Kunst & Cultuur

Lycklama à Nijeholt, Tinco Martinus

 

* Beetsterzwaag 9 juli 1837 - † Cannes 7 december 1900

 

Een vergeten reiziger

 

Lycklama_02Op het rooms-katholieke kerkhof van Wolvega staat een bijzonder kapelletje met vlak daarvoor een grote zerk. De zerk vormt de toegang voor de grafkelder van Jonkheer Tinco Martinus Lycklama à Nijeholt en zijn vrouw Julia Agatha Jacoba barones thoe Swartzenberg en Hohenlansberg (1845-1914). Beide waren afkomstig uit gegoede Friese adellijke kringen, maar bij Tinco Martinus speelden heel andere landen dan Friesland een grote rol tijdens zijn leven.

 

Afkomst

De naam Lycklama heeft in het zuiden van Friesland een bekende klank. Dat heeft vooral te maken met de bestuursfuncties die de familie vanaf begin 16de eeuw in die contreien vervulde. Daarnaast komt de naam tegenwoordig nog steeds voor in de namen van een aantal hedendaagse straten en lanen. De eerste Lycklama's waren grietmannen van de Stellingwerven en van Schoterland. Vanwege hun slot Friesburg in Nijeholtpade veranderde Lyckle Eables zijn naam in Lycklama à Nijeholt. De familie verwierf gedurende de eeuwen veel bezittingen en in verschillende plaatsen had de familie buitenhuizen, zo ook in Beetsterzwaag. Hier werd Tinco Martinus geboren op 9 juli 1837, zoon van Jonkeer Jan Anne Lycklama à Nijeholt (1809- 1891) en Jonkvrouw Ypkjen Hillegonda van Eysinga (1815-1854). Zijn vader was burgemeester van Opsterland en lid van Provinciale Staten van Friesland. Tinco Martinus was het eerste kind van Jan Anne en Ypkjen Hillegonda. Er zouden er nog vijf volgen, maar slechts drie haalden de volwassen leeftijd.
Na zijn jeugd in Beetsterzwaag te hebben doorgebracht ging Tinco Martinus studeren in Groningen en Utrecht. Hij studeerde geschiedenis, geografie en allerlei talen, waaronder Arabisch en Perzisch. Hij studeerde niet alleen in Nederland maar ook in Parijs. Ook was hij zeer geïnteresseerd in muziek.

 

Grand tour

In 1865 begon Tinco Martinus aan een grand tour die hem via Berlijn, Sint Petersburg en Moskou naar Tiflis bracht. Hier overwinterde hij alvorens verder te reizen naar Perzië en Irak. De winter van 1866-1867 bracht hij door in Bagdad van waar hij onder andere Babylon bezocht waar hij op eigen kosten opgravingen liet verrichten. De opgegraven objecten liet hij verschepen naar Friesland. In de zomer van 1867 keerde hij terug naar Teheran waar hij veel bagage had laten opslaan. Van daar reisde hij verder via Syrië en Libanon naar Jeruzalem.
Onderweg schafte hij allerlei zaken aan die hem interesseerden, zoals een steen van het paleis van de legendarische Haroen-al-Rasjid, kalief van Bagdad. Zijn verzameldrift richtte zich echter niet specifiek op dergelijke artefacten, maar veel vaker op kleding en andere handwerk.
In veel landen werd Tinco Martinus als een hooggeplaatste persoon ontvangen. Daar zullen zijn adellijke afkomst en rijkdom zeker bij van invloed zijn geweest. Hij werd onder andere ontvangen door de Sjah van Perzië, die hem onderscheidde met een hoge onderscheiding: de ridderorde van de Leeuw en de Zon van Perzië.
Tinco Martinus was kennelijk niet alleen geïnteresseerd in geschiedenis en wetenschap, ook zijn geloofsleven had de volle aandacht. In Jeruzalem ontmoette hij de franciscaner pater Antonio. Deze priester is zeker van grote invloed geweest op de keuze om zich te laten bekeren tot het Katholicisme. Hij verbleef enkele maanden in het klooster "La Terra Sante" en zal daar zijn keuze zeer goed overdacht hebben. Bij de overgang naar het katholieke geloof voegde hij de namen Fransiscus Maria toe aan zijn voornamen. Een dergelijke keuze lag binnen het Hervormde milieu waarin Tinco Martinus was grootgebracht nogal gevoelig.
In 1868, na drie jaar reizen, keerde hij via Istanbul terug naar Europa. Niet direct naar Friesland, maar naar Cannes om daar in het milde klimaat bij te komen van zijn reizen. Zoals veel reizigers uit die tijd beschreef hij zijn reis in boekvorm. Het boek met de titel "Voyage en Russie, au Caucase et en Perse dans la Mésopotamie, le Kurdistan, la Syrie, la Palestine et la Turquie exécuté pendant les années 1865, 1866, 1867 et 1868" telde maar liefst vier delen.

 

Definitief vertrek naar Frankrijk

Tinco Martinus richtte in 1871 in het Eysingahûs in Beetsterzwaag met de vele spullen die hij onderweg had verzameld en opgegraven, een museum in. De toegangsprijs voor dit 'Museum voor Oudheden en Oostersche Voorwerpen' bedroeg ƒ 1,-, een heel bedrag in die tijd. Tussen de uit meer dan zevenhonderd stukken bestaande verzameling bevonden zich ware kunstwerken maar ook goedkope toeristenprullaria. Naast de steen van het paleis van Haroen-al-Rasjid waren er ook aardewerk, spijkerschrifttabletten en andere curiosa te zien. Erg lang bleef de exotische collectie niet in Nederland, want Tinco Martinus verhuisde in 1872 de hele verzameling naar zijn villa in Cannes. Die had hij inmiddels gekocht omdat het gezonde klimaat hem veel goed deed. Uiteraard deed hij ook volop mee aan het societyleven aan de Rivièra. Hij was een graag geziene figuur in het culturele en sociale leven van de internationale beau monde. Zelf gaf hij ook bals masqués, die beroemd waren langs de hele zuidkust van Frankrijk. Een van zijn vrienden, Pierre Tetar van Elven (1831-1908) schilderde een van die bals. Samen met Tetar van Elven reisde Tinco Martinus ook nog enkele malen naar de oriënt. Hij bezocht meerdere malen Egypte en breidde zijn verzameling aanzienlijk uit, onder andere met bijzondere foto's van de bezienswaardigheden in Egypte. Tinco Martinus liet zich door Van Elven meermaals portretteren in Oosterse kleding. Ook de gemaskerde bals die Tinco Martinus bezocht in die kleding zijn afgebeeld op foto's en schilderijen, met zichzelf als lichtend middelpunt. Op zijn reizen bezocht Tinco Martinus ook veelvuldig Wolvega. Met deze plaats en de gemeente Stellingwerf bestonden historische banden. Tinco Martinus legde hier ook contact met deken Mulder die later een goede vriend van hem werd. Dat die vriendschap van grote betekenis is geweest blijkt niet alleen uit de keuze van Wolvega als zijn laatste rustplaats, maar ook uit de grote schenkingen die Tinco Martinus deed aan de parochie Wolvega. In zijn testament, dat hij opmaakte in 1885, schonk hij twee boerenplaatsen bij Joure aan de parochie. Tevens legde hij vast dat hij begraven wilde worden in de grafkapel die hij had laten bouwen op het kerkhof van Wolvega. Ook zijn vrouw diende daar een laatste rustplaats te vinden.

In 1875 trad Tinco Martinus in het huwelijk met Julia Agatha Jacoba barones thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg. Samen hadden zij een aanzienlijke rijkdom tot hun beschikking die ze regelmatig aanwendden voor allerlei schenkingen. Het echtpaar bleef kinderloos, wat deels een verklaring is voor de grote bedragen die ze weggaven aan goede doelen. Tinco Martinus schonk forse bedragen aan de zusters Franciscanen in Leeuwarden die destijds aldaar het Bonifatius Hospitaal runden. Na het overlijden van Tinco Martinus ging zijn vrouw door met de schenkingen. Zij schonk onder andere in 1905 het Amelandshuis met bijbehorende tuin aan de zusters. Die voegden vervolgens het gebouw bij hun ziekenhuis. In de tuin werd een gaanderij voor patienten en een kapel voor de zusters gebouwd. Later schonk de barones nog eens een kapitale boerderij aan het Bonifatius Hospitaal, als dank voor de goede zorgen tijdens haar ziekbed.

 

Na zijn dood

Tinco Martinus overleed op 7 december 1900 in Cannes. Al in 1877 had hij grote delen van zijn verzameling vermaakt aan de stad Cannes als dank voor de gastvrijheid. Na zijn dood zorgde zijn weduwe voor de collectie in het "Musée Lycklama", dat destijds gevestigd was in het stadhuis van Cannes. Na het overlijden van de barones werd de verzameling van Tinco Martinus opgeslagen en bleef voor vele jaren in de schaduw. In de Tweede Wereldoorlog werd de verzameling geëvacueerd, maar de omstandigheden waren zo slecht dat veel stukken verloren gingen. Dankzij de initiatieven van een bibliothecaresse, mejuffrouw Capony, werd de verzameling in 1952 in het gerenoveerde kasteel van Cannes opgesteld. Hiermee ontstond het Musée de la Castre dat, mede dankzij bijdragen van uit het Louvre en het museum van Grasse, uitgegroeid is tot een museum waar men nog steeds de gedachten van verzamelaars als Tinco Martinus in kan herkennen. Bij de informatie over dit museum wordt de naam van Tinco Martinus genoemd, maar zijn predikaat van jonkheer is hier vervangen door de titel van baron. Waarschijnlijk stond dat wat beter, of nam hij gewoonweg Lycklama_03de titel van zijn vrouw aan.

Al in 1878 had Tinco Martinus op het kerkhof van Wolvega een houten kapel laten plaatsen boven een grafkelder. Deze kapel had hij gekocht op de wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs waar hij was tentoongesteld. Samen met deken Mulder werd daarna het interieur in orde gebracht. De huidige neogotische grafkapel dateert van later datum.

De oude kapel werd in de loop der tijd bouwvallig en enkele jaren na de dood van de barones werd de kapel vervangen door een stenen exemplaar. De vorm en afmetingen waren nagenoeg gelijk aan de houten voorganger. Bij de bouw van de kapel werden de gekleurde vensterglazen opnieuw gebruikt. Tevens werden de marmeren tekstplaten met daarop de namen van Tinco Martinus en zijn vrouw opnieuw geplaatst. Hierop staan, boven een met goud ingelegde tekst, de wederzijdse familiewapens afgebeeld.

Lycklama_01Voor de kapel ligt een eenvoudige hardstenen zerk met daarop vermeld de namen van het echtpaar. De titel "ridder in de orde van de zon en de leeuw van Perzië" die Tinco Martinus in Perzië kreeg, staat ook vermeld op de zerk. De zerk vormde de toegang tot een grote grafkelder die zich onder de kapel uitstrekt. Door een verzakking van de voorgevel is deze toegang afgesloten en kan de kelder alleen bereikt worden via de vloer in de kapel. Oorspronkelijk stond voor de grafsteen een groot kruis met een corpus. Deze is later aan de voorgevel van de kapel geplaatst.

Niet alleen Wolvega herdenkt door middel van de Lycklamaweg deze verzamelaar, reiziger en filantroop, ook in Cannes kent men de Rue Lycklama. (2004)

 

 

Met dank aan de parochie van Sint-Franciscus in Wolvega.

Internet:

Literatuur

  • Diverse auteurs, ..., maar de toren ging niet verloren. De historie van de Sint Franciscus-parochie te Wolvega, eigen uitgave 1990
  • Hond, Jan de, Tinco Martinus Lycklama à Nijeholt in Teheran, Bagdad, Babylon en Jeruzalem, 1866-1868, in: Kunstschrift 5/2004. Speciale uitgave rond de tentoonstelling Fata Morgana. De verbeelding van het Oosten: Nederlandse oriëntalisten 1830-1930 in het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch (nog tot 9 januari 2005)
  • Walthuis, Asing, Een vergeten reiziger uit Beetsterzwaag, in: Leeuwarder Courant, 26 oktober 2004.

 

 

 


© 2021 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.