Persoonlijke verhalen

Klaar voor de overstap naar het hiernamaals

 

Dat wil zeggen, dat ik reeds voorbereidingen heb getroffen, om mijn lichaam - nadat mijn ziel zich daarvan heeft losgemaakt - een laatste waardige rustplaats te geven in een op mijn maat gemaakte grafkist, die mij bij mijn leven, nu al bijna tien jaar, uitstekende diensten bewijst als boekenkast. 

Puck Kooij voor haar doodskist (foto René ten Dam)Op het idee daarvoor kwam ik op een grafkistententoonstelling in Amsterdam medio jaren ‘90, welk idee ik in 2008 heb laten uitwerken door een meubelmaker, een vakman van de oude stempel, die naar mijn wens een grafkist heeft ontworpen, die tijdens mijn leven dienst kan doen als boekenkast. Ik herinner me nog dat ik voor proef in de fraaie door hem getimmerde kist heb gelegen en zeer tevreden was over het resultaat. Duidelijk mag zijn dat ik het gebruik maken er van nog zo lang mogelijk zou willen uitstellen!

De kast/kist is gemaakt van eikenhout. De zes schapjes kunnen op het ‘moment suprême’ -nadat zij uit de kast zijn genomen en in elkaar zijn geschoven - dienen als deksel. Om de  deksel op de kist te bevestigen is een doosje met koperen schroeven bijgevoegd, waarvoor gaten dienen te worden voorgeboord - er mogen geen spijkers worden gebruikt, want die zullen het hout splijten, een briefje met aanwijzingen ligt op ooghoogte in de kast. Als kast bewijst hij mij nu uitstekende diensten en wat ik erg belangrijk vind: hij oogt mooi en is elegant en ik kijk er met plezier naar, het stoort mij niet dat hij mij dagelijks aan mijn eindigheid herinnert. Hij staat vol boeken waar tussen plaats is ingeruimd voor zo wat voorwerpen die de strakheid van de rijen onderbreekt. Zo staat er een klok in waarop ik vanaf mijn prilste jeugd de tijd heb afgelezen. In het oog springend is de schrijfmachine van mijn vader, een Woodstock, die hij vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw heeft gebruikt en waarop ik ook nog in de jaren vijftig, toen ik een tiener was, heb leren typen. Het doosje er naast, met afbeeldingen van een jonge koningin Wilhelmina, was ooit de knopendoos van mijn vader toen hij in 1925 in militaire dienst ging. Een dierbaar bezit vormt de kleine verzameling poëziealbums op het plankje daaronder, waaronder die van mij. Ik kreeg het in 1948 van een oude dame die nog stamde uit de eeuw daarvoor. Het heeft een zijden omslag en wordt afgesloten met een slotje. Met plezier blader ik nog wel eens in deze nostalgische albums die mij vooral herinneren aan de tijd dat ik een schoolmeisje was. Er staan versjes in zoals:

Als je later als grootmama / Vrolijk zit naast grootpapa / Denk dan eens in stil geluk / Aan de schrijfster van dit stuk. 

De drie handgrepen die aan weerszijden van de kast zijn aangebracht ogen sierlijk. De kast wordt geflankeerd, links door een kastje met mijn verzameling engeltjes. Rechts ervan hangt  de letterlade die ik eind jaren zestig heb gekregen van de bankbiljettendrukkerij Joh. Enschede en Zonen in Haarlem waar ik destijds werkte.  Het ophangen van een letterlade ontstond toen de drukkerijen van handzetten overgingen op modernere druktechnieken. Ze zien er dan ook vaak antiek uit , want door het jarenlange gebruik hadden de lades een mooi patina gekregen. Je ging dan successievelijk kleine voorwerpjes aanschaffen om in de vakjes te plaatsen. Op het eikenplankje daaronder, konden naast een bijbel nog een paar boeken worden geplaatst, hetgeen toen vaak het hele boekenbezit was van mensen.

Natuurlijk heb ik nagedacht over bekleding van de kist. In plaats van een satijnen voering,die decennia geleden nog heel gebruikelijk was, heb ik gekozen voor houtsnippers. Heel ‘natuurlijk’ passend voor mij en voor het milieu, bovendien heel praktisch want het is vochtabsorberend. In de kelder liggen zes zakjes met houtschilfers klaar.

Puck Kooij bij haar toekomstig graf  (foto René ten Dam)

De plaats waar ik na mijn levensreis zal rusten in – hopelijk - ‘hemelse zaligheid’ heb ik gevonden op de Westerbegraafplaats in Enschede. Voor de hand liggend is natuurlijk  de keuze voor die plek aangezien ik woon aan de Westerstraat, al ruim dertig jaar. In één van de vele perken op de begraafplaats staat een grote hazelaar. Niet een boom met een forse stam, maar een boom bestaande uit vele twijgen die oprijzen uit de aarde en die nu al tot bijna in de hemel groeien. Daar liet ik vele jaren geleden al mijn oog op vallen: dat zou een mooie plek zijn om mijn vermoeide botten uit te strekken. Mijmerend onder die hazelaar schoten mij de volgende dichtregels te binnen en haastte ik mij naar huis om ze op te schrijven.

Zij heeft van levenslust geblaakt

en menige harde noot gekraakt.

Nu ze haar laatste zucht heeft geslaakt

is het ten leste de noot die haar kraakt.

De steenhouwer aan het werk met de steen van Puck Kooij.Voor twintig jaar is de huur al door mij voldaan, waarvan er nu twaalf zijn verstreken. Ik heb er een mooie zerk van Indiase zandsteen op laten plaatsen. Die steen heb ik onbewerkt gelaten, de enige versiering zijn de iets getinte golflijnen die door de okergele zandsteen lopen. Mijn naam en geboortedatum zijn reeds door de steenhouwer in gebeiteld, terwijl er ruimte is gelaten voor de finale datum, waarmee ik – voor zover ik daar zeggenschap in zou hebben – nog jaren wil wachten. Ter versiering is een klein hazelnoottakje uitgehakt.

Het is een mooie plek, in het voorjaar bloeien er uitbundig rododendrons naast het graf; het is een rustgevende gedachte dat dit onderdeel van mijn er-niet-meer-zijn is geregeld. Men kijkt er vaak vreemd van op dat ik ‘mijn graf al geregeld heb’, een onderwerp waarmee men zich meestal pas in het zicht van de dood bezig houdt, en dan zijn dat vaak de nabestaanden. ‘Maar waarom nu al en waarom doe je dat zelf?’ vragen mensen mij.  
Als kind was ik al gefascineerd door graven en begraafplaatsen. Maar toen ik eind jaren ‘80 in een dagblad een paginagroot artikel las over een groep Nederlanders die naar Genua ging om zich over te geven aan ‘begraafcultuur’ wist ik: Dit wil ik ook! Zo werd ik lid van de funeraire vereniging De Terebinth, waarmee ik prachtige grafreizen in binnen- en buitenland heb gemaakt. Nu ik dan inmiddels een bedaagde dame ben geworden en gedachten aan mijn eindigheid zich steeds vaker aan mij opdringen heb ik het maar eens  opgeschreven.


Puck Kooij, mei 2018


© 2018 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.