Persoonlijke verhalen

Wie was Janke? Een grafsteentje op de Friese klei

 

Een paar jaar geleden trof ik in Gytsjerk bij het afbreken van een krakkemikkige stal een vloer van oude grafstenen aan. Een bulldozer was al bezig om die tekenen van voorbije levens in een grote laadbak te gooien. Opeens zag ik een kleine, smalle stèle voorbijkomen en wist die nog net van de container te redden. Met moeite kon ik lezen:

‘rustplaats van Janke Joh s Boelstra geboren te Stiens 29 Maart 1890 en aldaar overleden 9 juli 1891’

Het steentje van Janke Boelstra

Hoe kwamen die oude zerken en stèles nu onder de aarden vloer van een oude stal terecht? Het bleek dat de voormalige eigenaar van de stal koster van de kerk en tevens grafdelver was geweest. Als er weer eens een graf geruimd moest worden, liet hij de steen niet weghalen om deze te laten vergruizen, maar nam hem mee naar huis om de vloer van zijn geitenstal mee te verstevigen. In de loop der tijd had hij er zeker zo’n twintig verzameld. Het monumentje van de kleine Janke kreeg voorlopig een plaats in mijn tuin tussen de vinca’s en vergeet-mij-nietjes. Maar wie was Janke Boelstra?  En wie was haar familie? Waar kwam ze vandaan?

Stèle Janke BoelstraAfgebroken stèle Janke Boelstra

Mijn zoektocht leverde me vrijwel direct een uitgebreide stamboom op van een familie Boelstra uit de omgeving van Stiens. De Boelstra’s vormden in de negentiende eeuw een grote familie van vooral veehouders, met vele vertakkingen in en rondom Stiens. Ze waren mensen die ertoe deden, veel geld hadden en die ook aan het maatschappelijk leven hun bijdrage leverden. De stamboom van de familie gaat terug tot in de zeventiende eeuw. Maar de naam Boelstra namen ze pas later aan. Een zekere Sieds werd geboren bij een sluisje op de grens van Jelsum en Cornjum, het Buorsyl, ook wel Boelezijl geheten. Zijn vader Johannes had er een smederij. Sieds trad in zijn voetsporen en werd op zijn beurt smid in Beetgum. Wellicht had hij goede herinneringen aan de plekken uit zijn jeugd, want rond 1765 nam hij de naam Boelstra aan, daarmee verwijzend naar de naam van de sluis. Het sluisje is er allang niet meer. Er kwam een brug voor in de plaats die ook weer verdween. Er staat nu op die plaats aan weerszijden van de weg een kunstwerk ‘De brugwijzers’.

De ene helft van het kunstwerk ‘De brugwijzers’ van Jan Hulsebos dat de voormalige brug symboliseert.De ene helft van het kunstwerk ‘De brugwijzers’ van Jan Hulsebos dat de voormalige brug symboliseert.

De een na jongste zoon van Sieds, Tjeerd Pieter Siedses, legde in 1811 de naam Boelstra voor het nageslacht vast. Toen bepaalde Napoleon namelijk dat iedere inwoner een vaste achternaam moest hebben en die ook moest laten registreren bij de Burgerlijke Stand van zijn woonplaats. Er waren al wel mensen met een echte achternaam, maar lang niet iedereen had er een. Tot 1811 was het gewoonte om de voornaam van de vader achter de eigen voornaam te zetten, het zogeheten patroniem: Tjeerd Siedses was Tjeerd van Sieds. Deze gewoonte zou vooral in de noordelijke provincies nog lang standhouden.

De achterkleinzoon van Tjeerd Pieter Siedses was Johannes Pieters Boelstra, man van Antje Noordenbos. Beiden kwamen uit welgestelde families. Antje kwam van het toenmalige Hallumse gebied aan de overkant van de Ee, waar haar vader en moeder, Willem Noordenbos en Fetje Kalma, een boerderij hadden. Zij was hun enige kind. Op haar twintigste trouwde ze met de tweeëntwintigjarige boerenzoon Johannes Pieters Boelstra. Johannes was de oudste zoon van Pieter Johannes Boelstra en Janke Pieters Brouwers die met hun acht kinderen in een nieuwgebouwde stelpboerderij aan de Finkumervaart ten noorden van Stiens woonden, een cadeautje van de vader van Janke.

Antje en Johannes trouwden op 1 mei 1886 en verhuisden na enige tijd naar de Mieddyk, dat toen nog bij Stiens hoorde, waar ze een veeteeltbedrijf begonnen, net als zoveel van hun familieleden. In de stal was ruimte voor ruim dertig koeien, waarmee Johannes tot de grotere boeren behoorde in de omgeving. Ze startten hun bedrijf in een niet zo gemakkelijke tijd. Het waren de jaren van de ‘grote landbouwcrisis’, begonnen in de akkerbouw waar de graanprijzen enorm gedaald waren, maar gaandeweg zich uitbreidend naar de veeteelt, waar de boter door de toegenomen concurrentie en de de fabricatie van kunstboter ofwel margarine allang niet meer de prijzen opbracht als voorheen,. Toch redden ze het. Ruim negen maanden na de huwelijkssluiting kwam eind januari 1887 hun eerste kind ter wereld: Pieter. Daarna kwam - met weer een goed jaar ertussen – dochter Fetje in 1888.

Antje en Johannes Boelstra met kinderen en kleinkinderen rond 1913Antje en Johannes Boelstra met kinderen en kleinkinderen rond 1913

Janke Boelstra, vernoemd naar haar beppe van vaderskant, werd in de vroege nacht van 29 maart 1890 geboren. Het was een zachte voorjaarsdag geweest en ook de dagen erna was het volop lente. Dat bleef echter niet zo. De zomer van 1890 was uitgesproken koel, met temperaturen die nauwelijks boven de achttien graden uitkwamen en de winter kwam vroeg dat jaar. Al in oktober viel de eerste sneeuw en eind november werd het echt menens. Het begon hard te vriezen en binnen twee weken waren vrijwel alle rivieren, kanalen en meren bevroren. Scheepvaart was niet langer mogelijk, wat betekende dat goederen en met name voedsel niet langer vervoerd kon worden. Heel wat mensen en dieren stierven die winter van honger en kou.

De vorst gaf natuurlijk niet alleen maar ellende: er waren tochten met arrensleden, ijsfeesten en ijsclubs organiseerden schaatswedstrijden. Toen het ijs alsmaar dikker werd, kwam bij fervente schaatsenrijders het verlangen naar een Elfstedentocht. Al in de achttiende eeuw werd deze tocht verreden, maar pas in 1909 kwam er een officiële organisatie. In 1890 reed eenieder de tweehonderd kilometer lange rit nog op eigen gelegenheid en op een zelfgekozen dag. Het waren vooral mannen die de tocht reden, al zijn er uit 1890 twee vrouwen bekend: de zusters Lysbeth Sipkes (37) en Akke Sipkes Swierstra (21) uit Poppingawier. Samen met hun echtgenoten volbrachten ze de tocht. Er deden vaker vrouwen mee, maar hun namen werden nooit genoteerd. Bij de latere officiële Elfstedentochten mochten vrouwen wel meedoen aan de toertocht, maar pas in 1985 werden ze tot de wedstrijdtocht toegelaten.

Hoe de familie Boelstra de winter doorkwam met hun drie kleine kinderen op de boerderij boven Stiens weten we niet, Het zal ook daar heel koud zijn geweest op dat open land. Antje en Johannes Boelstra behoorden evenwel tot de rijkere inwoners van het land, ze hadden een goedlopend bedrijf, ze hadden knechten en een meid in dienst en de kou zal hun zorgen hebben gebaard, maar was waarschijnlijk niet onoverkomelijk. Tot het voorjaar bleef het vriezen en nog in mei waren de temperaturen veel te laag. Donderdag 9 juli 1891 was opnieuw een koele dag en er stond een stevige noordenwind. Die dag veranderde het leven van Johannes en Antje Boelstra ingrijpend. Om elf uur ’s avonds overleed de kleine Janke, vijftien maanden oud. We zullen nooit weten waaraan ze stierf. Of ze ziek was, of ze al vanaf haar geboorte een gebrek had? Was er sprake van een ongeluk?

Het meisje heeft, behalve in het leven van haar ouders, nauwelijks sporen achtergelaten. Er zijn geen foto’s van haar, er lijkt na haar dood in de familie niet meer over haar te zijn gesproken. Twee sobere advertenties in de Leeuwarder Courant markeerden haar leven.

Geboortebericht Jank LC 04-04-1890Geboortebericht Janke (Leeuwarder Courant 04-04-1890)

Overlijdensberichte Janke Leeuwarder Courant 14-07-1891Overlijdensberichte Janke (Leeuwarder Courant 14-07-1891)

Een paar dagen na die fatale 9 juli werd ze begraven op het kleine kerkhof van Wijns onder de toren van het romaanse kerkje. Op haar graf kwam een kleine stèle.

Kerk van WijnsKerk van Wijns

Een zestig jaar later zou de dichter Gerrit Achterberg het na de dood van zijn eigen kind zo verwoorden:

Hier ligt het grafje met de zoden glad.
Het is het sluitstuk na een kort ontwaken:
een meter aarde om gelijk te maken,
wat voor een ogenblik verheffing had.

Negentig jaar lang stond op het kleine monumentje aan de westkant van de de kerk nog haar naam. Toen werd het graf geruimd. Van haar vijftien maanden oud kindergebeente zal weinig zijn overgebleven.

We weten dat kindersterfte in de negentiende eeuw veel voorkwam. Van de meeste mensen, en dus ook kinderen, uit die tijd kennen we de doodsoorzaak niet. Medici hadden tot het einde van de eeuw een zeer beperkte kennis, wisten weinig tot niets van ziekten, van besmettelijke ziekten, van hygiëne. Hun behandelmethoden bestonden nog lange tijd uit niet veel meer dan aderlaten en warme of koude kompressen. De dood van een kind was ook in die tijd van veelvuldig en vroeg sterven een verdrietige gebeurtenis. Het enige dat de ouders wel troost kon geven, was het geloof in een hiernamaals, het besef dat het kind nu in de hemel was, vrij van ongeluk en pijn. Op veel oude grafstenen van jonggestorven kinderen lezen we:

Zalig is der kind’ren lot: 
Jong gestorven, vroeg bij God.

Het is de slotregel van het gedicht ‘Troost bij een kindergraf’ van de dichter Mattheus van Heyningen Bosch (1773-1821) uit 1802. Het lijkt een verre echo van het beroemde gedicht ‘Kinder-lijck’ van Joost van den Vondel uit 1632 dat begint met ‘Constantijntje, ’t zalig kijndtje, / Cherubijntje, van omhoog, / d’IJdelheden, hier beneden, / Uitlacht met een lodderoog.’ Over het jonggestorven kind dat na zijn dood gelukkig is bij ‘de Schinker alles goeds’. Of de ouders van Janke ook troost vonden in de godsdienst kunnen we hoogstens naar gissen.

Herstelde stèleHerstelde stèle

Het grafsteentje van Janke bleef niet in mijn tuin, maar ging uiteindelijk naar de plaats waar ze werd geboren en overleed: de boerderij aan de Mieddyk. Het werd hersteld door Jouke van der Ende, de huidige bewoner van de boerderij.

 

Over de familie Boelstra is een publicatie in voorbereiding.

 

Literatuur

  • Ende, Jouke van der, Werom yn de tiid, (in eigen beheer), 2021.
  • Jong, Hans de, De barre winter van 1890/91, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 1990.
  • Kok-Draijer, S., Kalma, het voor- en nageslacht van Dirk Karstes Kalma en Akke Jetzes Wobma (2 dln.), Uitgave in eigen beheer, Drachten, 1993.
  • Visser-Oostra, Hinke, In minskelibben Autobiografy, (in eigen beheer)
  • Vooren, Jurryt van de, 8070 dagen wachten op de Elfstedentocht, Edicola Publishing bv, Deventer, 2019.

Internet

 

 


© 2024 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.