Fryslân

Wieuwerd - De mummies

 

Leeuwarden den 9 Maart. Onlangs heeft men in het Dorp Wieuwerd een Lyk opgegraven, waar van men meend volkomen zeeker te zyn, dat dit het Lyk is van, de door haare geleerdheid beroemde, Anna Maria Schuurman, welke aldaar in den Jaare 1678 begraven is: Zeldzaam is het, dat het in deszelfs geheele gedaante is gevonden, konnende de leeden, gelyk als van een leevend Mensch verbogen worden, en zynde de Kleederen gelyk aan Klatergoud, welke aan zeeker klein Gewas, byna als Mosterzaat, waar van de Kist vol was, toegeschreeven wordt. Verscheide Geleerden, welke her bezigtigd hebben, getuigen eenparig, nooit iets diergelyks gezien te hebben.

Leeuwarde Woensdagse Cour. No. 410 Den 13 Maart 1765 

In het verhoogde koor van de Hervormde Kerk van Wieuwerd bevindt zich een in 1609 gestichte grafkelder. Hij werd aangelegd door de familie Walta, bewoners van de nabijgelegen state. In 1765 vonden timmerlieden in de grafkelder elf gestapelde kisten met uitgedroogde lijken. Een mythe was geboren. 

Tekening van de Hervormde Kerk van WieuwerdWieuwerd (of beter Wiuwert) is een terpdorp ontstaan in de middeleeuwen. Het hart van het dorp heeft een komvormig grasveld: de afgegraven terp. De Hervormde Kerk, initieel gewijd aan Sint Nicolaas, is het belangrijkste historische bouwwerk van het dorp. De oorspronkelijke kerk dateert van rond 1200. Lang zwaaide de familie Walta de scepter over Wieuwerd en omgeving. Stille getuigenissen zijn de zerk voor Frans Pieter Walta (1579) en de al genoemde grafkelder, beiden in de kerk. Walta is een oud Fries geslacht van grootgrondbezitters en notabelen en wordt voor het eerst in de 12de eeuw in geschriften genoemd. In Friesland waren drie Walta-states, namelijk in Tjerkwerd, Bozum en Wieuwerd. Die in Tjerkwerd is wellicht het meest bekend. Vanaf 1450 bewoonde de familie van Sybren van Walta de state in Wieuwerd. In 1514 zou de state (ook bekend als Thetinga-state) verwoest worden tijdens één van de vele veldslagen. De state werd herbouwd, maar in 1733 definitief afgebroken. De adellijke familie Walta is uiteindelijk ook uitgestorven. Van degenen die tegenwoordig nog de naam dragen, geldt dit enkel als verwijzing naar het gebied waar vandaan ze afkomstig zijn.

Wieuwerd is ook het dorp van de labadisten, een sektarisch gereformeerde gemeenschap gegroepeerd rond de Franse predikant Jean de Labadie. De geschiedenis van de labadisten is ook verbonden aan de mummies in de grafkelder. In de grafkelder werden elf kisten gevonden. Gezien het korte tijdsbestek is het onwaarschijnlijk dat dit allen nazaten van de Walta’s betrof. Aangezien met de Walta-state ook het eigendom van de kelder overging, is het mogelijk dat een deel van de mummies ook leden van de labadisten betreft.

 

Jean de Labadie en zijn volgelingen

Portret Jean de Labadie Bron: Westfälisches Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte, Porträtarchiv Diepenbroick, via Wikimedia CommonsZijn jaren als Jezuïet zijn ongetwijfeld van invloed geweest op de latere levensloop van Jean de Labadie (*13-2-1610). De Exercitia spiritualia ( geestelijke oefeningen) van Ignatius de Loyola, stichter van de orde der Jezuïeten, waarin een streng geregelde methode van gebed, zelfonderzoek en overdenkingen was gegeven, zal mede een leidraad zijn geweest in zijn latere ontwikkelingen. De geestelijke oefeningen moesten immers onder Gods genade de mens bewust maken van zijn afhankelijkheid van en dienstbaarheid aan God; van inzicht in zijn zonde en opwekking van berouw. Onontbeerlijk was daarbij de beschouwing van het leven, het lijden en de verheerlijking van Christus. Dat zou de mens losmaken van zijn lagere ik en hem brengen tot zuivere liefde tot God. Gegrepen door het mystieke in de werken van Augustinus en Bernhard van Clairvaux zag De Labadie het als zijn taak en opdracht de kerk terug te brengen naar het model van het oerchristendom. Tijdens zijn werkzaamheden als priester in Bordeaux, Parijs en Amiens ontstonden om hem heen al groepen gelijkgestemde leken (conventikels), die zich intensief bezighielden met Bijbelbeschouwing, gebed en meditatie. Allengs schoof hij door het bestuderen van de Bijbel en de werken van Augustinus op naar het Calvinisme.

In 1650 brak De Labadie definitief met de Rooms-katholieke kerk en werd hij in Montauban predikant en professor in de Theologie. Onderweg naar Londen, waar hij beroepen was als predikant van de Franstalig gereformeerde gemeente, werd hij in Genève opgehouden en daar beroepen tot predikant. Hij maakte grote indruk vanwege zijn zedelijke gestrengheid en zijn aandringen op reiniging, zuivering van de kerk. Het bezorgde hem grote aantallen volgelingen, onder wie Pierre Yvon en Pierre Du Lignon. In 1666 kwam hij over naar Middelburg om daar als Waals predikant te dienen. Met vuur predikte hij de praxis piëtatis, de Christelijke roeping om het leven te leiden in afzondering van de wereld, het doden van de aardse lusten en het eigen ik. Dit moest wel leiden tot een leven in de kleinere kring van huisgemeente of conventikel, waar twijfel kon worden beleden, de zondaar kon worden bestraft en de oproep tot bekering luid kon klinken. Na een schorsing in 1668 door de Waalse synode werd De Labadie in 1669 afgezet vanwege zijn conventikelvorming. Het ging De Labadie om een zuivere kerk van ware wedergeborenen en een breuk met de kerk kon daarom niet uitblijven. Hij verliet Middelburg en na een kort verblijf in Veere vertrok De Labadie naar Amsterdam en vestigde daar een huisgemeente, die tot voorbeeld werd van vergelijkbare groeperingen in het Duitse Nederrijngebied. Zelfs in Amsterdam, waar haast iedere mening werd toegelaten, ontstonden problemen rond hem en zijn volgelingen. Door bemiddeling van Anna Maria van Schurman kreeg De Labadie met zijn volgelingen onderdak bij prinses Elisabeth van de Pfalz, dochter van de “Winterkoning” Friedrich V van de Pfalz. Elisabeth, die in Leiden had gestudeerd en door vriendschap in nauw contact stond met Anna Maria van Schurman, was abdis van de Lutherse Rijksabdij van Herford in Westfalen. Dit onderdak, dit asiel werd De Labadie en de zijnen echter niet lang gegund. Er rees veel verzet tegen de volgelingen van De Labadie met als resultaat dat ze werden uitgewezen en vertrokken naar de Mennonieten-vrijstad Altona bij Hamburg. In Altona, dat destijds bij Denemarken hoorde, overleed De Labadie op 13 februari 1674.

Oorlogsgevaar deed de labadisten, nu onder leiding van Yvon, terugkeren naar Nederland, waar ze zich in 1675 vestigden in het Friese Wieuwerd op de Thetinga-, ook wel Waltastate genoemd. Deze state was door vererving in bezit gekomen van de familie Van Aersen van Sommelsdijk. Een drietal ongehuwde zusters uit deze familie behoorden tot de kring der labadisten, die zij op deze state met de daarbij behorende landerijen en pachtboerderijen asiel boden. De zusters hadden inmiddels de state gekocht van hun broer Cornelis, die er de eigenaar van was. Men sprak wel van een labadisten-klooster. De labadisten immers, die persoonlijk bezit hadden afgezworen en een gemeenschap van goederen hadden ingevoerd, deden in hun sociale, godsdienstig en zedelijk samenleven sterk denken aan een kloosterorde, zoals men die kende in de Rooms-katholieke kerk, waaruit hun grote voorman Jean de Labadie was opgekomen. Hoewel de Friese synode bij de Staten van Friesland aandrong op maatregelen tegen, meer nog het weren van deze groepering, leverde dit niets op. Het onderzoek naar hun leer en hun bedoelingen stelde de Staten gerust. Bovendien was de invloed van de familie Van Aersen van Sommelsdijk groot genoeg om de labadisten te vrijwaren van eventuele vervolging. De hoogste bloei beleefden de labadisten omstreeks het jaar 1680. Het besluit om de gemeenschap van goederen op te heffen werd genomen in 1688. Daarmee werd ook de neergang ingezet. Leden vertrokken, vielen af of stierven. Na de dood van Yvon, die in 1695 nog in het huwelijk was getreden met Lucia, één van de drie zusters Van Aersen van Sommelsdijk, leed de gemeenschap der labadisten nog een kwijnend bestaan tot deze omstreeks 1732 helemaal was opgelost. 

Anna Maria van Schurman

Eén der bekendste en ongetwijfeld de meest getalenteerde uit de kring van de labadisten was Anna Maria van Schurman. Tijdgenoten hebben haar uitbundig geroemd om haar artistieke vaardigheden, haar pennevruchten in poëzie en proza, haar talenkennis en haar geleerdheid. Jacob Cats droeg zijn “Trouwring” aan haar op met de woorden:

“Aen ’t wonderstuk van onze tyt,
Dat ghij, o jonkvrouw Schuermans zyt.”

Het was Anna Roemer Visscher die Anna Maria van Schurman bezong met de woorden:

“Sijt gegroet, o jonge Bloem, van wiens kennis dat ik roem,
Die ik acht en die ik minne, Die ik hou voor mijn vriendinne..”

Anna Maria werd geboren op 5 november 1607 in Keulen, waarheen haar ouders waren gevlucht vanuit Antwerpen. Zij waren daar als protestanten hun leven niet zeker. Het gezin vertrok uit Keulen, dat ook geen veiligheid bood en vestigde zich omstreeks 1615 in Utrecht. Anna Maria was toen acht jaar oud. Op zeer jonge leeftijd openbaarden zich reeds haar artistieke gaven en al heel vroeg was zij bedreven in de klassieke en vele oosterse talen. Frans, Duits, Engels, Spaans en Italiaans schreef en sprak ze even makkelijk als haar moedertaal. Door haar enorme talenkennis kon zij ook de Bijbel in de grondtalen, het Hebreeuws en het Grieks lezen. De theologie nam in haar leven een centrale plaats in. Zelf noemde zij de Godgeleerdheid “de kroon aller kennis”, “de Koningin van alle studie”. Ze drukte het ook wel zo uit: “de begeerte naar de ware wijsheid is mij hoger dan tronen en vorstendommen, dan goud en parels”.

In Utrecht leerde zij Gisbertus Voetius kennen, één van de meest gezaghebbende gereformeerde theologen in de 17de eeuw. Voetius, die al naam had gemaakt als predikant en afgevaardigde naar de Synode van Dordrecht (1618-1619), hield in 1634 aan de Illustre School te Utrecht zijn oratie als hoogleraar: Over de vroomheid, die met wetenschap verbonden moet zijn. Twee jaar later in 1636 werd de Illustre School Universiteit. Voetius’ opvattingen sloten aan bij de opvattingen van Anna Maria van Schurman, die bij hem colleges mocht volgen vanuit een nis, afgeschermd met een gordijn. Zij was de eerste vrouw in de Nederlanden, die bij uitzondering dit “voorrecht” genoot. Zelf zal zij het anders hebben gezien, getuige haar uitspraak: “ ’t Is de vrouw geoorloofd kunsten en wetenschappen te beoefenen, net zo als de man.” Die stelling poneerde zij in een briefwisseling met de hugenoot André Rivet (1572-1651), die in 1620 hoogleraar werd aan de Leidse Universiteit. Het leidde tot haar Dissertatio de ingenii muliebris ad doctrinam et meliores litteras aptitudine, dat in 1641 in druk verscheen.

Hoewel Anna Maria een groot deel van haar leven in Utrecht heeft gewoond, is de periodePortret Anna Maria van Schurman, 1649 door Jan Lievens, in National Gallery , London Franeker van 1623 tot 1626 niet onbelangrijk geweest. Het was de studie geneeskunde van haar broer Johan Godschalk en de wens van haar vader om hier de colleges van Amesius te kunnen volgen, dat het gezin verhuisde vanuit Utrecht naar Franeker. In het eerste jaar echter overleed haar vader, maar er werd besloten te blijven vanwege de studie van Johan Godschalk. Teruggekeerd in Utrecht overleed in 1637 haar moeder en nam Anna Maria de zorg op zich van twee bejaarde tantes, die uit Duitsland waren overgekomen. Met deze tantes en haar broer vertrok ze begin 1653 naar Keulen om familiebezit terug te vorderen en kwam halverwege 1654 terug in Utrecht. Kerkelijke en theologische geschillen waren er de oorzaak van om Utrecht in 1660 te verlaten. Toen vestigde zij zich met haar broer en de tantes in Lexmond bij Vianen, waar beide tantes kort na elkaar overleden in 1661. In 1662 keerde Anna Maria terug naar Utrecht, terwijl haar broer om studieredenen naar het buitenland was vertrokken. Door haar broer Johan Godschalk leerde zij De Labadie kennen, bij wie haar broer in Genève inwoonde. In 1664, teruggekeerd in ’t vaderland, overleed Johan Godschalk op 59-jarige leeftijd. Toen De Labadie in 1666 naar Middelburg kwam, werd het Anna Maria mogelijk regelmatig bij hem diensten bij te wonen. Zijn ideeën over de christelijke levenswijze, de kerk als gemeenschap van wedergeboren mensen in afzondering van de wereld sloot aan bij de gedachten, die Anna Maria zich gaandeweg door studie en contacten met theologen had eigen gemaakt. Geschorst, afgezet en verdreven uit Zeeland stichtte De Labadie een “huisgemeente” in Amsterdam, waar zich Anna Maria bij aansloot. Ondanks een oproep van de kerkenraad van Utrecht om op haar schreden terug te keren en het verlies van veel geleerde, letterkundige en artistieke vrienden bleef ze bij haar beslissing om deel uit te maken van de groep rondom De Labadie. Zo belandde zij uiteindelijk in Wieuwerd op de Walta-state, waar zij op 14 mei 1678 overleed. Haar keuze voor De Labadie en de labadisten legde zij neer in haar autobiografisch en theologisch tractaat Eucleria,ofwel: Uitverkiezing van het beste deel. Aan haar wens in alle eenvoud te worden begraven op het kerkhof te Wieuwerd werd gevolg gegeven. Het ontbreken van een zerk of stèle heeft het moeilijk gemaakt de juiste plek van haar graf te traceren en werd aanleiding tot allerlei speculaties: was ze wel op het kerkhof begraven en niet in de kerk? Was misschien één van de gevonden gemummificeerde lijken dat van Anna Maria? Ook in de eeuwen daarna bleef het idee gestand houden.

Steeds is het een onderwerp van twistgeschrijf geweest, waar Anna Maria Schurman overleden en begraven is. Sommigen willen in Oost-Friesland, anderen te Wieuwerd, het zij in dien kelder in de kerk, het zij op het kerkhof, en wel in eene looden kist. Men heeft op dit kerkhof veel naar haar lijk gezocht, doch tot nog toe te vergeefs.

Van der Aa, 1851

Volgens Jacobus Scheltema, die de grafkelder in 1804 onderzocht, zou uit een aantekening van de laatste telg uit het geslacht Schurman blijken dat Anna Maria is begraven “onder de kerkmuur waartoe expres en gat gemaakt is, met ’t hoofd buiten de kerk, het gezicht naar het oosten en het verdere gedeelte van het lichaam onder de muur van de kerk”.

Naast Anna Maria van Schurman en de gezusters Van Aerssen van Sommelsdijck telde de labadistische gemeenschap in Wieuwerd nog meer vooraanstaande personen, waaronder ook de dochter van Constantijn Huygens en de zuster van de Amsterdamse burgemeester Coenraad van Beuningen. Gedurende een aantal jaren maakte de arts Hendrik van Deventer deel uit van de gemeente. Als autodidact behaalde hij de dokterstitel en vestigde zich later in Voorburg. In de periode dat hij bij de labadisten woonde, zorgde hij voor veel inkomsten. In 1685 voegde Maria Sibylla Merian zich bij de groep. Ze was een befaamd entomoloog en natuurschilderes met planten, rupsen en vlinders als favoriete onderwerpen. Op 52-jarige leeftijd maakte ze een tocht naar Suriname en verzorgde terug in Nederland een uitgave over Surinaamse insecten.

Na de dood van Anna van Schurman en het vertrek van Hendrik van Deventer ging het langzaam maar zeker steeds minder voortvarend met de gemeenschap. De meesten die na de dood van Van Schurman toetraden hadden nauwelijks inkomsten, terwijl het aantal kinderen dat gevoed moest worden alleen maar toenam. Tot omstreeks 1725 zouden er labadisten op de state blijven wonen. Toen werd het landgoed verkocht en vertrokken de laatste bewoners naar Leeuwarden. Op het hoogtepunt telde de gemeenschap 400 volgelingen. 

Mummies

De kisten in de grafkelder. Links is nog het portret van Anna van Schurman zichtbaar.Met de ontdekking van de kisten met de mummies begon ook het speculeren en gissen. Eind 19de eeuw verscheen er in het Nieuwsblad van Friesland een reeks artikelen van de hand van Jacob Hepkema. In 1896 verschenen de artikelen in overdruk in het boekje Wieuwerd en zijn historie, dat tot in de 21ste eeuw herdrukt wordt. Het werk doet verslag van de onderzoekingen die in de 19de eeuw in de grafkelder hebben plaatsgevonden. Heden ten dage bevinden zich nog een viertal kisten met mummies in de grafkelder. Lichamen die spontaan zijn gedroogd, zonder bijzondere behandeling zoals we kennen van de Egyptische mummies. Van het lichaam van de vrouw is lang beweerd dat het ging om Anna Maria van Schurman. Van de oudere man wordt aangenomen dat het gaat om een goudsmid, daarover later meer. Verder rusten er nog een meisje, dat zou zijn overleden aan tbc en een man die waarschijnlijk is overleden aan de gevolgen van een kaakabces.

Kisten in de grafkelder. Op de achtergrond, onder het tochtgat, een aantal gestapelde kisten.In het eerste bericht was er sprake van een enkel lijk, dat bovendien na ontdekking ‘ter aarde werd besteld’. Al snel zou het gaan om elf kisten. In 1804 was er nog maar sprake van 5 of 6 lijken. In 1853 werd er door Dr. Jan Ledder melding gemaakt van vijf kisten met een lijk en de overige zes kisten bevatten enkel uitgedroogde beenderen of waren zelfs helemaal leeg. Verhalen deden de ronde over Fransen en studenten die complete lijken hadden gestolen, waarmee de lege kisten verklaard zouden zijn. Waarschijnlijk is dit niet, aangezien geen enkele bron dit bevestigd. Wel is bekend dat kleine delen van de lijken als souvenir werden meegenomen, maar in latere jaren was dit niet meer mogelijk door de glazen deksels die de kisten bedekten. Vrouwelijke mummie waarvan lang is gedacht dat het Anna Maria van Schurman betrofLedder onderzocht de grafkelder en de lichamen rond 1850 enkele malen heel uitgebreid. Ook plaatste hij een aantal dode dieren in de ruimte om het verderf van de dode lichamen te onderzoeken. In de zomer van 1848 hing hij een snoek en een stuk lever op, maar het duurde niet lang voordat hij beiden vanwege vergaand verderf moest verwijderen. In oktober van dat jaar hing hij een baars en een goudplevier op. Ditmaal verliep de uitdroging wel voorspoedig en na een jaar was het gewicht van beide dieren teruggebracht tot een kwart van wat het oorspronkelijk was. Bij een eerste verkenning vond Ledder ook hooi in de grafkisten. In een nieuwe experiment plaatste hij een baars en een haas in afzonderlijke kisten, waarvan eveneens de bodem bedekt was met hooi. Bij het stijgen van de buitentemperatuur sprong de kist van de baars open en deze droogde geheel uit. De kist met de haas bleef gesloten en de haas ging tot bederf over. Vervolgens hield Ledder enkele experimenten met vlees, waarna hij concludeerde dat er meer van Zicht op de trap vanuit de grafkelder. Let ook op de schedeltjes in de vensterbank.(collectie René ten Dam)invloed was op het drogen der lijken, dan enkel het verwijderen van de vochtige delen. Hij was het die opperde dat er mogelijk gassen uit de bodem opstegen die van invloed waren op de conservering der lichamen en dieren. Wonderlijk genoeg ging hij daarbij voorbij aan de luchtstroom die ontstaat door de tegenover elkaar staande openingen in de keldermuren. Later zag men voor het eerst een verband, toen één van beide gaten gedicht werd. Al snel verslechterde de toestand van de mummies en werd het gesloten luchtgat weer geopend. Volgens sommigen betrof het overigens niet alleen de grafkelder van de kerk, maar ook de kerk zelf en delen van het kerkhof. Kisten begraven in de grond rondom de kerk zouden meer dan twee maal langer in goede staat blijven, dan die bij andere kerkhoven.

Dat brengt ons bij de vraag wie er in de grafkelder begraven liggen. Voor een grafkelder van een adellijk geslacht is deze opvallend sober. De ingang kenmerkt zich niet als de laatste rustplaats van een rijke en notabele familie, er is geen grote sluitsteen of monumentaal praalgraf. Slechts een tweetal kisten vertonen eenvoudig kenmerken, namelijk de letters I en S. Een dergelijke soberheid past veeleer bij de labadisten. Het is daarom helemaal niet zo verwonderlijk dat sommigen denken dat de mummies tot de labadisten behoren. Echter in de geschriften van de labadisten wordt nergens melding gemaakt van de grafkelder, wat bij anderen de vraag doet rijzen of de labadisten wel weet hadden van de grafkelder. Dat is ook weer onwaarschijnlijk, aangezien het gebruikelijk was dat de bewoner van een state een eigen grafkelder in de plaatselijke kerk had. 

Volgens de overlevering zou Pierre du Lignon in de grafkelder zijn bijgezet, evenals Pierre Yvon, maar harde bewijzen ontbreken daarvoor. Overigens spraken de eerste onderzoekers van de Mannelijke mummiegrafkelder van lijken gehuld in kostbare doodskleden en balseming. Iets wat ver van de godsdienstbeleving van de labadisten af stond. Van de eerste onderzoekingen is maar weinig op verantwoorde wijze gedocumenteerd, zodat de meeste zaken door middel van overlevering tot ons zijn gekomen. Dat maakt de betrouwbaarheid van dergelijke gegevens er niet groter op. Bovenstaande voorbeelden laten zien dat er nog veel onduidelijk is over de mummies en dat dit waarschijnlijk altijd wel zo zal blijven.

Eén van de meest bekende verhalen over een Labadist die in de grafkelder is bijgezet betreft een edelsmid. Er is sprake van een zilversmid die in 1757, dus slechts enkele jaren voor de opening van de grafkelder door timmerlieden, werd bijgezet, terwijl anderen het hebben over een goudsmid uit het Nauw te Leeuwarden die omstreeks 1695 zou zijn bijgezet. Tegenwoordig wordt aangenomen dat één van de lijken die van de goudsmid Stellingwerf is, die bij leven was toegetreden tot de gemeenschap van de labadisten. Hij moet overleden zijn toen de Walta-state al niet meer door de labadisten werd bewoond en hij zou in zijn testament hebben laten opnemen dat hij bij zijn broeders in de grafkelder begraven wilde worden. Dat zou het verhaal bevestigen dat er al eerder labadisten bijgezet zijn in de grafkelder. Gemakshalve wordt dan wel voorbij gegaan aan het feit dat het beroep van edelsmid niet te rijmen lijkt met de beginselen van soberheid waarin de labadisten werden geacht te leven… 

 

Literatuur en bronnen

  • Ronald Stenvert e.a. Monumenten in Nederland – Fryslân (Zeist, 2000)
  • Die Religion in Geschichte und Gegenwart; 3de druk 1986
  • Dr M.E.Kluit, Het Protestants Reveil in Nederland en daarbuiten 1815-1865; (Amsterdam, 1970)
  • Dr. O.J.de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis; (1978)
  • Dr. J.Reitsma, Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde kerk der Nederlanden; (Utrecht, 1916)
  • Dr. H.Berkhof, Geschiedenis der kerk; (1955)
  • Dr. S. van der Linde ‘Anna Maria van Schurman en haar Eucleria’ in: Theologia reformata, 21 (1978) p.117-144
  • Mirjam de Baar, 'Schurman, Anna Maria van', in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. [17/12/2010]
  • Wieuwerd en zijn historie (10de druk, 1977)

 

 


© 2018 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.