Letteren

Visser, Albert (Ab)

 

* Groningen 14 februari 1913 - † Amsterdam 9 juni 1982

 

Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam liggen honderden bekende Nederlanders. Sommigen van hen waren misschien alleen bekend tijdens hun leven en na hun dood zijn ze in de vergetelheid geraakt. Tientallen leven echter voort in de gedachten van mensen, niet in het minst doordat ze bijvoorbeeld boeken schreven of dingen AbVisser02hebben gedaan die nu nog gelezen of bekeken worden. Tot die laatsten kunnen we ook Ab Visser rekenen. Hij werd bekend als schrijver van misdaadromans en andere boeken over het genre.

Geboren te Groningen

Ab Visser, eigenlijk Albert Visser, werd in de toenmalige buurt De Eilanden, rond de Westerhaven te Groningen geboren op 14 februari 1913. Hij was de zoon van Klaas Jochums Visser, gemeentearbeider, later brugwachter en Akke Ferwerda. Ab was het jongste kind in dit eenvoudig, orthodox-hervormd gezin. Hij kreeg de kans om een opleiding te volgen tot meubelmaker, maar al spoedig bleek dat hij niet geschikt was voor dit vak. De daaropvolgende opleiding tot onderwijzer maakte hij niet af. Vanaf 1935 probeerde hij een bestaan op te bouwen als schrijver. Binnen de groep jongeren die in Groningen tussen 1935 en 1940 voor een literaire opleving zorgde, trad Visser weldra op als de leider van de Jong-Protestanten, terwijl zijn vriend en rivaal A. Marja de 'neutralen' leidde.

Werk van Vissers hand - gedichten en vanaf 1936 ook verhalend proza - verscheen in protestantse bladen: literaire tijdschriften als Opwaartsche Wegen en De Werkplaats, maar ook in familiebladen als Op den Uitkijk en De Spiegel. Zijn als feuilleton bedoelde De mensch wikt... werd in 1938 in boekvorm uitgegeven en was zijn eerste succes. Het honorarium stelde hem in staat een reis naar Groot- Brittannië te maken. Zijn eerste gedichten gaf hij uit in eigen beheer, maar na een reis naar Frankrijk lukte het hem in 1938 een 'bloemlezing', '25 jonge Franse dichters', te plaatsen bij een uitgever. Dat het grotendeels eigen jeugdverzen betrof, bleef destijds een goed bewaard geheim. Al vóór 1940 probeerde Visser zich los te maken van de Jong-Protestanten, onder andere door neutrale uitgevers te zoeken. Dat leek te lukken: een meisjesboek 'Het gevloekte landhuis' uit 1941 en zijn roman 'Woonschepen' uit 1942 verschenen nog voordat de Duitsers hun gehate Kultuurkamer instelden. Het eerste boek publiceerde hij, door contractuele verplichtingen gedwongen, onder het pseudoniem A. Ferwerda, de naam van zijn moeder.

Niet lang na de bezetting, op 1 november 1945, trouwde hij met de fotografe Edith Jeannette Josepha Bongers. In datzelfde jaar vertrok hij ook naar Amsterdam en verscheen zijn, al vóór de oorlog geschreven, roman over de vervolging van (vermeende) homoseksuelen in de Groninger Ommelanden in de 18e eeuw, 'Rudolf de Mepse. Het monsterproces van Faan'. Het boek werd gunstig ontvangen, maar grote successen bleven echter uit. Daarnaast kostte het hem steeds meer moeite zijn werk gepubliceerd te krijgen. Even leek hij onderdak te vinden bij de socialistische Arbeiderspers, maar na enkele jaren werd zijn werk daar eveneens geweigerd. Hij leefde in Amsterdam op huurkamers, vaak in grote armoede ('Ab Voorschot'). Tussen 1948 en 1953 verbleef hij langdurig op 'De Pauwhof' te Wassenaar, totdat hem daar de toegang werd ontzegd. Zijn herinneringen aan dit verblijf, zoals weergegeven in 'Het klooster van Sint Jurriaan' uit 1974, waarin hij scherp typeerde en opnieuw zichzelf niet ontzag, riepen veel weerstand op. Ab Visser, met zijn wat rauwe humor, nam geen blad voor de mond en spaarde geen reputaties. Dat betekende soms weer het einde van een vriendschap. Bekend èn berucht was hij ook om zijn feesten. Vaak onder het mom van een literaire avond liet hij zich ergens uitnodigen en viel dan met de hele 'Ab Visser-bende' binnen. Het doel was zich te voorzien van veel drank, veel vrouwen en - zoals hij zelf zei - om te zien hoe verschillende mensen op elkaar reageerden. 

Ziekte en succes

Hoewel het na de Tweede Wereldoorlog met Vissers carrière beter ging, werd hij in het dagelijks leven steeds meer gekweld door een gewrichtsziekte, de ziekte van Bechterev en een chronische bronchitis. Zijn kleine gestalte groeide steeds krommer, waardoor onder meer de ademhaling in toenemende mate werd bemoeilijkt. Voor behandeling van zijn ziekte en voor het warme klimaat maakte hij vele reizen naar landen als Frankrijk, Portugal, Marokko, later vooral naar Italië. Door zijn gebochelde gestalte, maar ook door zijn snerpende stem en zijn provocerende optreden was Ab Visser een opvallende persoonlijkheid. Dat hij meestal werd gezien in het gezelschap van een aantrekkelijke vrouw, maakte zijn optreden des te opvallender. Met steeds scherper zelfspot beschreef hij zijn kwalen en zijn uiterlijk, het meest openhartig in enkele artikelen in jaargang 1979/1980 van het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures, waarvan hij toen gastredacteur was. "Ik heb al vaak voor de kist gestaan, maar ik spring er steeds weer overheen", merkte Visser eens in een interview op.

Vissers belangstelling voor de duistere kanten van het leven bleek al vroeg, bijvoorbeeld in de historische novellen uit de in 1946 verschenen bundel 'Galg en rad'. Zijn vriend Ferdinand Langen noemde hem daarom een vertegenwoordiger van de zwarte romantiek. Opvallend is inderdaad, vanaf het eerste proza, de aandacht voor het kwaad, zowel voor de man die door omstandigheden in de misdaad terecht komt als voor de gewetenloze, opportunistische misdadiger. Die belangstelling, en misschien ook de veronderstelling dat misdaadliteratuur beter verkocht werd, bracht Ab Visser bij de detective. In 1952 was hij een van de winnaars van de detective-prijsvraag van uitgeverij Bruna. Al vrij snel ontwikkelde hij zich tot autoriteit op dit gebied: recensent, redacteur, adviseur van uitgeverijen, auteur. In enkele werken, onder andere in de in 1963 in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen geschreven 'studie in onbehagen' 'Kaïn sloeg Abel. Een handleiding voor de detective-lezer', pleitte hij bij herhaling voor een volwaardige plaats van het spannende verhaal in de literatuur. Met zijn periodieken in boekvorm (Dubbel M, Pulp, Plot) probeerde hij niet alleen het misdaadverhaal meer waardering te bezorgen, maar ook bekende auteurs te bewegen tot het schrijven van dergelijk proza. Zijn eigen misdaadverhalen leggen het accent meer bij de psychologie van de hoofdpersoon dan bij de spannende gebeurtenissen.

Naast al zijn misdaadromans en boeken over het genre, schreef hij ook poëzie, verhalenbundels en jeugdboeken. Deze schreef hij vaak onder de pseudoniemen Carel J. Bicker en A. Ferwerda. Bekende andere titels van hem zijn ''t Peerd van Ome Loeks' en 'Rudolf de Mepse. Het monsterproces van Faan'. Door te blijven schrijven over Groningen, bleef Ab Visser steeds verbonden met zijn wortels, en niet als laatste ook door zijn accent. De gemeente Groningen verleende hem in 1958 de in 1946 ingestelde Hendrik de Vries-prijs voor zijn gehele oeuvre. Deze prijs werd uitgereikt aan een vertegenwoordiger van het Groninger kunstleven op letterkundig gebied. In 1973 werd de prijs opgeheven, maar in 1986 werd de prijs ter gelegenheid van de 90ste verjaardag van Hendrik de Vries opnieuw ingesteld als tweejaarlijkse prijs, wisselend toegekend aan een literator en een beeldend kunstenaar. In 1958 roemde de dichteres M. Vasalis, namens de jury, vooral het natuurlijke van het werk van Ab Visser.

Van 1956 tot 1958 schreef hij een column voor 'Het Vrije Volk'. Nadat hieraan op enigszins onduidelijke wijze een einde was gekomen, werd hij om den brode poëzierecensent bij 'De Telegraaf'. Zijn vriend Hans van Straten haalde hem echter toch weer binnen bij 'Het Vrije Volk' en onder het goed bewaarde pseudoniem Carel J. Bicker vulde hij in deze krant van 1960 tot 1968 een detectiverubriek, waarin hij zonder schroom ook eigen boeken besprak. In 1972 werd hij recensent voor Nederlandse literatuur bij de Leeuwarder Courant. Visser weigerde mee te doen aan het recenseren van de 'grote' auteurs om hun nieuwswaarde. Hij besprak het boek dat hij op dat moment onder de aandacht wilde brengen. Zijn uitgangspunt bleef hij trouw: er moet een goed verhaal worden verteld. Te experimentele romans wees hij af: een boek is als een gesprek, zo betoogde hij en er kan daarbij geen plaats zijn voor 'duistere wartaal' die 'achteraf recht gezet moet worden door een verklaring'. Opvallend in deze kritieken is dat hij de schrijver vaak rechtstreeks aanspreekt. 

Een groot oeuvre

Naast de vele bijdragen in kranten en tijdschriften schreef Ab Visser meer dan zeventig boeken: gedichten, romans, novellen, kinder- en jeugdboeken, essays. Dit werk is van een sterk wisselende kwaliteit. Er moest immers geschreven worden om aan de kost te komen. Daarnaast toonde hij ook weinig zelfkritiek. Lage verkoopcijfers en de weigeringen zijn geschriften te publiceren, weet hij vooral aan het publiek en aan de uitgevers. Zoals Visser over veel gebeurtenissen uit zijn eigen leven schreef, verhaalde hij ook - vol zelfspot, maar tevens vol kritiek - over zijn avonturen met die uitgevers: 'Wat moet ik ermee', een boek uit 1979 dat ook weer door veel uitgevers was geweigerd.

Als zijn beste werk wordt wel gezien de objectivering van zijn eigen leven in de vijfdelige Jo Rutgers-cyclus. Scherp wordt de eigen ontwikkeling van kind - 'De buurt' uit 1953 - tot kunstenaar-broodschrijver - 'God in Frankrijk' uit 1958 - weergegeven, in een tamelijk zakelijke, wat afstandelijke stijl, die nog niet wordt ontsierd door de opgeschroefde schooljongenstaal van later. In de in 1978 verschenen novellenbundel 'Sheffield Staal' evenaarde hij volgens velen deze kwaliteit.

Op persoonlijk vlak koos hij op 67-jarige leeftijd, op 14 maart 1980, voor een scheiding van Edith Visser. Niet veel later, op 28 april 1980, trouwde hij met Margaretha Johanna Hirs, vertaalster. Noch uit het eerste huwelijk, noch uit het tweede werden kinderen geboren. Over hun verhouding schreef zijn tweede vrouw na zijn dood een (semi-)autobiografische roman over hun verhouding, getiteld 'De Troosteres'. AbVisser01Ab Visser had de laatste jaren van zijn leven overigens continue ernstige last van zijn bronchitis. Elke dag zat hij zo'n vijftien uur aan een zuurstofapparaat. Desondanks bleef hij opgewekt. Hij stierf op 9 mei 1982 te Amsterdam, in bed, terwijl de dokter hem vlak doorvoor nog had verzekerd dat hij zich nergens zorgen over hoefde te maken.

Ab Visser werd op 13 mei begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Op zijn graf, dat niet ver van de aula ligt, werd een eenvoudig marmeren grafmonument geplaatst in de vorm van een opengeslagen boek. Het boek wordt vandaag de dag gedeeltelijk aan het oog ontrokken door allerlei plantjes en een vuurdoorn geplaatst. Het graf ligt op vak 1, nr. 343.

Na zijn dood

Meer dan zes jaar na zijn dood, in oktober 1988, vond in Den Haag de oprichting plaats van de Ab Visser Sociëteit, die de belangstelling voor leven en werk van deze opvallende non-conformist levend wil houden, onder meer door het uitgeven van de Ab Visser Cahiers. Met de opkomst van het Internet zijn er op veel websites pagina's gewijd aan deze schrijver. Daarnaast zijn er nog steeds boeken van hem te koop. Al met al staat Ab Visser, ondanks dat gezegd wordt dat hij geen groot schrijver was, nog steeds in de belangstelling en dat kan niet van iedere schrijver gezegd worden. 

 

Met dank aan Auke Santhuizen

 

Literatuur

  • Broek, Annet van den en Koos Groen (red.), Hun laatste rustplaats. Kerkhofgids van schrijvers, acteurs, schilders, componisten, politici, sportsterren en andere bekende Nederlanders, Baarn, (1985)
  • H. Jongsma, 'Visser, Albert (1913-1982)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. (versie 05-09-2003)

Internet

 

 

 


© 2020 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.