Noord-Holland

Amsterdam - Begraafplaats Sint Barbara

 

Hier ligt heel sociaal bewogen, katholiek Amsterdam, zo stelt de voormalige beheerder van Sint Barbara het zelf. Johan Degenkamp, praktisch geboren op de begraafplaats, is een gids die uren kan vertellen over 'zijn' begraafplaats. Hij wijst ook met graagte op de plek waar hij begraven zal worden, als het zover is.

Johan Degenkamp was decennialang beheerder van de begraafplaats net als zijn vader voor hem. Nu wordt de begraafplaats beheerd door Jacqueline Degenkamp die verantwoordelijk is voor de administratie, financien en de vertegenwoordiging doet en Richard Degenkamp die het onderhoud en beheer buiten op zich heeft genomen. Hun vader is nog steeds hun steun en toeverlaat, wat ook bijna niet anders kan omdat de familie ook op de begraafplaats woont. Er ligt op de begraafplaats een eigen familiegraf en Johan weet dat hij later ook hier zal worden bijgezet. Tijdens rondleidingen mag hij hier graag bij stil staan. De begraafplaats werd in 1893 geopend maar het verhaal van deze buitengewone begraafplaats begon eigenlijk al in 1845.

De Liefde

Zoals het ooit was...In 1845 kreeg Amsterdam haar eigen rooms-katholieke begraafplaats. Buiten de stad waren eerder al de rooms-katholieke kerkhoven van Diemen (1827), Buitenveldert (1835) en Osdorp (1843) geopend. Die lagen destijds kilometers van de stad en de rooms-katholieken in Amsterdam hadden nog steeds geen eigen begraafplaats. Het was de pastoor van de kerk De Liefde die op een kavel grond vlakbij zijn kerk uiteindelijk in 1845 de eerste rooms-katholieke begraafplaats stichtte.

De kerk die daar al in 1786 was gebouwd, lag toen aan de rand van de stad, enkele honderden meters van de buitengracht. De begraafplaats kreeg eveneens de naam De Liefde, een naam die ook overging op de statie. Dat de gekozen plek feitelijk zeer ongunstig was, bleek slechts 50 jaar later. De stad strekte zich toen al uit tot nabij de begraafplaats en ruimte voor uitbreiding van de begraafplaats was er niet meer. Die uitbreiding was echter hard nodig, want de snelgroeiende stad bracht jaarlijks meer dan 1.000 doden met zich die men wilde begraven in gewijde grond.

Op zoek naar een nieuwe begraafplaats

De directie van begraafplaats De Liefde onderhandelde vanaf 1881 met de gemeente Amsterdam om te kijken naar de mogelijkheden voor een uitbreiding van de dodenakker. Omdat deze onderhandelingen niet erg vlot verliepen, richtte de blik van de directie zich ook op de overkant van de Kostverloren vaart. De gronden die men daar op het oog had, behoorden echter aan de gemeente Sloten, die het terrein al verkocht bleek te hebben. Daarna voerde de zoektocht de directie van de begraafplaats naar de Watergraafsmeer, aan de oostkant van de stad. De grond die men hier op het oog had, bleek veel te duur en bovendien viel de Watergraafsmeer kerkelijk onder Diemen. In 1888 bood makelaar Wiegland de directie enkele stukken grond aan langs de Spaarndammerdijk, wederom in de gemeente Sloten. Op vrijdag 7 september 1888 gingen enkele leden van het bestuur het terrein, gelegen in de Overbraker Binnenpolder, bezichtigen. Het bleek te gaan om een stuk grond, behorend aan twee eigenaars, waarvan een onlangs was overleden. Een van de stukken kwam kort daarna in veiling en de directie besloot men te gaan bieden. Men bracht het hoogste bod uit waardoor de directie eigenaar werd van de boerenhofstede Leeuwendael. Maar liefst twaalf ha. land inclusief boerderij. Men betaalde 39.753,86 gulden voor de grond, een niet gering bedrag. Maar met alleen de grond was de directie er nog niet.

Plannen maken

barbara 06 DEFNa de aankoop van de grond bood architect A.C. Bleijs (1842-1912) aan om, geheel belangeloos, een plan te maken voor de nieuwe begraafplaats. Bleijs had tot dan toe voornamelijk kerken ontworpen, waaronder de Heilige Nicolaas bij het station in Amsterdam. Bleijs maakt meerdere ontwerpen voor de begraafplaats en de kapel. Zo situeerde hij in een van de ontwerpen de kapel centraal in de hoofdas met een aanleg in landschapsstijl met een slingerende hoofdlaan. Het ontwerp was zo opgezet dat uitbreidingen er gemakkelijk op konden sluiten. Wat Bleijs ontwierp, was echter naar de mening van de directie van de toekomstige begraafplaats te duur, zeker wanneer je kijkt naar het ontwerp voor de kapel. Daarop tekende Bleijs een zogenaamde 'hulpkapel' links van de ingang van de begraafplaats. Deze kapel, van vakwerk, zou later vervangen worden door een stenen kapel. Bleijs tekende verder nog aan het grondplan en hij ontwierp de monumentale ingang en een beheerderswoning. Na goedkeuring door de directie van begraafplaats De Liefde, kon in september 1891 begonnen worden met het werk. Overigens vond men de aangekochte percelen, langwerpig van vorm, niet zo geschikt om in zijn geheel te benutten. Aanleg van een begraafplaats over de volle lengte zou betekenen dat er veel te ver gelopen moest worden. Later werden daarom de gronden achter de begraafplaats geruild tegen gronden ter weerszijden van de begraafplaats.

De aanleg

Voor de nieuwe begraafplaats werd in eerste instantie een stuk van drie à vier hectare gereed gemaakt. Als eerste werden voorbereidingen getroffen voor de aanvoer van zand voor de ophoging van het terrein. Het kwam goed van pas dat de spoorbaan Amsterdam-Haarlem van de Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij (HIJSM) net achter het terrein liep. Daardoor kon met de HIJSM een contract gesloten worden voor de aanvoer van zand. Het zand voor de hulpbanen, 10.000 m3, werd gratis geleverd. In januari 1892 kon begonnen worden met de aanvoer van de bijna 130.000 m3 die nodig was voor de ophoging. Het zand werd aangevoerd uit de duinen bij Castricum. Tot half mei leverden 487 treinen van de HIJSM het benodigde zand. Inclusief het bouwen van een spoorbrug, arbeidsloon en bijkomende werkzaamheden kostte de ophoging bijna 110.000 gulden. De forse laag zand, wel zeven meter hoog, liet men daarna een aantal maanden liggen om in te zakken. Toen het zandlichaam voldoende ingeklonken was, kon in september 1892 begonnen worden met de bouw van de woningen, de kapel, het hek en de aanleg van het plantsoen. Tot 27 september 1893 werd dagelijks door gemiddeld veertig arbeiders gewerkt aan de aanleg.

De oorspronkelijk kapel van Bleijs die uiteindelijk snel weer vervangen werd (foto Archief Sint Barbara).De kapel, opgetrokken in vakbouw, bevatte in het midden de dodenkapel met aan weerszijden wachtkamers voor de verschillende klassen. Daarnaast werd in het gebouw nog een sacristie ingericht evenals een mortuarium en de nodige bergruimte. Het voorterrein van de begraafplaats werd ruim ingericht om plaats te bieden aan rijtuigen. Dit voorterrein werd van de begraafplaats gescheiden door een monumentale ingang in de vorm van vier hoofdpijlers en zes hekpijlers, uitgevoerd in witte en blauwe natuursteen, metselwerk en geglazuurde stenen. Daartussen drie ingangen, de middelste breed en dienend als hoofdingang en ter weerszijden ingangen voor voetgangers van de verschillende klassen. Van de hoofdingang liep een drievoudige laan midden door de begraafplaats. De verdeling van de paden was symmetrisch opgezet zodat alle graven gemakkelijk te bereiken waren. In die zin een hele verbetering ten opzichte van begraafplaats De Liefde waar de graven rij aan rij lagen, zoals destijds gebruikelijk.
De woningen voor de directeur, de opzichter en de doodgravers werden onder één kap gebracht en rechts van de ingang gebouwd. Het voorstuk kreeg een dwarskap, terwijl het grootste volume daarachter onder een zadeldak werd gebracht. Achter de woning werd een eenvoudige schuur gebouwd.

De aankoop, aanleg en bouw van kapel, woningen en hekwerk kostte bij elkaar bijna 230.000 gulden, waarbij inbegrepen het salaris voor de architect Bleijs. Hij kreeg 9.730 gulden uitbetaald.

De inwijding

Een belangrijk moment was de inwijding van de begraafplaats op 27 september 1893. Monseigneur H. Poppen, deken van Amsterdam, verrichtte de kerkelijke plechtigheden in aanwezigheid van alle pastoors, kapelaans, de directie, de burgemeester van Sloten, de bouwmeester en talloze belangstellenden. Na afloop van de plechtigheden gebruikte men een eenvoudige lunch waarbij enkele sprekers het woord namen. De voorzitter van de directie bracht naar voren dat de begraafplaats nu nog klein was, maar hij sprak de hoop uit dat deze snel geheel voltooid zou worden opdat alle gelovigen van het dekenaat een prachtige rustplaats zouden vinden. De burgemeester van Sloten voegde ook nog toe dat de begraafplaats weldra niet meer onder zijn gemeente zou vallen maar, beter passend, bij de stad Amsterdam. Dat moment kwam in 1896 toen een deel aan de overzijde van de Kostverloren Vaart door Amsterdam werd geannexeerd. In 1921 zou de rest van de gemeente Sloten volgen.

De begraafplaats in gebruik

CalvariegroepNiet lang na de inwijding werd het eerste stoffelijk overschot begraven. Dat gebeurde op 1 oktober 1893. De begraafplaats was ingedeeld in vijf klassen, waarbij men bij de 1e en 2e klasse de keuze had uit een enkel of een dubbel graf. Het reglement werd overgenomen van dat van begraafplaats De Liefde.
Hoewel de begraafplaats in 1893 was opgeleverd, ontbraken nog enkele elementen. Zo liet men enkele jaren na de opening een calvarieberg ontwerpen. Het ontwerp achtte de directie echter te duur, waarna gekozen werd voor een eenvoudig kruisbeeld.

Vanaf 1898 werden op De Liefde geen nieuwe algemene graven meer uitgegeven. Op het deel van de algemene graven werd in 1912 het Bilderdijkpark aangelegd en een parkherstellingsoord. Bijzettingen in eigen graven zouden nog toegestaan worden tot 1936. In 1962 werden de laatste restanten van het kerkhof geruimd. Veel stoffelijke resten, van vooral bekende en vooraanstaande Amsterdamse katholieken, waren toen al overgebracht naar Sint Barbara. Het graf van Bleijs, die in 1912 op de Liefde was begraven, werd vreemd genoeg niet overgebracht en werd uiteindelijk geruimd. Alleen het oude lijkenhuisje, in het huidige Bilderdijkpark, herinnert nu nog aan begraafplaats De Liefde.

1904Een onderwerp wat al snel de aandacht van de directie opeiste, was de situatie van de kapel. Al in 1901 was de hulpkapel zo bouwvallig geworden dat ingrijpen noodzakelijk was. De muren scheurden en verzakkingen kwamen duidelijk aan het licht. Uit een onderzoek bleek dat de architect Bleijs een verkeerd funderingssysteem had toegepast. De onderheiing met houten palen was in het droge zandbed onvoldoende diep geweest. Bovendien was het een verkeerde keuze omdat de koppen al snel inrotten doordat ze droog stonden. Als maatregel werd voorgesteld de kapel op een betonplaat te zetten. Omdat ook veel ander hout verrot bleek te zijn, koos men er voor een geheel nieuwe kapel in dezelfde stijl op te trekken. regelsDaarbij werd wel gebruik gemaakt van materialen die nog goed waren. De nieuwe kapel was gereed in oktober 1902. Meest opvallende verschil was dat de spits meer naar het midden was geplaatst. In de tussentijd werden de begrafenisplechtigheden gehouden in de H. Maria Magdalenakerk aan het Spaarndammerplein. Deze kerk, gebouwd in 1891 naar ontwerp van Cuypers, werd in 1968 gesloopt.

Ondertussen gingen de kerkelijke plechtigheden op het kerkhof, waar jaarlijks rond de 1.000 doden werden begraven, niet altijd naar wens. Vaak was er ergernis over het optreden der kapelaans. Die ergerden zich op hun beurt vaak weer aan het lange wachten of aan de, in hun ogen te uitbundige, uitingen van rouw door de vele bloemenkransen.

De tuinman die de begraafplaats onderhield, bleek na verloop van tijd zijn werk niet goed aan te kunnen. De begraafplaats begon een verwaarloosde indruk te maken. De tuinman werd ontslagen en ook andere maatregelen werden genomen. Dit alles speelde in de jaren dertig van de twintigste eeuw, nog maar veertig jaar na de opening.

Renovatie en verder gebruik

De hele begraafplaats werd in de jaren dertig grondig aangepakt, maar ook werden er weer plannen gemaakt voor een nieuwe kapel. Een ontwerp werd gemaakt door Lau Peters (1900-1969). Maar door de economische crisis werden de kosten voor de directie wederom te hoog en men koos voor herstel van de bestaande kapel. Daarnaast werd ook voorrang gegeven aan de aanpak van de begraafplaats zelf. De iepziekte die vanaf 1918 al de kop op stak in Nederland hielp een handje bij de aanpak. Nieuwe bomen werden geplant en allerlei andere struiken en planten werden aangeplant. Ook de paden werden vervangen. Het brede middenpad kreeg een beplanting van platanen en taxus.

HoofdasIn 1936 werd eindelijk een calvariegroep geplaatst, naar ontwerp van H. Remmens. Hij ontwierp de groep in het destijds zeer moderne cementbeton. In 1937 werden de werkzaamheden afgerond en sprak de directie over een 'vernieuwde doden-rustplaats'.

In de jaren vijftig van de twintigste eeuw werd aan de linkerzijde van de begraafplaats een andere aanleg gekozen. Geen lange paden met aan weerszijden graven, maar slingerende paden waartussen kleine blokken met graven.
Maar deze aanpak overleefde de tijd niet. Net als andere elementen op de begraafplaats, want de ingang verdween eind jaren zestig roemloos. Verwaarlozing en verzakking door het hier kerende zware verkeer waren reden voor afbraak. In plaats daarvan werd dichter bij de dijk een eenvoudig hekwerk tussen een bakstenen muur geplaatst terwijl het stuk daarachter ingericht werd tot parkeerplaats. Waar het oude hek stond, werd een rij bomen geplant en het geheel werd aangekleed met enkele symmetrische plantsoentjes en ander groen. Van het oude hek resteert slechts een gemetselde waterput die zich ooit in een van de torentjes van het hekwerk bevond. De beheerder heeft ook nog enkele andere onderdelen van het hek weten te bewaren.

InterieurEen steeds terugkerende factor van zorg was het onderhoud aan de kapel. In de jaren zestig was deze alweer aan restauratie toe. Het werd niet alleen een restauratie, want dit keer werd ook het interieur grondig aangepast aan de toen bestaande liturgische opvattingen. Architect P.B.M. Hendrix maakte een ontwerp waarbij de oude kapel veranderde in een moderne ruimte. Nieuwe wanden, vloer en plafond onttrokken de oude muurschilderingen, decoraties en glas in lood aan het oog. De indeling van de kapel werd efficiënter en de ruimte werd intiemer.

Belangrijke grafmonumenten

Op Sint Barbara zijn bijzondere personen begraven en herbegraven. Zo liggen hier nagenoeg alle geestelijken begraven die in de afgelopen anderhalve eeuw iets van doen hadden met de parochie. In 1944 waren al 140 van hen overgebracht van De Liefde naar hier. In 1944 werden op De Liefde veel grafkelders afgevuld met zand om er voor te zorgen dat de spelende jeugd niet in de kelders kon vallen. Vaak ook werden de kelders opgevuld met resten van de kapotgeslagen zerken, wat later weer verzakkingen opleverde. Tal van zerken en kisten werden per handkar overgebracht naar Sint Barbara. Die overbrenging heeft er toe geleid dat op Sint Barbara een keur aan bekende katholieken te vinden is.

In de hoofdas, links vooraan, ligt het graf van jhr. H.C.J.M. van Nispen tot Sevenaer (1836-1897), priester en oprichter van de Sint Josephs Gezellenvereniging in Amsterdam. Het grafmonument valt op doordat het als het ware een drieluik is in gotische vormgeving met in het midden een reliëf van de Barmhartige Samaritaan, symbool van naastenliefde.
Even verderop ligt het graf van Mgr. Judocus Antonius Smits (1813-1872), geboren in Eindhoven. Hij was in 1845 de oprichter en eerste hoofdredacteur van de krant De Tijd. Naast zijn dagelijkse werkzaamheden fungeerde Smits vanaf 1848 als rector van het Sint-Piusgesticht in Amsterdam. In het klooster bij dit gesticht woonde Smits ook en hoewel hij zich niet thuis voelde in Amsterdam, vond hij in deze stad wel zijn laatste rustplaats. De zerk die zijn graf dekt, werd in 1946 onthuld bij het honderdjarige bestaan van De Tijd. In dezelfde rij ligt ook het graf van de dichter en schrijver Alberdingk Thijm (1820-1889). Hij was een emancipator van de katholieken in de 19de eeuw. Bijzonder is het feit dat zijn vrouw hier niet begraven werd, maar wel haar hart, zoals vermeld op de zerk. De zerk met de stoffelijke resten is pas in 1955 overgebracht naar Sint Barbara. Het initiatief daartoe werd genomen door het Thijmgenootschap.
PoppenMonseigneur Poppen (1816-1897) die in 1893 Sint Barbara plechtig inwijdde, lag destijds ook hier begraven, maar het graf met het kolossale grafmonument is opnieuw uitgegeven. De opstand op het graf vertoont nog wel de kenmerken van de deken, maar uiteindelijk zal de tekst in de gotische blindnis anders gaan luiden.

Aan de andere kant van de brede hoofdlaan liggen nog enkele grafmonumenten van bekende Amsterdamse katholieke families. Zo liggen hier leden van de familie Bensdorp. Gerard Bensdorp richtte in 1840 een cacao- en chocoladefabriek op in Amsterdam. Later breidde Bensdorp de productie uit naar Bussum en naar het buitenland. In 1962 nam Bensdorp het bekende Blooker in Amsterdam over, waarna de fabriek werd gesloten. In 1972 werd Bensdorp zelf overgenomen door Unilever. Het merk Bensdorp bestaat nog steeds. Het grafmonument van de familie valt op door de zandstenen opstand achter het keldergraf met daarop christelijke afbeeldingen waaronder de zeven werken van barmhartigheid. Een andere bekende Amsterdamse naam is die van de familie Boldoot. Een dubbele zerk met daarachter een abstracte calvarie met kruis vormt de laatste rustplaats voor leden van deze familie. Boldoot werd opgericht in 1789 in een pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam. Daar startte men in een apotheek met de verkoop van een zelf ontwikkeld, op alcohol gebaseerd geneesmiddel. Dat middel zou goed zijn tegen hoofdpijn en andere kwaaltjes. Hoewel het middeltje niet erg werkzaam bleek, werd het in de loop van de 19de eeuw populair als toiletartikel (Eau de Cologne). Vanaf 1876 werd het ook in zeep verwerkt en daarmee groeide de productie van het middel. In 1902 vestigde Boldoot een nieuwe zeepfabriek aan de Haarlemmerweg, niet ver van Sint Barbara. Het bedrijf was bij uitstek een katholiek bolwerk waar de katholieke waarden door de familie hoog gehouden werden.

Van meer recente tijden dateren de graven van Manke Nelis (1919-1993), de volkszanger die tientallen jaren een duo vormde met Johnny Meijer en optrad met Johnny Jordaan, tante Leen en André Hazes. Ook ligt hier Anja Joos (1960-2003) begraven. Haar dood werd breed in de pers gebracht doordat zij na een onterechte verdenking van winkeldiefstal en een vermeende racistische opmerking van haar kant werd doodgeslagen door winkelpersoneel. De aan drugs verslaafde Joos werd op 9 oktober 2003 begraven op Sint Barbara, op kosten van de Sociale Dienst. Joos ligt in een verzamelgraf dat in de zomer van 2003 is aangekocht door het Amsterdamse drugspastoraat en niet lang daarna werd voorzien van een fraai monument dat ontworpen is door de beheerder zelf. In 2009 werd dichter en schrijver Simon Vinkenoog (1928-2009) hier begraven. Vinkenoog kende de begraafplaats goed want hij maakte deel uit de Poule des Doods, een groep dichters die bij uitvaarten van eenzaam gestorven lieden gedichten schrijft en voordraagt tijdens de begrafenis. Deze groep werd opgericht door dichter Frank Starik (1958-2018), pseudoniem van Frank von der Möhlen, die zelf in 2018 overleed. Na 227 eenzame uitvaarten werd hij zelf op Sint Barbara begraven.

Verspreid op de begraafplaats liggen ook nog slachtoffers van verzet en onderdrukking tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aan sommige graven zitten verhalen vast, die bijna 75 jaar na dato een mens nog steeds doen huiveren. Acht graven herinneren nog aan oorlogsslachtoffers. Ooit lagen er meer slachtoffers begraven maar in de loop van de tijd is een aantal graven overgebracht naar het Ereveld in Loenen. Johannes Adrianus Jozef Verleun is een van de slachtoffers die hier begraven is. Verleun wilde priester worden maar vond in 1944 de dood nadat zijn verzetsgroep verraden was. Jaarlijks wordt aan het begin van de hoofdlaan stil gestaan bij de doden van 1940-1945. In het middenperk is een herinneringssteen voor alle op de begraafplaats rustende slachtoffers geplaatst.

Sint Barbara vandaag

De begraafplaats is in de loop van de twintigste eeuw ingehaald door de stad. De begraafplaats lag altijd al tussen twee spoorlijnen, maar verder nog in het weidse polderland. Nu is dat weidse polderland alleen nog aan weerszijden te vinden, althans een stukje. Ook is er nog een klein stukje van de oude dijk bewaard, maar verder is de omgeving veranderd in een industriegebied. Desondanks is er een ontwikkeling op gang gekomen in de laatste jaren waardoor het groen in de omgeving weer terrein wint met door de verdere ontwikkeling van het Westerpark en het terrein van de Westergasfabriek. Inmiddels is de begraafplaats uitgegroeid tot zes hectare. Uitbreidingen rond de eeuwwisseling aan de linker- en rechterzijde waren nodig geworden om nieuwe graven te kunnen aanbieden. Mogelijk vinden er in de toekomst nog verdere uitbreidingen plaats.

AulaDe kapel staat er momenteel goed bij. Rond 2008 was dat helaas niet het geval. De fundering bleek prima in orde, maar het houtwerk was des te slechter en ook het vele lood bleek op veel plaatsen versleten te zijn. Bovendien had de inrichting van de kapel zijn langste tijd gehad. In 2009 is de kapel een gemeentelijk monument geworden, wat het mogelijk maakte dat de gemeente Amsterdam bijdroeg aan de noodzakelijke middelen voor het herstel van de kapel. In 2012 kon een grondige restauratie van de kapel uitgevoerd worden en niet veel later is ook het interieur aangepast aan de eisen van de tijd, ondermeer met enkele moderne toiletten, een meer eigentijdse inrichting van de aula en een state of the art geluidssysteem. Er bestaan ook plannen om op het voorterrein of elders een afscheidsruimte te bouwen. In 2018 wordt het 125-jarige bestaan van de begraafplaats gevierd en zal de begraafplaats weer even in de schijnwerpers staan.

 

Met dank aan de heer J. Degenkamp, beheerder

 

Literatuur

  • Diverse auteurs; 100 jaar Begraafplaats St. Barbara Amsterdam, Amsterdam 1994.
  • Feijter, Henk de; Funeraire Cultuur. Amsterdam, Soesterberg 2002.
  • Roever, Margriet de en Jenny Bierenbroodspot; De Begraafplaatsen van Amsterdam; Amsterdam 2005.

 

Internet

 

 


© 2020 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.