Rampen

Hoek van Holland - Ramp met de "Berlin"

 

Op de begraafplaats van ’s-Gravenzande liggen twee afgeperkte grafvakken waar op één ervan de tekst “Lebet weiter in Gott” opvalt. Dit grafvak is afgezet met een laag muurtje en op het hoofdeind een opstand met daarop de Duitse tekst. Ernaast ligt nog een grafvak, met alleen een lage rand en een opvallende marmeren stèle met daarop een treurende vrouw. Een informatiebord en de teksten op de stenen in de grafvakken maken snel duidelijk dat het hier gaat om een verschrikkelijke scheepsramp.

Die scheepsramp voltrok zich in de vroege ochtend van 21 februari 1907 nabij Hoek van Holland. Er stond die nacht een zware storm. Toen het stoomschip ‘Berlin’ de Nieuwe Waterweg binnenliep ging het mis. Volgens een getuige raakte het passagiersschip uit koers nadat het getroffen werd door een grote golf. De kapitein wist kennelijk het schip weer op koers te krijgen, maar bij een volgende golf gebeurde weer hetzelfde. Dit keer kreeg men het schip niet meer onder controle en het sloeg aan het begin van de havenmond op het Noorderhoofd van de Noorddam.

De ramp voltrekt zich

Aan boord van de ‘Berlin’, afkomstig uit Harwich, waren op dat moment 144 opvarenden, waaronder zo’n 40 bemanningsleden. Onder de passagiers bevond zich een Duits operagezelschap, enkele belangrijke zakenlieden en diplomaten. De zware golven bleven op het schip inbeuken en zowel kapitein Precious als de loods Bronder werden overboord geslagen. Al snel was de aan de overzijde van de havenmond gestationeerde reddingboot ‘President Van Heel’ ter plekke. De boot kon door de hoge golven echter weinig uitrichten. Wel konden enkele drenkelingen uit het water worden gevist, maar de meeste passagiers bevonden zich nog aan boord van het schip. Veel opvarenden waren naar de voorplecht[1] van het schip gevlucht in de hoop op een snelle redding. Toen het schip in tweeën brak, begon het voorschip echter snel te zinken. Rond 09.00 uur verdween het afgebroken deel in de diepte, waarmee alle op dit deel verblijvende passagiers verdronken.

De Berlin nadat de storm geluwd is (foto uit De Prins, no. 36 – 2 maart 1907)De resten van de Berlin nadat de storm geluwd is (foto uit De Prins, no. 36 – 2 maart 1907).

In eerste instantie bestond er grote onzekerheid over het aantal opvarenden en ook het aantal geredde drenkelingen werd in de eerste uren en dagen niet correct doorgegeven. Sleepboten die te hulp schoten brachten de eerste dag 25 drenkelingen aan wal. De meesten bleken al verdronken en enkelen onder hen die nog leefden toen ze aan wal werden gebracht, overleden later alsnog. Op het deel van het schip dat nog op de pier vastzat waren toen nog talloze mensen aanwezig. Ze werden ook gezien, maar konden niet meteen gered worden. Ook konden ze het schip niet veilig verlaten via de pier door het hoge en ruwe water. Slechts een man durfde het aan om het water in te springen en naar de reddingboot te zwemmen. Deze persoon, de Engelse kapitein Parkinson, werd daardoor gered. Naast de lichamen die uit het water gehaald werden, spoelden er ook al snel lichamen aan op het strand of op de havenhoofden. De lichamen werden overgebracht naar het stationsgebouw van de maatschappij in Hoek van Holland. Hier werd een ruimte ingericht waar de lichamen tijdelijk neergelegd werden. Identificatie bleek nauwelijks mogelijk doordat de lichamen soms urenlang tegen de keien van de pieren waren geslagen.

Transport van de lijken over de pier naar de tot lijkenhuis ingerichte loods van de Maatschappij. Op de achtergrond de resten van de Berlin (fotoTransport van de lijken over de pier naar de tot lijkenhuis ingerichte loods van de Maatschappij. Op de achtergrond de resten van de Berlin (foto uit De Prins, no. 36 – 2 maart 1907).

De situatie van de achterblijvers op het gebroken schip bleef hachelijk. Inmiddels was duidelijk dat er zich nog zo’n 15 mensen op het schip bevonden. Pogingen hen te redden waren de eerste dag vergeefs. De reddingboot moest telkens afstand houden om zelf niet op de pier geworpen te worden.

De volgende dag

De dag na de ramp waren de reddingboot en een loodsboot vooral bezig de verdronken lichamen uit zee te halen. Prins Hendrik die het rampschip bezocht, was vanaf de loodsboot ‘Helvoetsluis’ getuige van de redding van een deel van de opvarenden. Reddingboot ‘President Van Heel’ was nu in staat het wrak te bereiken. Via de pier en met behulp van een touw konden zo 11 opvarenden gered worden. Er bleven echter 3 vrouwen achter omdat ze de tocht niet aandurfden. In de daaropvolgende nacht besloot kapitein Martijn Sperling met de sleepboot ‘Wodan’ een poging te ondernemen om de vrouwen te redden. Wederom via de pier waren ze ditmaal wel in staat de drie vrouwen te redden. Een van de vrouwen, Frau Wennberg, had haar 5-jarige dochtertje in haar armen, maar het kind was door de kou al overleden. Een van de andere vrouwen was er zo slecht aan toe dat ze gedragen moest worden. Met de sleepboot werden de laatste opvarenden naar Hoek van Holland gebracht. Sperling, geboren in Ouddorp, voerde later nog meer bergingen uit die hem bekendheid gaven. Van de Duitse keizer kreeg hij een hoge onderscheiding. Sperling overleed in 1946 en zijn grafmonument is nog te vinden op de begraafplaats in Ouddorp.

Het grafmonument van Sperling op de gemeentelijke begraafplaats van Oudorp.Het grafmonument van Sperling op de gemeentelijke begraafplaats van Oudorp.

De pers

Nog dezelfde dag stonden de kranten vol van de ramp. In eerste instantie werd gemeld dat alle opvarenden verdronken waren. Ook de oorzaak kwam al snel ter sprake. Een gebroken stuurketting of een defect in de machinekamer zouden tot de ramp hebben geleid. Verschillende kranten zonden verslaggevers naar Hoek van Holland om een ooggetuigenverslag te geven. Door de berichtgeving in de kranten en de situatie van het schip trokken duizenden mensen naar Hoek van Holland. De treinen waren overvol en op het strand was het een drukte van belang. Menigeen trok naar huis met een op het strand gevonden brokstuk of voorwerp van het wrak.

Gezicht op het wrak van De Berlin met een toekijkende mensenmassa op de pier (Gezicht op het wrak van De Berlin met een toekijkende mensenmassa op de pier (foto uit De Prins, no. 36 – 2 maart 1907).

Terwijl in de pers met lof werd gesproken over het bezoek van Prins Hendrik aan het wrak, kreeg de kapitein van het schip kritischer aandacht. Was het ongeluk aan diens handelen te wijten? Kapitein Precious werd omschreven als een van de oudste en meest ervaren kapiteins van de maatschappij. In het onderzoek nadien bleef de oorzaak van de ramp niet te hebben gelegen aan een uitgevallen stuurinrichting of kapotte lichten op het havenhoofd. De conclusie was dat Precious onder de omstandigheden anders had moeten handelen. In ieder geval zorgde de ramp ervoor dat de wetgeving rond veiligheid op zee aangepast werd.

In de pers kwam ook een andere berichtgeving op gang, namelijk die van giften aan de redders van de schipbreukelingen. Sperling en collega’s werden door verschillende gemeenten uitgenodigd om blijken van hulde te ontvangen. Tevens werd een fonds ter ondersteuning van de weduwen en wezen van de bemanning opgericht. De eersten die het fonds vulden waren de koning en koningin van Engeland. De inzamelingsactie voor de nabestaanden leverde bijna 100.000 gulden op. Dat is vergelijkbaar met ruim een miljoen euro vandaag de dag.

Passagiers

Van de 144 opvarenden werden er uiteindelijk 15 gered. Er waren verschillende belangrijke mensen aan boord, waarvan in eerste instantie niet helemaal duidelijk was wie het waren. Vast kwam te staan dat een hoge boodschapper van de Engelse koning, de heer Herbert zich aan boord had bevonden. Hij had diplomatieke tassen bij zich voor Berlijn, Kopenhagen en Teheran. In de laatste tas zaten bezittingen van de Perzische prins Ala as Saltanch, waaronder een met juwelen bezet zwaard en een hoge Engelse orde. Zijn lichaam werd mogelijk op 16 maart gevonden, maar het bleef ongeïdentificeerd op verzoek van de familie, zo was te lezen in de kranten. Het zwaard is later teruggevonden.

Andere lichamen spoelden overal op de kust aan, sommige al vrij snel na de ramp, anderen pas na enkele maanden. Op 26 februari werd gemeld dat het lichaam van kapitein Precious was gevonden, aangespoeld bij Bruinisse. Later bleek het echter niet om de kapitein te zijn gegaan. Pas half april werd diens lichaam gevonden door een schelpenzuiger. Het lichaam werd in Brielle aan wal gebracht.

De directeur van de Artic Coal Company, William Dearborn Munroe, was ook aan boord. Ook Lotte Wetterling, vrouw van de operazanger Theodor Bertram, verdronk bij de ramp. Zij werd begraven in ‘s-Gravenzande. Dat Bertram er zelf ook begraven ligt, hangt samen met zijn laatste wens. Toen hij in november 1907 overleed, werd hij bij zijn vrouw begraven. Voor hen is er geen grafmonument.

Overzicht grote grafvak met alleen links een aantal grafmonumenten.Overzicht grote grafvak met alleen links een aantal grafmonumenten.

Pas op 12 mei 1907 vond men het lichaam van Hendrik Jan Spijker op het strand bij Callantsoog. In eerste instantie kon het lichaam niet geïdentificeerd worden, maar in augustus werd in het overlijdensregister van Callantsoog aangetekend dat het hier ging om Spijker. Hij was de directeur van het bekende bedrijf Spijker (later Spyker) dat eind negentiende, begin twintigste eeuw koetsen en auto's fabriceerde. Spijker werd begraven in Callantsoog op het kleine kerkhof aldaar. Helaas is diens graf begin twintigste eeuw geruimd. Een verzoek om een gedenkteken op te richten op of nabij het graf is tot op heden niet ingewilligd.

Begrafenissen

Vele doden bleven onbekend. De eerste lichamen die begraven werden, waren die van vier vrouwen wiens identiteit volgens sommige berichten niet bekend was. In latere verhalen werden de namen van drie vrouwen genoemd: Hoppe, Bertram en Sternberg, waarschijnlijk de achternamen van hun man. Zij werden op 25 februari begraven op de algemene begraafplaats van ’s-Gravenzande. Dat voor die plaats werd gekozen had te maken met het feit dat Hoek van Holland toen nog geen begraafplaats had. Die kwam er pas in 1917.

Op 26 februari vond de begrafenis van een groot aantal andere slachtoffers plaats in een gezamenlijk graf. Hierbij spraken een Engelse en een Duitse predikant en ook burgemeester J. Brunt sprak woorden van troost. Onder het toeziend oog van tal van aanwezigen werd de groeve gesloten en sprak het hoofd van de dragers een woord van dank aan alle aanwezigen. Op 27 februari werden in Engeland een aantal geïdentificeerde slachtoffers begraven, vooral van de bemanning. De begrafenis werd door een grote menigte bijgewoond en er waren talloze kransen ontvangen.

Gezamenlijke graven

In de dagen en weken nadien werden nog een aantal lichamen bijgezet in het graf. Zo werd op zaterdag 23 maart het stoffelijk overschot begraven van Martha Caroline Louise Frost, een Engelse. Haar lichaam was de dinsdag ervoor aangespoeld op de dijk van de Scheurpolder ten zuiden van Hoek van Holland. Nadat ze op zaterdagochtend geïdentificeerd was, is ze direct in opdracht van haar familie in ’s-Gravenzande begraven. Half mei werd het lichaam van Frost weer opgegraven omdat het vermoeden bestond dat haar identiteit toch niet klopte. Het bleek uiteindelijk te gaan om de vrouw van kapitein Jones. Degene die de eerste identificatie had gedaan was er intussen vandoor met twee ringen die op het lichaam waren aangetroffen.

De grafstenen voor vader en zoon Raissman staan naast elkaar op de Joodse begraafplaats in Muiderberg.De grafstenen voor vader en zoon Raissman staan naast elkaar op de Joodse begraafplaats in Muiderberg.

Door het hele land vonden begrafenissen plaats. Zo werden eind februari en begin maart respectievelijk vader Mozes en zoon Israël H. Raismann begraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg. Op hun beider grafstenen staat dat ze omgekomen zijn bij de scheepsramp. Een aantal doden werd naar Duitsland gebracht om aldaar begraven te worden. Op 1 maart werd het lichaam van Emil Lauinger begraven op de Joodse begraafplaats Weissensee in Berlijn. Op diens graf staat een granieten stèle met daarop in het Duits de tekst dat hij is omgekomen ‘Beim untergang des dampfers “Berlin” vor Hoek van Holland”. Elders in Berlijn werden op het Kaiser-Wilhelm-Gedachtnis-Friedhof de heer Wennberg en diens dochtertje begraven. Hun graf is intussen geruimd.

De granieten stèle voor Emil Lauinger op de Joodse begraafplaats Weissensee in Berlijn.De granieten stèle voor Emil Lauinger op de Joodse begraafplaats Weissensee in Berlijn.

Op 10 maart werd het lichaam van de loods Johannes Bronder geborgen op het strand van Rockanje. Zijn stoffelijk overschot werd op 13 maart begraven op de algemene begraafplaats Maria Rust, waarbij een groot aantal collega’s en belangstellenden de laatste eer bewezen. Bronder liet een vrouw en acht kinderen na. In de loop van april werd uit Brielle het stoffelijk overschot van de heer Davies overgebracht naar ’s-Gravenzande. Ook uit de Maas kwam een lichaam dat waarschijnlijk een bemanningslid betrof. Beiden werden begraven in het verzamelgraf. Zelfs half juni werden nog lichamen aangetroffen. Zo spoelde bij Vlissingen een lichaam aan dat in verre staat van ontbinding verkeerde. Ook nabij de plaats van het vergaan van de Berlin werd in juni nog een lichaam aangetroffen. Ook in dit geval werden de lichamen meteen overgebracht naar ’s-Gravenzande.

De van een foto voorziene hardstenen stèle voor de loods Bronder is te vinden op de gemeentelijke begraafplaats Maria Rust in Rockanje.De van een fotoportret voorziene hardstenen stèle voor de loods Bronder is te vinden op de gemeentelijke begraafplaats Maria Rust in Rockanje.

In november van 1907, na een hevige storm, spoelden nog eens elf lichamen aan bij Hoek van Holland en in de Nieuwe Waterweg. Enkele van de lichamen konden herkend worden aan de hand van de zaken die zich nog op het lichaam bevonden. De meeste van deze lichamen werden begraven in ’s Gravenzande. Een van de geïdentificeerde lichamen, dat van de heer Clemence A.L. Lasance, werd op 16 november begraven op de katholieke begraafplaats Buitenveldert in Amsterdam. Lasance was een bekende kleermaker in Amsterdam. Het familiegraf aldaar werd in maart 1907 in gebruik genomen na het overlijden van een oudere zus, maar Clemence staat als eerste vermeld. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de zerk pas veel later geplaatst is.

De grafsteen waarop Clemence Lasance vermeld staat op de katholieke begraafplaats BuitenveldertDe grafsteen waarop Clemence Lasance vermeld staat op de katholieke begraafplaats Buitenveldert.

Op de 18de november werd in ‘s-Gravenzande nog een slachtoffer begraven, namelijk de matroos R. Rayment. Zijn weduwe en twee kinderen waren voor de begrafenis overgekomen uit Engeland. Het lichaam werd ten grave gedragen door zes van zijn directe collega’s, allen in uniform.

Van lichamen die nog in 1908 werden aangetroffen, werd het steeds onzekerder of ze afkomstig waren van de Berlin. In ieder geval werden ze zo goed als mogelijk gedocumenteerd en gefotografeerd en daarna begraven in ’s-Gravenzande.

Monumenten op de verzamelgraven

Centraal op de begraafplaats van ’s-Gravenzand zijn nu nog de twee grafvakken te vinden waar de slachtoffers van de Berlin begraven liggen. Het eerste vak bestaat uit 12 graven en het tweede uit 8 graven. Omdat er veel onbekende slachtoffers zijn begraven is niet duidelijk om hoeveel personen het exact gaat. Later zijn ook weer lichamen opgegraven en overgebracht naar andere begraafplaatsen.

In het grote graf zijn de namen van vier doden bekend: Theodor Bertram en zijn vrouw Wetterling, Alfred Zschocher en Otto Viebahn. In het kleinere graf zijn de namen bekend van Louis Gysin, Elisa Werner, Otto van Franquet, Mortiz Alfred Rank, Thomas Dryden Davidson, Elisabeth Mabel Morton, Frederik Holden, Charotte Steinsdorf en Augustave Hirsch. De laatste was een 5-jarig jongetje dat alleen reisde en waarover destijds uitgebreid geschreven werd.

Op enkele graven werden individuele grafmonumenten geplaatst. In het grote grafvak resteren 2 grafmonumenten. De eerste is voor Alfred Zschocher en bestaat uit een stèle met metalen tekstplaat en een ervoor liggende steen met daarop een krans. Voor het monument voor Zschocher ligt nog een hardstenen zerk voor Otto Viebahn. Behalve zijn naam en geboortedatum staat er verder niets op de zerk. In het naastgelegen kleinere grafvak staat 1 monument. Het betreft een marmeren stèle op basement voor Louis Gysin (1880- 1907), afkomstig uit Zwitserland. De voorstelling op de stèle bestaat uit een treurende vrouw onder een boom, met aan haar voeten een veld van bloemen. Onderaan staat vermeld dat Gysin omkwam bij de ramp met de Berlin.

Grafmonument voor Louis Gysin in het kleinere grafvak in 2007.Grafmonument voor Louis Gysin in het kleinere grafvak in 2007.

In 1916 werden in het graf ook enige slachtoffers bijgezet van de Duitse kruiser ‘Frauenlob’ die in op 31 mei van dat jaar bij de Slag om Jutland was getorpedeerd door de Engelsen. Ruim 300 zeelieden kwamen daarbij om het leven.

Herdenkingen

In 1932, 25 jaar na de ramp, werd op de begraafplaats een grote herdenking gehouden. Daarbij waren naast Prins Hendrik, de Duitse gezant en de burgemeester ook talloze nabestaanden aanwezig. De plechtigheid bestond onder meer uit de onthulling van een nieuw monument, bestaande uit een lage rand rondom het grote grafvak met op het hoofdeind de opstand met daarin een adelaar en daaronder de woorden Weiter in Gott. Het materiaal lijkt op Beiers graniet, maar is in werkelijkheid kunststeen.

Op 21 februari 2007 was het precies honderd jaar geleden dat de veerboot ‘Berlin’ bij Hoek van Holland verging. De scheepsramp werd herdacht met een kranslegging op zee door de voorzitter van de deelraad van Hoek van Holland, P. Roomer en de burgemeester van Westland, J. van der Tak. Ook op de begraafplaats van ’s-Gravenzande vond die dag een herdenkingsbijeenkomst plaats. Bij het monument ter nagedachtenis van de slachtoffers werden door verschillende instanties kransen gelegd. Ook elders was aandacht voor de ramp. Zo organiseerde het Maritiem Museum in Rotterdam van 5 april 2007 tot en met 3 maart 2008 een expositie over de ramp met de Berlin. Op televisie schonk het programma ‘Andere Tijden’ op 1 maart 2007 aandacht aan de scheepsramp.


Veel informatie over de scheepsramp is afkomstig uit het Historisch Archief Westland in Naaldwijk. Het archief exposeerde op verschillende locaties originele foto's, oude krantenknipsels en uittreksels van de burgerlijke stand waar de drenkelingen werden bijgeschreven.

Met dank aan de medewerkers van de administratie van de Joodse begraafplaats Weissensee in Berlijn (informatie 8 augustus 2022)

 

Noot

[1] Voorste deel van het bovenste dek van het schip

 

Literatuur

  • Pisuisse, Jean Louis; De schipbreuk van de “Berlin” 21 februari 1907. Volledig verhaal van de scheepsramp aan den Hoek van Holland, Amsterdam

 

Internet

  • De ramp met de Harwichboot-Berlin (geraadpleegd 16 september 2022)
  • Andere Tijden: Ramp met de Berlin (geraadpleegd 4 augustus 2022)
  • De ramp met het s.s. Berlin (geraadpleegd 4 augustus 2022)
  • De ramp met het s.s. Berlin. 21-23 februari 1907 (geraadpleegd 16 september 2022)

 

 


© 2024 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.