toegestaan om pasgeborenen te doden. Met name om overbevolking te voorkomen, maar ook om ervoor te zorgen dat de sterksten zouden overleven. Misvormde of zwakke kinderen werden als eerste gedood. Dit verschijnsel kwam ook voor bij de vroege Romeinen, waar het doden van een kind een vaderlijk recht was. Later werd de wet hieromtrent aangepast en zou kinderdoding meer en meer aan regels gebonden worden. Zo moest een vader een kind jonger dan drie aan vijf verschillende buren laten zien, die allen moesten constateren dat het kind gebreken vertoonde. Waarschijnlijk werd kinderdoding pas met keizer Constantijn verboden. Ook bij de Germanen had de vader onder bepaalde omstandigheden het recht om een kind te doden of te vondeling te leggen. In deze gevallen lijkt het er op dat het met name de economische omstandigheden waren die bepaalden wat er met het pasgeboren kind gebeurde. Jongetjes hadden een grotere kans om te overleven, terwijl meisjes als zwakker werden beschouwd in een door mannen geregeerde wereld. Misvormde en zieke kinderen werden als belastend ervaren en werden om die reden eerder om het leven gebracht of te vondeling gelegd. Gaandeweg in de tijd werd kindermoord steeds zwaarder gestraft en al bij de Germanen bestonden wetten dat na een bevalling van een doodgeboren kind, het kind door andere vrouwen aan andere mannen dan de vader moest worden getoond, om te bewijzen dat het kind niet door geweld om het leven was gebracht.

Het feit dat kindermoord in verschillende facetten onderdeel uitmaakte van de wetgeving van de Grieken, Romeinen en Germanen geeft aan dat het ook in die tijden al als maatschappelijk probleem gold en bleek er wetgeving nodig om dit te reguleren. Het zijn de opvattingen van oudere culturen die vanaf de middeleeuwen doorsijpelden in het christelijke Europa, waar de kerk een grote macht kreeg. De kerk kende straffen voor kindermoord, maar maakte onderscheid tussen onwillige en moedwillige dood. Met de komst van het Christendom verdween kinderdoding dus niet. De straffen waren vaak zwaar, niet zelden werd de doodstraf opgelegd. Op het einde van de middeleeuwen werd de geboorte van een onwettig kind beschouwd als de grootste oneer. De zwangerschap werd zoveel en zolang mogelijk geheim gehouden en zelfs de bevalling probeerde men in het geheim te laten plaatsvinden. Sommigen gingen hierna over tot kindermoord, waarbij opvallend genoeg de meeste vrouwen die zich daaraan schuldig maakten, hun slachtoffers het doopsel toedienden voordat zij het kind ombrachten.

De achttiende eeuw

Uit onderzoek naar criminaliteit in Antwerpen in de achttiende eeuw blijkt dat er duidelijk verband bestond tussen het verhogen van de brood- en huurprijzen en het aantal te vondeling gelegde kinderen, evenals het aantal kindermoorden. Uit Engels onderzoek over dezelfde periode blijkt dat het vaak ongehuwden of weduwen betrof die behoorden tot de werkende klasse. Meestal waren het dienstmeiden voor wie het inkomen van levensbelang was. 

Algemeen Handelsblad 25 03 1894

Vaak werden ze ook gedreven door angst te worden verstoten uit de gemeenschap. Toen in 1721 in de Franse stad Rennes na een grote brand een riool werd opengelegd, werden meer dan 80 skeletten ontdekt van baby’s die in de eerste levensuren waren omgebracht. En in Amsterdam werden bij de reiniging van de grachten soms met stenen verzwaarde kinderlijkjes aangetroffen.

Ongewenste zwangerschappen werden vroeger al beëindigd door opzettelijke vruchtafdrijving, de zogenaamde abortus provocatus, ongeacht de risico’s die daarbij kwamen kijken. Waar dat tegenwoordig echter gebeurt door medisch ingrijpen, was dat vroeger niet voor iedereen mogelijk. In historisch opzicht kan het doden van een pasgeborene gezien worden als een voorloper van de abortus provocatus. Naast de mogelijkheid om het kind te doden, was het ook mogelijk om een kind te vondeling te leggen. De overlevingskans van een vondeling was echter vaak nog ongunstiger dan in gezinsomstandigheden. Hetzelfde gold voor het uitbesteden van de zuigelingen bij minnen. Als gevolg van verwaarlozing en slechte behandeling was het sterftecijfer onder deze kinderen enorm.

Amsterdam in de achttiende eeuw

In de periode van 1680 tot 1811 zijn er in Amsterdam enkele tientallen kindermoordzaken aan de rechter voorgelegd. Dat lijkt niet veel, maar het gaat dan slechts om die gevallen waarbij een dader of verdachte werd gevonden. Het betreft het topje van de ijsberg.

Bij vierentwintig zaken gaat het allen om vrouwen, met een gemiddelde leeftijd van zevenentwintig jaar. Tweeëntwintig van hen waren dienstmeid. Bijna de helft kwam uit Nederland, de anderen waren afkomstig uit Duitsland en de Scandinavische landen, immigranten dus. Dienstmeiden hadden slechts beperkte mogelijkheden en relatief weinig sociale contacten. In twee gevallen gaf het gerechtelijk geneeskundig rapport aan dat het kind dood ter wereld was gekomen. In twee andere gevallen bekende de vrouw dat het kind geleefd had en dat zij het willens en wetens van het leven had beroofd. Beide vrouwen werden veroordeeld tot de dood aan de wurgpaal. In de overige gevallen heeft het kind volgens het schouwrapport geleefd, maar leidden de verklaringen van de vrouw en de omstandigheden er niet toe dat de doodstraf werd opgelegd. In de stukken werd dan niet gesproken van ‘ombrengen’ maar van ‘verwaarlozing van haar eerstgeboren kind’. In een enkel geval kon niet worden aangetoond dat het gevonden kind van de verdachte was, aangezien het in de gracht gevonden was. Meestal werd het kind echter ergens in het kraamvertrek gevonden, in of onder het bed of in een klerenmand. Sommige vrouwen beweerden niet te hebben geweten dat ze zwanger waren en weten hun lichamelijk ongemak aan verstopping of waterzucht. Anderen waren wel op de hoogte van hun zwangerschap, maar waren verrast door een vroege bevalling. Ze hadden verward gereageerd en durfden uit angst geen hulp in te roepen. In het algemeen gold voor alle daders dat ze bang waren voor ontslag en daarmee huisvestingsproblemen, honger en armoede. Niet ten onrechte, aangezien de werkgever een reputatie van fatsoen hoog te houden had en het in dienst houden van een zwangere dienstmeid impliceerde schuldig te zijn aan de zwangerschap. De mannen die medeverantwoordelijk waren voor de zwangerschappen bleven meestal op de achtergrond. In het geval van de Amsterdamse zaken werd de identiteit door alle vrouwen bekend gemaakt, maar waren de mannen ten tijde van het proces ofwel op zee ofwel niet of moeilijk te achterhalen.

Middelburgsche Courant 30 03 1867Tot 1770 werden de daders meestal veroordeeld tot een combinatie van schavot- en vrijheidsstraffen. Na 1770 werd in vergelijkbare gevallen slechts vier jaar spinhuis (het Amsterdams tuchthuis voor vrouwen) opgelegd en werden drie verdachten van rechtsvervolging ontslagen. Elders in de Republiek werden vrouwen tot in de achttiende eeuw veroordeeld tot het wurgkoord of de dood door het zwaard. De vrouw werd in het openbaar terechtgesteld met een pop in haar armen, zodat iedereen kon zien dat zij haar baby om het leven had gebracht. Uit vergelijkbare zaken elders in de republiek komen soortgelijke gevallen naar voren, al zijn er verschillen. Zo stonden er in Friese zaken nogal eens medeplichtigen terecht. Mogelijk wordt dit veroorzaakt doordat in de grote stad de betrokken vrouwen betrekkelijk alleen stonden, terwijl ze op het platteland vaker functioneerden als lid van een gemeenschap. Op het platteland was het bovendien makkelijk om een zwangerschap geheim te houden, omdat een dochter of meid makkelijk op de boerderij gehouden kon worden, waar het na een bevalling niet moeilijk was om sporen uit te wissen. In de stad stonden de vrouwen er relatief vaak alleen voor. Tot in de negentiende eeuw werden nog doodsvonnissen voor kindermoord uitgesproken in Nederland, maar nadat de Franse overheersers in 1813 uit ons land vertrokken, kenterde de gedachten rondom de strafmaat, vooral gevoed door liberale en sociale hervormingsgezinden. Gevolg was dat in heel Nederland rechtbanken opvallend vaak tot vrijspraak besloten of werd de geëiste doodstraf omgezet in tuchthuisstraf.

De positie van dienstmeisjes is altijd kwetsbaar geweest, tot ver in de twintigste eeuw. Tussen 1920 en 1940 kwamen er bijna 200.000 buitenlandse - veelal jonge - vrouwen, waarvan de meerderheid uit Duitsland, naar Nederland om hier als dienstbode te werken. De economische omstandigheden waren na de Eerste Wereldoorlog in Duitsland behoorlijk slecht en in Nederland was voldoende werk. De meeste dienstbodes werkten in en rond de grote steden in de Randstad. Ze leefden echter vaak geïsoleerd en uit het zicht. Net als de dienstbodes uit de achttiende eeuw. Niet onwaarschijnlijk is dat kinderdoding direct na de bevalling ook bij deze groep nog voorkwam. Belangrijk is het daarbij op te merken dat niet de frequentie van kindermoord bij dienstmeiden hoger lag dan bij andere vrouwen, maar de kans dat ze gepakt werden.

De geboortecijfers bleven hoog totdat er op grote schaal betrouwbare anticonceptiemiddelen beschikbaar kwamen. Men is het er over eens dat tot dat moment het doden van pasgeborenen een hogere frequentie had. Betrouwbare cijfers zijn echter niet voorhanden. De betere beschikbaarheid van anticonceptie heeft tegelijkertijd tot een afname geleid van het aantal gevallen van kinderdoding direct na de bevalling. Ook de opkomst van instellingen voor jonge, ongehuwde moeders hebben een preventief effect gehad.

In de Amsterdamse cijfers komen vanaf ongeveer 1780 ook de zogenaamde haaldoden-boeken terug. Dat zijn registers waarin personen werden genoteerd, die mogelijk onder min of meer verdachte omstandigheden waren overleden en waarvan het lichaam werd onderzocht op uiterlijke tekenen van geweld. Een deel van de kinderlijkjes waren uit het water gehaald of elders gevonden, terwijl anderen ogenschijnlijk niet zomaar waren weggeworpen, maar in een doos of mandje op één van de Amsterdamse kerkhoven neergelegd. Zonder verdachte werd er zelden onderzoek ingesteld en bij de op de kerkhoven gevonden kinderen werden vaak geen uiterlijke kenmerken van geweld gevonden.

Zowel in het verleden als het heden is het idee om als ongehuwde moeder een onwettig en ongewenst kind te hebben een belangrijke reden voor het doden van het kind na de bevalling. In het algemeen geldt dat moeders die hun kind na de bevalling hebben gedood vooral een geïsoleerd bestaan leden. Zowel angst als economische redenen zijn belangrijke drijfveren voor de daad. Het doden is bij moeders vaak impulsief, terwijl het in de weinige gevallen waar vaders verantwoordelijk zijn voor het doden van de pasgeborene, dat meer met voorbedachten rade lijkt te zijn gebeurd. Er zijn overigens ook gevallen bekend waarbij de moeder geholpen werd door een familielid.

Algemeen Handelsblad 12 05 1881Het doden van een pasgeborene kan zowel actief (levend begraven, verdrinking, verstikking, wurging etc.) als passief (kind levend achterlaten) plaatsvinden. Duidelijk is dat er in tegenstelling tot het verleden minder zware straffen werden opgelegd. In de kranten uit de negentiende eeuw zijn tal van vermeldingen van kindermoord te vinden. In sommige gevallen geeft het meer inzicht in de daad. Zo meldt het Algemeen Handelsblad in de editie van 12 mei 1881 specifieke details van een kindermoord. De 21-jarige Haarlemse dienstbode Hendrika Kerkhof werd schuldig verklaard aan kindermoord en veroordeeld tot een celstraf van twee jaar. Dit werd beoordeeld als een correctionele en geen criminele daad. In eerste instantie had Hendrika verklaard dat zij het kind, onmiddellijk na de geboorte, in een doek had gewikkeld en daarop was gaan liggen. Later trok ze haar bekentenis in.

Er bestaat in Nederland relatief weinig historische literatuur over kindermoord. Veel is geschreven vanuit de rechtsgeleerdheid. Met name in de negentiende eeuw kreeg het onderwerp, in navolging van het buitenland, veel aandacht.

De Nieuwe Noorder in Amsterdam 1930-1950

Uit de periode 1930-1950 stamt een aantal verloven tot begraving voor de Nieuwe Noorder (toen nog Noorderbegraafplaats) in Amsterdam. Dat bronmateriaal vormde de directe aanleiding voor dit artikel.

Nieuwe Noorder - vak 16 (foto Leon Bok)De mate waarin doding van een pasgeborene nog steeds voorkomt is onduidelijk. Niet alleen doet de dader haar uiterste best om haar zwangerschap en bevalling te verbergen. Het kost bovendien relatief weinig moeite om het kleine lichaam te verbergen of te doen verdwijnen. De zaken die wel bekend zijn en waarop cijfers zijn gebaseerd, gaan dus vooral om gevallen waarin de dader er niet in is geslaagd de doding verborgen te houden. In het geval van de kinderlijkjes op de Nieuwe Noorder gaat dit ten dele op. Weliswaar is de dader (moeder en/of vader) onbekend gebleven, het slachtoffer is dat echter niet. De doodgevonden kinderen werden begraven in vak 16, langs de rand van de begraafplaats. Op dezelfde plek werden de doodgeboren kinderen die wel bekend waren begraven, maar zij kregen soms nog een klein grafmonumentje met daarop hun naam. Anno 2018 doet niets nog aan deze jong gestorven kinderen denken.

Op de lijst van verloven van begraving op de Nieuwe Noorder staan ook een aantal doodgeboren kinderen (‘voldragen vrucht’). In die gevallen dat de moeder haar zwangerschap geheim heeft gehouden, heeft zij zichzelf en haar ongeboren kind ook de nodige medische zorg onthouden. Of dat uiteindelijk zou hebben geleid tot een andere uitkomst blijft de vraag. Om te constateren dat het in al deze gevallen zou hebben geleid tot doding van het kind is te voorbarig. Niet uit te sluiten is dat in een aantal gevallen waarbij een ‘voldragen’ of een ‘onvoldragen vrucht’ is gevonden, de moeder zelf verantwoordelijk is voor de miskraam.

Hieronder volgt een kleine bloemlezing van krantenberichten die met grote waarschijnlijkheid toebehoren aan enkele van de anoniem begraven slachtoffertjes. Verder onderzoek zou dat mogelijk kunnen bevestigen. Het betreft gevallen waarbij het kind levend geboren is, maar vervolgens jammerlijk om het leven is gekomen. Naar de motieven van de daders kunnen we alleen maar gissen, maar de geschiedenis laat ons zien dat angst voor de omgeving en economische motieven belangrijke drijfveren zijn, ook in de twintigste eeuw.

“Kinderlijkje gevonden - In den ochtend van Maandag 6 Juli j.l. werd in het plantsoen op het Borssenburgplein tusschen heesters, achter een aldaar staand transformatorhuisje bij de Amstelkade, gevonden een pasgeboren kinderlijkje van het vrouwelijk geslacht, gewikkeld in bladen van het dagblad „De Telegraaf" van 27 en 28 Juni 1931, waaromheen een bruin papier, zonder merken. De Commissaris van Politie in de 5e sectie verzoekt dengenen, die hierover inlichtingen kunnen geven, zich in verbinding te willen stellen met het politiebureau Pieter Aertszstraat 5.” (De Tijd – 10-7-1931)

Telegraaf “KINDERLIJKJE GEVONDEN. Op 17 Januari 1942, des voormiddags te 10 uur. is op den openbaren weg, den Stadionweg, in een plantsoen, grenzende aan de Apollohal, een lijkje gevonden van een pasgeboren kind van het vrouwelijk geslacht, gewikkeld in courantenpapier. De commissaris van politie in de derde sectie, politiebureau Leidscheplein te Amsterdam, verzoekt nogmaals hun, die eenige aanwijzing, hoe gering ook, omtrent dit kinderlijkje kunnen geven, zich ten spoedigste met genoemden commissaris van politie in verbinding te stellen Tel. No. 41518.” (De Telegraaf, 26-01-1942)

“Kinderlijkje in Lijnbaansgracht - (Van een onzer verslaggevers) AMSTERDAM, 9 Juli. — Hedenmorgen omstreeks 10 uur ontdekte een voorbijganger, dat er in de Lijnbaansgracht, ter hoogte van de melkfabriek OW, een kinderlijkje dreef. Toen de gewaarschuwde politie ter plaatse kwam en het lijkje ophaalde, bleek het een pasgeboren baby (een meisje) te zijn, in verregaande staat van ontbinding. Men neemt aan, dat een wanhopige, jonge moeder zich van het kind heeft ontdaan. De recherche van het bureau Leidseplein verzoekt inlichtingen.” (De Waarheid, 9-7-1952)

(2017-2018)

Literatuur en bronnen

  • Verloven tot begraving, Burgerlijke Stand Amsterdam 1930-1950
  • Feyfer, Diederik de; Verhandeling over den kindermoord (proefschrift) (1866)
  • Maes, L.Th.; ‘De criminaliteit te Antwerpen in de achttiende eeuw’ (blz. 324-331) in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. Deel 93. (1978)
  • Vanhemelryck, F.; ‘Misdaad en straf – Recent onderzoek naar de geschiedenis der criminaliteit’ (blz. 177-223) in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. Deel 93. (1978)
  • Faber, S. ; ‘Kindermoord, in het bijzonder in de achttiende eeuw te Amsterdam’, S. Faber (blz. 224-250) in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. Deel 93. (1978)
  • Koenraadt, F.A.M.M.; ‘Doding van een pasgeborene; een verborgen delict’ (blz. 201-226) in: Actuele ontwikkelingen in de forensische psychiatrie (2003)
  • Wurft-Bodt, Coby van der; ‘Kindermoord in de Achterhoek en de Liemers’ (blz. 7-15) in: Jaarboek Achterhoek en Liemers (2005)

Internet


© 2018 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.