Noord-Holland

Alkmaar - Gemeentelijke begraafplaats Westerweg

 

Sinds 2015 kent de gemeente Alkmaar negentien begraafplaatsen. De stad zelf telt er slechts drie, waarvan de joodse begraafplaats het oudst is. Het aantal begraafplaatsen is met name toegenomen door de gemeentelijke herindeling waardoor in 2015 de gemeenten Graft-De Rijp (zes begraafplaatsen) en Schermer (zeven begraafplaatsen) aan Alkmaar werden toegevoegd. De grootste begraafplaats en ook de meest stedelijke is de gemeentelijke begraafplaats aan de Westerweg.

Gezicht op het kerkhof bij de Grote kerk van Alkmaar, prent van Leonard Schenk naar een tekening van Abraham Rademaker ± 1740.Alkmaar is een behoorlijk oude stad en de locatie was zo gekozen dat de eerste bewoners niet alleen droge voeten hielden, maar ook hun doden droog konden begraven. Het oudste deel van Alkmaar is te vinden rond de Grote Kerk. Deze, tussen 1470 en 1520 gebouwde, kerk staat op een uitloper van de oude duinen, de zogenaamde geestgronden, waar al in de eeuwen daarvoor bewoning plaatsvond. Rond de kerk zijn bij opgravingen sporen gevonden die teruggaan tot de Romeinse tijd. Ook zijn daar sporen van activiteiten aangetroffen van de Friezen die dit gebied in de vroege middeleeuwen bewoond moeten hebben. Er vond in die periode nog geen permanente bewoning plaats in wat we nu Alkmaar noemen. Resten van een tufstenen kerk uit de tiende of elfde eeuw wijzen wel op een permanente bewoning rond die tijd. De gevonden Romeinse tegels en dakpannen in de fundering van deze kerk blijken vooral afkomstig te zijn uit verschillende forten die langs de Limes, de Romeinse grens, hadden gestaan. Ten behoeve van de kerkenbouw werden in die tijd de resten van die forten gebruikt. Dat er destijds al begraven werd bij deze kerk, blijkt uit een vermoedelijke kerkhofgracht die al rond 1200 opgevuld moet zijn. Het kerkhof bleek vooral aan de noordzijde te hebben gelegen met dien verstande dat latere kerkenbouw zich over grote delen van het oorspronkelijke kerkhof uitstrekte.

Begraven in de kerk

Een van de oudere grafzerken in de kerk dateert van rond 1560 en bevat een zogenaamde transi, oftewel een ontbindend lichaam.De oudst bewaarde grafstenen in de kerk dateren van eind zestiende eeuw. Voordien werd ook al begraven in de kerk, veel oudere graven zijn echter door jongere begravingen verstoord. In de periode van 1624 tot 1634 werd de huidige vloerindeling aangebracht. Daarbij werden ook de afmetingen van de zerken aangepast. Bestaande zerken van rood zandsteen en het lichte ledesteen verdwenen of werden hergebruikt. Oudere begravingen doorsneden in sommige gevallen de eerdere funderingen van voorgangers van de huidige kerk en lagen bovendien in een andere oriëntatie dan de jongere graven. In de kerk was zelfs een waterput aanwezig, mogelijk om schoon wijwater te verkrijgen.

In de middeleeuwen werden de doden begraven in de Grote Kerk en het kerkhof dat daaromheen lag, later verdeeld in het noorder- en zuiderkerkhof. Het zuiderkerkhof was het grootste kerkhof. In 1644 werd een muur rond het kerkhof gebouwd. Die muur is waarschijnlijk in de negentiende eeuw weer afgebroken. Uiteraard kenden ook de vele kloosters in de stad hun eigen kerkhof waar vaak niet alleen de broeders of zusters werden begraven, maar ook zieken die in de zorg van de kloosters waren gestorven. Ook in de kapelkerk aan de Laat werd lange tijd begraven.

Het beheer van de graven binnen en buiten de kerk was in handen van het stadsbestuur. De administratie werd bijgehouden door kerkmeesters die betaald werden door de stad. Tarieven en reglementen werden met toestemming van het stadsbestuur vastgesteld. Bij toerbeurt nam een van de kerkmeesters de leiding over het reilen en zeilen rondom het begraven, zoals het aansturen van de doodgravers. In de Franse Tijd (1795-1813) werden in plaats van kerkmeesters acht bestuurders van de Hervormde kerk aangesteld. Vanaf 1821 vormden zes bestuursleden het College van Kerkvoogden. Het college voerde drastische veranderingen door met een nieuw reglement en fors hogere tarieven. Wellicht dat men daardoor het aantal begravingen in de kerk wilde terugdringen. Uiteindelijk liggen er vandaag de dag in de kerk nog zo’n 1.700 zerken waarvan ruim 1.000 voorzien zijn van een tekst of afbeelding.

Naar een nieuwe begraafplaats

De eerste opzet van de begraafplaats is bewaard gebleven op de topografische kaart van 1877 (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)Met de komst van de Fransen in Nederland in 1795 werd het stadsbestuur opgeroepen het begraven in de kerken te staken. Het stadsbestuur legde deze oproep naast zich neer en ook het verbod van 1810, toen Nederland onder het Frans keizerrijk viel, werd min of meer genegeerd. Zo’n drie jaar later, in juni 1813, viel toch een besluit om grond aan te kopen voor een begraafplaats buiten de bebouwde kom. Met het vertrek van Fransen in december 1813 verviel daarvoor de verplichting en het stadsbestuur trok haar besluit weer in. Begraven werd er gewoon als vanouds op het kerkhof en in de kerk. Toen Koning Willem I in 1827 besloot het oude decreet van 1810 weer in werking te stellen, reageerde de gemeenteraad van Alkmaar snel. Vanaf 1 januari 1829 moest het begraven in de kerk gestaakt worden en ook op het kerkhof kon vanaf dat moment niet meer begraven worden. In oktober 1827 werd door de gemeenteraad een commissie ingesteld die zich met de organisatie van de inrichting van een nieuwe begraafplaats bezig moest gaan houden. In januari 1828 stelde de commissie voor een stuk grond te kopen nabij de joodse begraafplaats. Tevens werden drie plannen gepresenteerd waarvan de raad unaniem het duurste plan koos. Het mocht wat kosten, want Alkmaar wilde waarschijnlijk niet onderdoen voor andere steden. Burgemeester Gijsbert Fontein Verschuir (1764-1838) werd belast met de uitvoering van de plannen. Al snel voerde hij enkele stevige wijzigingen door. Zo werd niet de geplande locatie genomen, maar een betere plek: het voormalige exercitieveld dat al in het bezit van de gemeente was. Dit terrein lag aan de rand van de Alkmaarder Hout langs de Westerweg. Het terrein was goed bereikbaar en de lanen die op de toegangspoort toeliepen, zouden al van verre een blik op de ingang geven. Ook bleek het terrein groter waardoor de noodzakelijke grond voor de verhoging van het terrein gehaald kon worden uit de uit te graven vijvers. In oktober 1828 besloot de raad, op voordracht van de burgemeester, om op de nieuwe begraafplaats ook een voorziening aan te leggen tot het voorkomen van schijndoden, een zogeheten schijndodenhuis. In november werden eigenaars van graven in de Grote Kerk opgeroepen zich te melden indien zij ter schadeloosstelling voor het wegvallen van de graven in de kerk een graf op de nieuwe begraafplaats wilden hebben. Via een loting werden vergelijkbare grafruimten op de begraafplaats aangewezen. Hoewel katholieken en protestanten in de kerk door elkaar werden begraven, werden die op de begraafplaats strikt gescheiden gehouden.

De eigenaren van graven in de kerk, hoewel ze werden gecompenseerd, moesten in april 1830 nog gewoon betalen voor het ophogen van de graven in de kerk. Die praktijk ging dus gewoon door, zoals al eeuwen daarvoor het geval zal zijn geweest. Toen het begraven in de kerk in september 1830 gestopt werd, droegen de kerkmeesters hun gereedschap over. Daaronder een kruiwagen, grafschotten en palen voor het stutten van het graf, touw, tilhaken (voor de zerken) en ook een laddertje. Dat laddertje zal nodig zijn geweest, want de graven in de kerk waren soms tot wel 2,5 meter diep. De kerkmeesters werden door het stadsbestuur jaarlijks met 1.200 gulden gecompenseerd voor de weggevallen inkomsten. Er volgde ook nog een eenmalige vergoeding van 24.000 gulden voor de kerkmeesters.

Aanleg van de begraafplaats

Voor de aanleg van de begraafplaats werd de bekende Jan David Zocher jr. (1791-1870) ingeschakeld. Van zijn hand is de ontwerptekening bewaard gebleven van het poortgebouw, echter van de oorspronkelijke plattegrond van de begraafplaats is niets bekend. Van de eerste aanleg zijn derhalve alleen schriftelijke bronnen bewaard. Zocher maakte het ontwerp in 1828, niet lang nadat hij ook voor de gemeente Haarlem een gelijkend ontwerp had opgeleverd in de zogenaamde landschapsstijl. In Haarlem was men al bezig met de uitvoering van de begraafplaats Akendam (het tegenwoordige Begraafpark Kleverlaan), toen gestart werd met de plannen in Alkmaar. Beide ontwerpen ontlopen elkaar dan ook niet veel. Waar Alkmaar echter wel in verschilde was het monumentale poortgebouw dat Zocher hier ontwierp. In een sobere Grieks-Dorische stijl realiseerde hij een gebouw waarin verschillende voorzieningen werden opgenomen. Aan de rechterzijde een wachtkamer en links een schijndodenhuis [1]. In het ontwerp voorzag Zocher een muur in dito stijl die het poortgebouw verbond met links een woning voor de doodgraver en rechts voor diens knecht. In de muur tussen het poortgebouw en de bijgebouwen werd het ontwerp doorgezet met in de timpanen allerlei funeraire symbolen: urnen, lauwerkransen, vlinders, zandlopers met en zonder vleugels, palmtakken en een olielamp. Wie langs de muur naar de ingang liep, werd op die manier geconfronteerd met symbolen van vergankelijkheid en de hoop op het eeuwige leven.

Het beschikbare terrein zelf werd door Zocher, net als in Haarlem, verdeeld in drie ‘eilanden’. De grootte van de eerste aanleg was in totaal 2,25 ha. Het grootste eiland, ter rechterzijde van de ingang, had een langgerekte ovaalvorm en was bedoeld voor katholieke graven, zowel eigen als algemene graven. Aan de linkerzijde werden twee ronde eilanden aangelegd, beide bedoeld voor protestantse graven. Het voorste eiland, dat eigenlijk een schiereiland vormde, was voor eigen graven en het achterste voor algemene graven. De gegraven waterpartijen leverden de nodige grond op om de eilanden op te hogen. Tussen de protestantse en katholieke delen zat voldoende tussenruimte om beide groepen uit elkaar te houden.

De eerste steen is ingemetseld in de doorgang van het poortgebouw.Op 26 juni 1829 werd de eerste steen voor het poortgebouw gelegd. Dat gebeurde door Jhr. Gijsbert Cornelis Fontein Verschuir, de jongste zoon van de burgemeester, die toen 14 jaar oud was. De gedenksteen is nog steeds te zien in de onderdoorgang in het poortgebouw. Een andere steen herinnert aan het feit dat de stedelijke bouwmeester Willem Hamer (1773-1858) in de jaren 1829 en 1830 het toezicht op het werk had. Ondertussen moet er hard gewerkt zijn aan de aanleg. Welke beplanting Zocher had gekozen voor de begraafplaats, is niet overgeleverd. Het is waarschijnlijk dat er verschillende treurbomen en groenblijvende bomen werden gekozen zoals cipressen en sparren. Bestellijsten zijn niet bekend en ook het huidige bomenbestand geeft geen aanknopingspunten, omdat de meeste bomen veel jonger zijn.

Ingebruikname

In het najaar van 1830 was de aanleg van de nieuwe algemene begraafplaats aan de Westerweg voltooid. Fontein Verschuir kocht als eerste een grafkelder, nabij de ingang aan de rand van vak A. Toen de burgemeester enkele jaren later, op 8 januari 1838, overleed, werd hij in de kelder (grafnummer A 6) bijgezet. Op 15 september 1830 vond de officiële opening van de begraafplaats plaats en een dag later volgde meteen de eerste begrafenis. Dat was voor het meisje Maria Petrolie op het algemene katholieke deel. Op 24 september werd het eerste eigen protestantse graf uitgegeven. Naar verluidt was de begrafenis in de avond en waren er twee aansprekers met lijkkoets bij betrokken. Het graf, vier diep, kostte destijds 22,85 gulden. Uit de bewaard gebleven stukken blijkt niet dat er in de beginjaren veel grafmonumenten werden geplaatst.

Wijzigingen

Met name aan het eind van de negentiende eeuw volgden een aantal aanpassingen en uitbreidingen in het ontwerp die veel van Zocher’s plan ongedaan maakten. Al in 1860 verkeerde de door Zocher ontworpen muur in gebrekkige staat en werd deze vervangen door een gietijzeren hekwerk op een lage hardstenen plint. Er volgden later in de eeuw nog meer wijzigingen, nu meer ingrijpend.

Van het katholieke deel resteren met name nog een aantal oudere grafmonumenten.In 1886 werd een deel van de waterpartij ten zuiden van het eiland voor de eigen protestantse graven (huidige vak A) gedempt. Daar ligt nu vak B. in het najaar van 1894 werd besloten tot wederom een aantal aanpassingen. Het plan daarvoor werd gepresenteerd door de stadsarchitect Gerrit Looman. Nu werd aan de zuidzijde van vak G (protestants) een deel van de waterpartij gedempt waardoor vak B uitgebreid kon worden. Verder werd het noordelijk eiland (oorspronkelijk vakken G en F voor katholieken) opnieuw ingedeeld. Na de realisatie in 1887 van de katholieke begraafplaats St. Barbara aan de Prins Bernhardlaan, aan de zuidzijde van de Alkmaarder Hout, liep de vraag naar katholieke graven op de algemene begraafplaats sterk terug. Het voorste deel waar de eigen graven van de katholieken lagen, vak C, werd afgescheiden van het achterste deel dat vervolgens na verloop van tijd geruimd kon worden om plaats te maken voor protestantse graven (vak H). in principe werden nu nagenoeg alle grafvakken gebruikt voor uitgifte van protestantse graven. In het plan van Looman wordt ook voor het eerst wat meer duidelijk over de beplanting. Het blijkt dat er met weinig kennis van zaken met het ontwerp van Zocher is omgesprongen. Canadese populieren vormden het merendeel van het houtgewas. Daarnaast kende de begraafplaats veel heesters die volgens Looman te hoog waren opgeschoten. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de oude beplanting gedeeltelijk vervangen werd. Vooral de verschillende soorten populieren maakten plaats voor andere soorten bomen. Nadien werden nog kleine aanpassingen gemaakt die alle ten kosten gingen van de waterpartijen.

Op een prentbriefkaart die dateert van het eind van de negentiende eeuw is de toenmalige situatie bij de ingang goed te zien.In 1917 werd voor het eerst grond aangekocht voor een uitbreiding. In eerste instantie aan de westzijde, waar tussen de begraafplaats en de spoorlijn naar Haarlem/Amsterdam nog een strook grond vrij was. De centrale waterpartij die nog deels resteerde, is daarbij doorgetrokken en ter weerszijden zijn enkele grafvelden aangelegd, waaronder een uitbreiding van grafvak H. In 1936 werd een tekening gemaakt voor de uitbreiding van het poortgebouw. Ter weerszijden zou een gedeelte van 3,7 meter aangebouwd worden, waarmee extra ruimte voor de wachtkamer verkregen zou worden alsmede een uitbreiding van het kantoor van de directeur van de begraafplaats. Het plan is niet doorgegaan.

Aan de zuidzijde van de begraafplaats zijn voor de Tweede Wereldoorlog twee grote vakken aangelegd, nu vakken K en een deel van G. Deze vakken sloten aan op de bestaande vakken en kregen slechts in geringe mate een landschappelijk voorkomen mee. Het waren moderne grafvakken met graven die alle aan paden lagen, behalve het gedeelte waar algemene graven lagen. Deze graven werden periodiek geruimd, zoals ook blijkt uit aankondigingen in de kranten in de jaren vijftig. Een deel van vak K is in de Tweede Wereldoorlog gebruikt voor het begraven van Duitse soldaten. Hier was een apart Ehren-Friedhof waar naast zo’n tweehonderd Duitsers ook 11 Nederlandse leden van de Landwacht waren begraven. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw werden de resten van alle Duitsers overgebracht naar Ysselsteyn waar een grote Duitse Oorlogsbegraafplaats is ingericht.

Naoorlogse aanpassingen

Een van de dienstwoningen (links van de ingang) in 1966 (foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)In 1950 is de huidige aula in gebruik genomen. Deze werd ter rechterzijde van het poortgebouw gebouwd waardoor wederom zo’n zes meter van de waterpartij opgeofferd werd om een doorgang voor lijkstoeten en dergelijke te behouden. De aula is gebouwd in een eenvoudige naoorlogse stijl met een terugvallende gevel met zuilen tussen twee naar voren stekende uitbouwen. In de rechter uitbouw is de ingang gesitueerd. Het geheel is onder een met pannen belegd zadeldak gebracht met centraal op het dak een klokkentoren. Een plattegrond die dateert van rond 1950, waarop de aula al is ingetekend, laat overigens een aantal lijnen zien die mogelijk een voorstel inhielden om de waterpartij in het midden van de begraafplaats geheel recht te trekken. Dat zou de begraafplaats veel efficiënter maken, maar het had ook ten kostte gegaan van veel wat de begraafplaats nu aantrekkelijk maakt. Gelukkig is aan deze plannen nimmer uitvoering gegeven. In 1978 is aan de oostzijde van de aula een kantoor aangebouwd. Het oorspronkelijke poortgebouw heeft men altijd gerespecteerd en staat nog steeds op zichzelf.

Urnenmuur op de grote uitbreiding die aan het eind van de twintigste eeuw plaatsvond.Aan de noordzijde is na de jaren dertig nog een strook met grafvelden (uitbreiding vak H) aangelegd. Daarmee lag de plattegrond voor lange tijd vast. In 1996 werd ten zuiden van de begraafplaats een brede strook aangelegd voor een drietal nieuwe grafvelden (R, S en T). Hier werden ook diverse urnenvoorzieningen waaronder een urnenmuur gebouwd. Om 1997 werd dit gedeelte in gebruik genomen. Qua vormgeving sluit het niet aan op het oude gedeelte maar wordt daar enigszins van gescheiden door een buffer van groen. Een aantal paden geeft aansluiting naar dit nieuwe gedeelte.

Plattegrond met daarop de situatie zoals die na de Tweede Wereldoorlog er uit zag. Het terrein voor de uitbreidingen ligt ten zuiden al gereed (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).In de jaren negentig is een uitgebreide studie gedaan naar de begraafplaats, de ontstaansgeschiedenis en de grafmonumenten. De studie werd uitgevoerd door Carla Rogge van het Bureau Monumentenzorg en Archeologie van de gemeente. Daaruit is ook een selectie ontstaan van beschermenswaardige grafmonumenten uit de periode 1830-1950. Deze studie is nog steeds van grote waarde voor eenieder die meer wil weten over de totstandkoming van deze begraafplaats.

In 2001 is de begraafplaats uitgebreid met ruimte voor 1.050 eigen graven. Aan de zuidwestzijde werd ook een nieuwe toegang gecreëerd zodat de grafbezitter geen gebruik meer hoeven te maken van de oude toegang. Door deze forse ruim opgezette uitbreiding is het mogelijk geworden het oude oorspronkelijke deel van de begraafplaats te reconstrueren. Daar vinden nu alleen nog bijzettingen plaats in bestaande graven. Graven waarvan de rechten zijn verlopen worden geruimd. Incidenteel wordt dan ook een nieuw monument geplaatst of wordt het bestaande voorzien van een extra tekstveld of het wordt in zijn geheel opgeknapt. De bedoeling van de stop op de grafuitgifte is om over enkele tientallen jaren weer te kunnen gaan begraven, maar dan op een ruimere schaal en met meer ruimte om bij de graven te komen. Dit is ook noodzakelijk om de werkzaamheden van de grafdelvers naar de eisen van de moderne tijd (milieu- en arbo-wetgeving) mogelijk te maken.

Huidige situatie

De begraafplaats leent zich goed voor een wandeling waarbij men via deze rustieke brug de afzonderlijke delen kan bezoeken.Het poortgebouw van Zocher is nog steeds de entree van de begraafplaats. Hoewel er tegenwoordig meer verkeer over de Westerweg raast, maakt het gebouw een fraaie indruk. Dit komt met name doordat het in uitstekende staat verkeert. Boven de poort staat in opgebrachte letters D.O.M. et MANIBUS CIVIUM met daaronder het jaartal van 1829, eveneens in Latijn. De betekenis van de eerste zin is ’aan God de Beste en de Grootste en aan de schimmen van de burgers’. Eenmaal door de poort krijgt men enigszins een idee hoe de hele begraafplaats er ooit uitgezien moet hebben. Voor de bezoeker ligt een groene begraafplaats met zicht op een waterpartij die over de begraafplaats helemaal naar achteren slingert. Rechts van het poortgebouw bevindt zich de aula met kantoor. Rondom deze gebouwen is een groenaanleg gerealiseerd die in vorm, beplanting en sfeer sterk afwijkt van de oorspronkelijke opzet. Wie na de ingang naar links de begraafplaats oploopt, bevindt zich echter al gauw in een omgeving die qua sfeer redelijk intact is gelaten. Enige dissonant hier is de moderne kantopsluiting van de paden.

Wie niet meteen naar de nieuwe gedeelten loopt, maar op de oudere vakken blijft, zal zien dat het gehalte aan negentiende-eeuwse grafmonumenten niet overal erg groot is. Ondanks de vele ingrepen hebben sommige vakken nog wel een deel van hun oorspronkelijk karakter behouden. Dit komt dan met name doordat er nog een samenhangend beeld bestaat van grafmonumenten, (graf-) beplanting en het padenbeloop in samenhang met het resterende deel van de waterpartij. Vooral wanneer men tijdens de rondwandeling stuit op één van de rustieke houten bruggen over de vijver, dan heeft men het idee dat hier meer sprake is van een park dan van een begraafplaats.

Rijksmonument

De bijzondere waarde van de begraafplaats werd al vroeg opgemerkt en bevestigd door de aanwijzing van het poortgebouw en de zijgebouwen als rijksmonument. In 1969 werd het als toegangsgebouw toegevoegd aan het register met een korte feitelijke omschrijving (monumentnummer 7465). In 2002 werd de begraafplaats als geheel aangewezen als rijksmonument. De complexomschrijving (complexnummer 524909) spreekt van het aan de westzijde van de Westerweg gesitueerd begraafplaatsterrein, het reeds beschermde poortgebouw met twee dienstwoningen en het begraafplaatshek. In de omschrijving wordt nog gesproken van een vermoedelijk ontwerp van Zocher. In de omschrijving wordt de nadruk gelegd op het oorspronkelijke gedeelte van pakweg 200 bij 200 meter, maar er wordt geen onderscheid gemaakt tussen dit oude gedeelte en de latere uitbreidingen. Daarmee is feitelijk de gehele begraafplaats beschermd, maar ligt de nadruk op het oorspronkelijke deel. De grafmonumenten of een karakteristiek van de grafvelden worden niet genoemd in de omschrijving. De aula daarentegen wordt expliciet uitgezonderd van de bescherming. In de waardering wordt gesproken van een begraafplaatsterrein dat van algemeen belang is wegens cultuur- en architectuurhistorische waarde als historisch-functioneel hoofdonderdeel van het complex Algemene Begraafplaats Alkmaar en als kenmerkend voorbeeld van een in Engelse landschapsstijl ontworpen begraafplaats uit het tweede kwart van de negentiende eeuw. In de omschrijving wordt met name gesproken hoe de oorspronkelijke aanleg er uit heeft gezien en dat feitelijk de bescherming rust op hetgeen daarvan nog herkenbaar is.

Bijzondere grafmonumenten

Ondanks dat de grafmonumenten niet meegenomen zijn in de bescherming zijn er veel interessante monumenten te vinden, niet alleen vanwege de vormgeving maar ook vanwege de personen die er begraven zijn. Een groot aantal van de grafmonumenten is zoals eerder al aangegeven, beschreven in een rapport. Het merendeel van de voor het rapport geselecteerde grafmonumenten ligt op de vakken A, B, G en C. Een overzicht van een aantal van de meest fraaie grafmonumenten is gegeven in een apart artikel. Een aantal grafmonumenten in relatie tot de Tweede Wereldoorlog wordt hieronder wel beschreven.

Oorlogsgraven

Naast verschillende graven van niet-erkende oorlogsslachtoffers die nauwelijks bekend zijn, zijn er ook enkele Nederlandse en geallieerde oorlogsgraven te vinden op de begraafplaaHet grafmonument voor Gerrit Zandbergen is nog steeds aanwezig op de begraafplaats.ts. Een voorbeeld van een niet-erkend slachtoffers is het graf (H-1586) van Cornelis Bood (1910-1944). Hij kwam op 31 mei 1944 om bij de beschieting van de trein waarop hij machinist was. In de krant werd zijn begrafenis vermeld als “slachtoffer der terreur-vliegers begraven”. De begrafenis werd massaal bezocht en er werden vele kransen gelegd.

Niet meer hier begraven, maar nog wel herinnert met het grafmonument is Gerrit Zandbergen (1895-1945). Hij stierf onderweg naar huis op 13 juli 1945 aan de ontberingen opgelopen na drie jaar marteling in Duitse concentratiekampen. Zo staat het ook op de fraaie stèle met boven de tekstplaat een opengeslagen bijbel met lichtstralen die de kracht van het geloof symboliseren met daaromheen een gebroken ketting, symbool voor het geloof dat tirannie kan overwinnen. Naast de stèle is een eenvoudige afgebroken zuil opgenomen met daarop de Nederlandse leeuw met daarboven de tekst “Den vaderlandt ghetrouwe”. De stoffelijke resten van Zandbergen zijn overgebracht naar de nationale erebegraafplaats in Loenen.

De graven de drie omgekomen geallieerden liggen naast elkaar.De drie geallieerde soldaten die naast elkaar begraven werden, betreffen drie Britten. De eerste die hier begraven werd, was sergeant Howard Piper Shipley die bij de RAF vloog en op 16 januari 1941 neergeschoten werd nabij Callantsoog. Eén bemanningslid is nooit gevonden, de rest van de bemanning ligt begraven in Amsterdam. Niet lang daarna volgde sergeant David A. Cruickshank, eveneens van de RAF. Hij kwam om op 11 februari 1941 toen zijn vliegtuig neergeschoten werd door een Duitse nachtjager. De rest van de bemanning kon uit het vliegtuig springen en werd krijgsgevangen gemaakt. In februari 1943 werd George T. Allenby begraven. Hij was een matroos bij de Royal Navy en voer op de SS Pacific die bij slecht weer verging. Het lichaam van Allenby spoelde aan op de Nederlandse kust.

Het grafmonument voor Adriaan Koelma.Zeven oorlogsslachtoffers zijn erkend door de Oorlogsgravenstichting en één staat vermeld als slachtoffer van de oorlog. Die laatste betreft mr. Adriaan Koelma (1889-1952), buitengewoon hoogleraar Economie en burgemeester van Alkmaar tussen 1946 en 1948. Koelma was gedurende de Tweede Wereldoorlog lid van het verzet en werd opgepakt en vastgezet in concentratiekamp Sachsenhausen. De gevolgen van zijn gevangenschap waren dermate zwaar voor hem dat hij vroegtijdig terugtrad uit zijn functies en niet lang daarna overleed.

Nog een bijzonder grafmonument dat lijkt te verwijzen naar de Tweede Wereldoorlog is dat van Jan Werkman (1902-1948). Op diens grafmonument is onder meer een schrijvende hand, een soldatenhelm en de olympische ringen afgebeeld. Werkman was journalist, een tijdlang kapitein bij de landmacht en daarnaast zette hij zich ook in voor de ijssport. Het monument is gehakt uit travertin en bestaat uit een stèle tussen blokken met op het graf een grindbed binnen een rand. Aan de voorzijde zijn twee blokken opgenomen die fungeren als vaas.

De toekomst

Alkmaar kent sinds 2019 een crematorium en in 2020 wordt ten noorden van de stad een natuurbegraafplaats geopend. Binnen zo’n omgeving is zeker dat de begraafplaats concurrentie krijgt. Evenwel kunnen de nieuwe ontwikkelingen niet op tegen de rijke cultuurhistorische waarden die zich op de begraafplaats ontwikkeld hebben. Door juist nadruk te leggen op de rijke historische context blijft de bijna 200-jarige begraafplaats interessant.

 

Literatuur:

  • Boots, Wil en Gonna de Reus; De Algemene Begraafplaats Alkmaar. Ontstaansgeschiedenis van de buitenbegraafplaats en een inventarisatie van grafmonumenten (1830-1950), Alkmaar 1996
  • Bitter, Peter; Graven en begraven. Archeologie en geschiedenis van de Grote Kerk van Alkmaar, Hilversum 2002
  • Rem, Paul H.; Jan David Zocher jr en de gebouwen van de Algemene begraafplaats van Alkmaar, in: Bulletin KNOB 92 (1993), p. 19-50 en in Oud-Alkmaar, 19 (1995) 1, 8-15.
  • Rogge, Carla; De Algemene Begraafplaats Alkmaar. Selectie van beschermenswaardige grafmonumenten (1830-1950), Bureau Monumentenzorg en Archeologie, Alkmaar 1996
  • Rogge, Carla; De grafzerkenvloer in de Grote of St. Laurenskerk te Alkmaar. Rapport 1, Bureau Monumentenzorg en Archeologie, Alkmaar, 1995.

 

Internet:

 

Noten:

[1] In de literatuur wordt ten onrechte gesproken van een lijkenhuisje. Een dergelijke voorziening werd gebruikt voor mensen die aan een besmettelijke ziekte waren overleden en werden over het algemeen pas bij begraafplaatsen gebouwd nadat ze verplicht werden gesteld in de Wet op de besmettelijke ziekten van 1872. Het gaat hier om een baarhuisje of schijndodenhuis.


© 2020 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.