Letteren

Potgieter, E.J.

 

Op de Amsterdamse begraafplaats De Nieuwe Ooster staat het imposante grafmonument voor E.J. Potgieter, oprichter van het literaire tijdschrift De Gids en één van de meeste prominente literaire figuren van de Nederlandse negentiende eeuw. Toen Potgieter in 1875 stierf bestond de Nieuwe Oosterbegraafplaats echter niet. Hij werd begraven op de Westerbegraafplaats.

De Gids

Portret van Everhardus Johannes Potgieter, Pieter Dupont, 1908 (Rijksmuseum)Everhard Johannes Potgieter werd in 1808 in Zwolle geboren als zoon van een lakenhandelaar. Financieel had het gezin het zwaar en de jonge Potgieter werd naar een tante in Amsterdam gestuurd. Toen zij in 1827 naar Antwerpen verhuisde en daar een handelshuis oprichtte, ging Potgieter met haar mee. Hij startte daar ook met werkzaamheden in zijn tantes handelshuis. Ze verbleven er drie jaar, tot ze door de Belgische Opstand in 1830 gedwongen werden om weer terug naar Amsterdam te verhuizen. Intussen had Potgieter dankzij zijn tante een grote liefde voor de literatuur ontwikkeld en omringde hij zich graag met gelijkgezinden. De vriendengroep van Potgieter was kritisch over het niveau van de Nederlandse literatuur die zij beschouwden als eenheidsworst.  Samen richtten ze het tijdschrift De Muzen op, maar na de dood van één van de vrienden hield het tijdschrift op te bestaan. Enkele jaren later, in 1837, richtte Potgieter samen met anderen het literaire tijdschrift De Gids op. Het blad had een blauwe omslag en de gepubliceerde kritieken waren hard. Al snel kreeg het tijdschrift de bijnaam ‘de blauwe beul’. Potgieter ontwikkelde zich tot een geducht criticus en hekelde de ‘Jan Saliegeest’ van zijn landgenoten. Jan Salie stond volgens Potgieter symbool voor de kleinburgerlijkheid van de Nederlander. Hij introduceerde de term in zijn verhaal Jan, Jannetje en hun jongste kind (1841).

Ieder huis
Heeft zijn kruis!

En hoe ver Jan en Jannetje het in de wereld brengen mogten, het hunne bleef er niet van verschoond; - gluur met mij dien hoek in, als ge weten wilt wat het is! - Oef! - de verzuchting, die aan Janmaat bij het verzoek ontglipte, de verontwaardiging, waarmede hij hem, die het deed, nu den rug toekeert: zij hebben niets verbazends, als men den langen slungel aanziet, die ginder slemp schenkt, en ginder slemp lept: welke doffe oogen! - welk een meelgezigt! - welk eene houding van slierislari! - Welk eene ergernis vooral, als ik het u niet langer verhelen mag, dat dit ongeluk de jongste zoon is van Jan en Jannetje; hij, de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te onzent! hij, Jan Salie!

Voor Potgieter en zijn collega’s konden hun tijdgenoten zich beter spiegelen aan de zeventiende eeuw toen ook Vondel en Hooft grote successen vierden. Potgieter noemde zijn landgenoten ‘slaapmutsen’.

Huet

In 1855 ontmoette Potgieter een geestverwant, Busken Huet, een uitgetreden dominee. In 1862 nam Potgieter Huet op in de redactie van De Gids. Huet was een radicale criticus en zag het als zijn taak om de vaderlandse literatuur naar hetzelfde hoge peil te brengen als in Frankrijk en Duitsland. Zijn bijnaam werd ‘de beul van Haarlem’. Samen met Potgieter zou Huet tien jaar lang een belangrijke invloed hebben op het literaire klimaat in Nederland. In 1865 zouden zowel Huet als Potgieter echter stoppen bij De Gids. Huet had een stuk geschreven voor De Gids waarin hij koningin Sophie sprekend opvoerde te midden van een leesclubje van freules. Het leverde hem een officiële berisping van het hof op en ook werd hij gedwongen zijn redacteurschap bij De Gids op te geven. Potgieter toonde zich solidair en legde eveneens zijn redacteurschap neer. Samen reisden ze naar Italië waar dat jaar het zesde eeuwfeest van Dante’s geboorte werd gevierd. Enkele jaren later vertrok Huet, teleurgesteld in de Nederlanders, naar Nederlands-Indië. Potgieter trok zich na zijn vertrek bij De Gids steeds meer terug, maar bleef schrijven en dichten.

Zijn hele leven bleef Potgieter ongetrouwd. Hij was bovendien niet alleen als literator actief, gedurende zijn werkzame leven werkte Potgieter als handelaar op de Amsterdamse beurs. Potgieter overleed op 3 februari 1875, 66 jaar oud, in zijn woonhuis aan de Leliegracht in Amsterdam. Hij leed toen al enige tijd aan ‘een ziekte der ademhalingswerktuigen’.

Begrafenis

Graf van E.J. Potgieter op de Oude Westerbegraafplaats, 1953. Stadsarchief Amsterdam / Oppenheim, G.L.W. (1906-1984)Potgieter werd op zaterdag 6 februari begraven op de in 1860 geopende Westerbegraafplaats. Het was een sobere begrafenis, zoals Potgieter zelf gewild zou hebben. Er waren tal van mensen uit de literaire wereld, maar ook voormalige collega’s uit de Amsterdamse handelswereld. Bij het graf spraken verschillende sprekers: zijn oude jeugdvriend J.C. Zimmerman, de Duitse hoogleraar Carl von Lemcke, eveneens een gewaardeerd vriend van Potgieter, en tot slot zijn neef, die namens zijn moeder de sprekers en andere aanwezigen bedankte voor hun huldeblijk.

In het Nieuws van den Dag van 10 februari verscheen een opvallend commentaar. Er werd schande gesproken dat er slechts 150 tot 200 mensen aanwezig waren bij de begrafenis, terwijl Potgieter een veel groter laatste eerbetoon had verdiend. Ook de afwezigheid van de Amsterdamse gemeenteraad werd opgemerkt. De schrijver van het stuk meende bovendien dat collega-schrijvers als Nicolaas Beets en Multatuli de slippen van het lijkkleed eigenlijk ter hand hadden moeten nemen voor een waardig eerbetoon. Ook de familie werd niet gespaard met kritiek op het feit dat men de kist al voor de toespraken in het graf had laten zakken en niet boven de grond had laten staan.

Grafmonument en andere huldeblijken

In 1879 werd op de sterfdag van Potgieter het gedenkteken op zijn graf onthuld. De Duits-Nederlandse beeldhouwer Frans Stracké had een marmeren buste van de dichter gemaakt, welk geplaatst werd in ‘een nis, ingelegd met wit marmer’. Bij de onthulling spraken onder meer Zimmerman en Alberdingk Thijm. Enkele aanwezigheden bevestigden kransen aan het gedenkteken.

Grafmonument E.J. PotgieterHet grafmonument bestaat uit een schuinoplopende liggende zerk met inscriptie en een voetstuk met de daarop de naam Potgieter, waarboven een hardstenen aedicula met daarin opgenomen een marmeren borstbeeld van de dichter. Op de sokkel, tussen het voetstuk en de aedicula, een lauwerkrans en op het fronton drie zespuntige sterren in reliëf.

Onduidelijk is vooralsnog of het daadwerkelijk drie jaar heeft geduurd voor er een grafmonument op het graf van Potgieter werd geplaatst. Dat lijkt onwaarschijnlijk. Mogelijk heeft eerst alleen de zerk op het graf gelegen, waarna deze bij plaatsing van de sokkel met de buste is ingekort en aangepast. De zerk draagt de inscriptie 'Onsterfelijk maakt de oorspronkelijkheid'. Het is de slotregel van Potgieters gedicht 'Eene halve-eeuws wake.'

In de gevel van zijn woonhuis aan de Leliegracht 377 (nu nr. 25) werd datzelfde jaar een gedenksteen geplaatst met de tekst: ‘E.J. Potgieter woonde in dit huis van 1 mei 1855 tot zijnen sterfdag op 5 febraurij 1875.’ In 1881 kreeg het grachtenpand een nieuwe voorgevel en werd de gedenksteen in de muur van de hal aangebracht. In 1882 werd in een nis boven de entree een witmarmeren buste van Potgieter geplaatst. De buste was gemaakt door H.A. Teixeira de Mattos en rust op een uit boeken bestaand voetstuk. Achter de buste een gedenksteen, eveneens geplaatst in 1882 ter vervanging van de oudere gedenksteen uit 1879.

In zijn geboortestad Zwolle is het park Potgietersingel naar hem genoemd, en er is ook een standbeeld van de schrijver te vinden. In verschillende steden en dorpen in Nederland, zoals in Utrecht, Den Haag, Haarlem, Heiloo, Bloemendaal, Hilversum en Zandvoort, zijn straten naar hem vernoemd. Albert Verwey, één van de oprichters van De Nieuwe Gids, publiceerde in 1903 een biografie over Potgieter.

Een nieuwe laatste rustplaats

Kransen op het grafmonument na de onthulling (foto: Herbert Behrens, Nationaal Archief/Anefo)Toen de Westerbegraafplaats in 1894 werd gesloten, werd het marmeren borstbeeld van Potgieter overgebracht naar het Rijksmuseum. In 1924 werd de begraafplaats gedeeltelijk geruimd en in 1956 helemaal. In mei van dat jaar werden de stoffelijke resten van Potgieter en het grafmonument overgebracht naar een nieuw graf (1-22-17) op de Nieuwe Oosterbegraafplaats (tegenwoordig De Nieuwe Ooster). Potgieter werd begraven tegenover de schilder Pieneman die oorspronkelijk ook op de Westerbegraafplaats lag begraven en wiens monument eveneens door Stracké is gemaakt. De hardstenen zerk voor Potgieter, met op het hoofdeind de nis, werd daarbij weer aangevuld met het borstbeeld van Potgieter, dat al die jaren in het Rijksmuseum bewaard was. De onthulling van het borstbeeld op 2 juni werd vooraf gegaan door een plechtigheid in de aula van de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Na de onthulling door de Amsterdamse burgemeester d'Ailly werden kransen op het graf gelegd namens het gemeentebestuur van de stad Amsterdam, de stad Zwolle, namens de maatschappij der Nederlandse Letterkunde en namens de redactie van De Gids.

Restauratie

In 2004 werd het grafmonument aangewezen als rijksmonument vanwege de cultuur-, literair- en funerair-historische waarde.

In 2014 nam het Fonds Perzik van Onsterfelijkheid het initiatief tot restauratie van het grafmonument. Dit fonds, opgericht door het Prins Bernhard Cultuurfonds en de Koninklijke Boekverkopersbond, zet zich in voor het behoud van Nederlandse schrijversgraven. Het was het vierde graf dat met steun uit het fonds Perzik van Onsterfelijkheid werd gerestaureerd.

In 1956 was er volgens een krantenbericht in Het Parool nog sprake van een nis, ingelegd met wit marmer. Ten tijde van de restauratie was dit marmer niet meer aanwezig. Onbekend is wanneer het marmer is verdwenen.

 

Meer informatie over het Fonds Perzik van Onsterfelijkheid

 

Bronnen

  • Digitale bibliotheek der Nederlandse letteren: E.J. Potgieter (geraadpleegd 29-3-2020)
  • Algemeen Handelsblad 7-2-1875 via Delpher.nl
  • Het nieuws van den dag: kleine courant 10-02-1875 via Delpher.nl
  • Arnhemsche courant 3-2-1879 via Delpher.nl
  • De Tijd 5-2-1879 via Delpher.nl
  • Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 5-2-1875 via Delpher.nl
  • Het Parool 31-3-1956 via Delpher.nl
  • Het Parool 4-5-1956 via Delpher.nl
  • Algemeen Handelsblad 29-5-1956
  • Algemeen Handelsblad 4-6-1956 via Delpher.nl

Internet

 

 


© 2020 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.