Buitenland

Suriname – Een inleiding tot begraven in Paramaribo

 

De geschiedenis van begraafplaatsen en kerkhoven in Paramaribo, Suriname, is een complexe en interessante geschiedenis. Toch begint die geschiedenis niet met de komst van de Europeanen. Suriname heeft in het verleden diverse precolumbiaanse culturen gekend.[i]

Inleiding

Lijkenkoets uit Willem F.L. Bushkens Familiesysteem Volkscreolen Paramaribo 1973De eerste bewoners van Suriname leefden zo’n 10.000 jaar geleden. In het zuidelijke gebied van de Sipaliwini Savanne zijn daarvan archeologische vondsten gedaan. De savannes zelf zijn sporen van de aanwezigheid van mensen, aangezien deze het terrein gebruikten voor de jacht en om doorheen te reizen en daarom zorgden dat de savannes niet dichtgroeiden. Vooral stenen artefacten in de vorm van gereedschappen en afvalmateriaal bij het maken van die gereedschappen zijn bewaard gebleven.

Suriname maakt deel uit van de Guianas, een groep gebieden die alle ten noorden van de waterscheiding tussen de Amazone en de Atlantische Oceaan en tegenwoordig in vijf landen liggen: Brazilië, Frans Guyana, Suriname (vroeger soms ook Nederlandsch Guyana genoemd), Guyana en Venezuela. Terwijl in de gebieden ten westen en ten oosten van Suriname in de duizenden jaren daarna sporen van permanente bewoning is gevonden, ontbreken die sporen in Suriname vooralsnog. De oudste landbouwers-nederzetting van Suriname is Kaurikreek, West-Suriname, en dateert waarschijnlijk van rond 2000 voor Christus. [ii]

De precolumbiaanse culturen worden ingedeeld aan de hand van het aardewerk dat ze hebben nagelaten. In Suriname zijn sporen van verschillende culturen te vinden, waarvan de bekendste de Hertenrits Cultuur en de Kwatta Cultuur zijn, beide behorende tot de Arauquinoïde Traditie (waarbinnen over langere tijd en over grote afstand beschilderingen en bewerkingen aan aardewerk gelijk bleven). Na de komst van Columbus in 1492 werden Inheemsen ingedeeld in Caraïben, die oorlogszuchtig zouden zijn, en Arowakken, een vreedzaam volk dat bovendien graag katholiek wilde worden, zo oordeelden de Spanjaarden tenminste. Het lijkt duidelijk dat deze indeling veel meer is bepaald door de mate van weerstand die een volk jegens de Spaanse veroveraar ten toon spreidde, dan dat het gebaseerd was op bijvoorbeeld culturele aspecten. Dat wordt versterkt door het feit dat veel Inheemsen begin zestiende eeuw ingedeeld werden bij de Caraïben, wat betekende dat ze tot slaaf gemaakt mochten worden, dit in tegenstelling tot de Arowakken. [iii]

Tussen 300 en 1000 na Chr. trad een verzoeting op in het West-Surinaamse kunstgebied. Inheemsen wierpen woonterpen op van klei met daar omheen kleine, eveneens van klei, opgeworpen akkertjes die permanente landbouw mogelijk maakten. Belangrijk voor de archeologie was het onderzoek aan de Hertenrits, de grootste en hoogste terp in Suriname. In de Hertenrits werden urnbegravingen gevonden, ook werd menselijk skeletmateriaal gevonden dat was begraven. De Hertenrits was bewoond van ongeveer 700 na Chr. tot in ieder geval 1250 en is daarmee langer bewoond dan andere terpen in Suriname. [iv]

Ten oosten van de zone met terpen zijn er veel natuurlijke verhogingen, zogenaamde zandristen, te vinden in het landschap langs het kustgebied. De Kwatta Cultuur (vanaf 1000 na Chr.) kan gevonden worden in voormalige dorpen die lagen op de oost-west georiënteerde zandritsen tussen de rivieren de Coppename en Suriname. Met name waar er schelpen in de ondergrond zitten, zijn deze zandristen vaak geschikt voor landbouw, waardoor er op en bij deze zandristen nederzettingen ontstonden. In 1961/1962 werden tijdens opgravingen bij de Kwatta Tingi-holo vindplaats in Paramaribo complete potten en begravingen gevonden. [v] Voor de komst van de Europeanen woonden er dan ook al Inheemsen in het gebied dat we nu kennen als Paramaribo en die ook de naamgevers zouden zijn van de nederzetting waaruit de stad ontstond. Op de plek van de huidige Henk Arronstraat ligt een schelpenrits, die ervoor zorgde dat het gebied nooit onder water liep.[vi] In 1960 stuitten arbeiders tijdens graafwerkzaamheden aan de Dr. J.C. de Mirandastraat op 1,5 m diepte op een precolumbiaans graf, waarbij een schedel in een aardewerk kruik en botten tevoorschijn kwamen. Ook werden enkele stenen bijlen en houtskoolresten gevonden.[vii] De vondsten wijzen op een nederzetting met graven van de Kwatta Cultuur. [viii] Vanaf 1350-1500 na Chr. vestigde de Koriabo Cultuur zich langs de kust. Bij Charlesburg is van deze cultuur een nederzetting met grafveld gevonden.[ix]

Opgraving Lim A Postraat foto Stephen Fokké 2018Eind maart 2018 nog werden aan de Lim A Postraat (wat vroeger ook de Heerenstraat heette) bij een opgraving een skelet en historische objecten blootgelegd. Omdat de begraving op een schelprits gedaan is, zijn de beenderen vrij goed bewaard gebleven. De begraafwijze was echter niet precolumbiaans, zodat de resten uit de koloniale tijd moeten stammen.[x] Buiten Paramaribo zijn ook meerdere nederzettingen met grafresten gevonden, zoals in februari 2017 bij de Motkreek. [xi]  Uit onderzoek blijkt dat daar een oude Inheemse nederzetting op een schelpenrits lag. De lichamen of beenderen van de doden werden bijgezet in aardewerk kruiken en vervolgens begraven in de hutten. [xii]

De komst van de Europeanen

Als het gaat om de Nederlandse aanwezigheid in Zuid-Amerika zullen de meeste mensen waarschijnlijk alleen aan Suriname denken. De Nederlandse invloed reikte in het verleden echter verder. Zo was er een korte periode in het tweede kwart van de zeventiende eeuw waarin de Republiek de Portugese machthebbers wist te verjagen uit Noordoost Brazilië. Maar ook de naast Suriname gelegen koloniën Berbice, Demerara en Essequibo - langs de kuststrook tussen de monding van de Amazone in Brazilië en de Orinoco in het huidige Venezuela - waren tot het eind van de achttiende eeuw in handen van de Republiek. In het begin van de zeventiende eeuw was er in de – toen nog – vier koloniën vooral sprake van kleine, vaak tijdelijke, handelsfactorijen, al was Suriname al wat meer ontwikkeld en werd daar ook regelmatig strijd geleverd. De oudste Nederlandse nederzetting in Suriname dateert uit 1613 aan de Corantijn, de rivier op de huidige grens van Suriname en Guyana. In 1614 werd het fort door Spaanse troepen in brand gestoken, waarbij zo’n vijftig Nederlanders levend werden verbrand.[xiii] Aan de Surrenant, de tegenwoordige Surinamerivier, lag de handelspost Purmerbo, gevestigd in 1613 als Amsterdamse factorij, op de plek waar later fort Zeelandia kwam te liggen. In 1644 vestigde zich daar een groep van zo’n zestig Fransen die een klein houten fort bouwden. Vanwege malaria en aanvallen van Inheemsen vertrokken ze weer en in 1650 werd de plek ingenomen door de Brit William Byam. Hij noemde het fort naar zijn opdrachtgever: Willoughby. [xiv] Deze post zou na de verovering in 1667 door Abraham Crijnssen uitgroeien tot de stad Paramaribo. Het fort werd door Crijnssen hernoemd tot fort Zeelandia, naar zijn eigen fregat.

Hoofdstad van de kleine kolonie was op dat moment nog Torarica, zo’n 50 km stroomopwaarts gelegen van het fort. Torarica was een kleine nederzetting die was ontstaan na de komst van de Engelsen in 1650. Er stonden zo’n honderd huisjes en hutjes verspreid over het gebied.[xv] Toen de Engelsen zich in Suriname vestigden, sloten de Cariben een verbond met hen en hielpen in de strijd tegen de Nederlanders, die Cariben als slaaf hielden. Pas in 1684 kwam er een vrede tot stand, waarbij de Inheemsen bepaalde toezeggingen werden gedaan. Zo mochten zij niet meer tot slaaf gemaakt worden, alleen nog als gevolg van bepaalde misdaden, en mocht niets gedaan worden dat ten nadele van de Inheemsen zou zijn.[xvi] Echter nog meer dan door oorlog en slavernij verloren veel Inheemsen het leven doordat de Europeanen ziekten introduceerden waartegen de Inheemsen geen weerstand hadden.

Het ontstaan van begraafplaatsen voor kolonisten en slaven

Plattegrond van Paramaribo in 1853.Onderzoek toont aan dat er in Paramaribo tussen 1667 en 1900 in ieder geval 29 begraafplaatsen (waaronder kerkhoven) zijn geweest. [xvii] Slechts een tiental begraafplaatsen, of resten daarvan, is bewaard gebleven. De overige begraafplaatsen zijn geruimd en in de meeste gevallen is er nauwelijks een spoor van terug te vinden. Soms omdat er later in de tijd een nieuwe begraafplaats op die plek is ontstaan, maar vanwege uitbreiding van de stad vooral ook door bebouwing. Vanaf 1900 is er sprake van in ieder geval 24 nieuwe begraafplaatsen. Niet meegeteld in de totalen zijn de individuele begraafplaatsen die in vroeger tijden zijn aangelegd op het erf. Het graf van gouverneursvrouw Siekea Anne de Haas in de Palmentuin is een bekend voorbeeld. Ook zijn niet meegeteld de slavenbegraafplaatsen die er moeten zijn geweest. Simpelweg omdat onvoldoende bekend is waar ze moeten hebben gelegen en hoeveel het er zijn. In een apart artikel zal hier later aandacht aan worden besteedt. Hetzelfde geldt voor de verschillende justitieplaatsen die er zijn geweest aan de rand van de stad. Op deze plekken, waar recht werd gesproken en met name slaven werden opgehangen of op andere wijze ter dood gebracht, werd ook begraven. Omdat Paramaribo zich steeds verder uitbreidde, verplaatste de justitieplaats zich met de grenzen van de stad mee. Niet onwaarschijnlijk is dat van de verschillende justitieplaatsen nog sporen te vinden zijn in de vorm van stoffelijke resten.

Het chirurgijnsetablissement Sommelsdijk (collectie Rijksmuseum RP-T-1994-98)Tot het einde van de negentiende eeuw kende Suriname buiten de plantages en Paramaribo nauwelijks een infrastructuur. Die was alleen te vinden in dat deel van de kolonie dat in cultuur was gebracht en daar waar het Kordonpad liep. Militaire posten langs dit pad moesten de plantages langs de Commewijne- en Surinamerivier beschermen tegen aanvallen uit het zuiden en oosten van de Marrons, gevluchte slaven. Uit de archieven blijkt dat officieren en soldaten die op de verschillende posten kwamen te overlijden, ter plekke op de desbetreffende post werden begraven. Heden ten dage zijn dan ook bij sommige voormalige posten graven van overleden soldaten te vinden. Waar geen wegen waren, werden plantages bereikt via de kreken en rivieren die op de kust uitmonden. De plantages zijn drie eeuwen lang bepalend geweest voor de infrastructuur in Suriname, dus in zekere mate ook voor de locaties waar begraafplaatsen werden aangelegd. Bij de plantages ontstonden kleine dodenakkers, met name voor de eigenaren en hun familie. Soms worden nog restanten gevonden van grafmonumenten, maar veel plantages zijn weer opgeslokt door de natuur en wat nog rest van de kleine begraafplaatsen is daarmee vrijwel onvindbaar geworden. Slaven die door uitputting, uitbuiting of anderzins stierven, werden waarschijnlijk achter op de plantage begraven, maar zonder graftekens. Ook kwam het voor dat dode slaven in de rivier werden gegooid, dit gebeurde vooral vanaf de schepen. In 1669 was het nog toegestaan om dode slaven met gewichten aan het lichaam in het water te gooien, maar op drijvende lijken stond een straf van 500 pond suiker.[xviii] In 1801 was het helemaal niet meer toestaan om lijken in de rivier te werpen, op straffe van 500 gulden boete. Slaven die aan boord overleden, dienden op een geschikte plaats begraven te worden.[xix]  Er is tot op heden maar een beperkt aantal slavenbegraafplaatsen teruggevonden. In de jaren tachtig van de vorige eeuw werden menselijke resten gevonden op het strand van Matapica. Het bleek om een slavenbegraafplaats te gaan van de voormalige plantage Waterloo, die al lang geleden door de zee was weggespoeld.[xx]

Begraven in de kerk van Torarica

Na de komst van de Nederlanders in 1667 en het verplaatsen van het bestuurscentrum naar Paramaribo, liep de bevolking van Torarica snel terug, van 1500 bewoners in 1667 naar 500 in 1669. De terugloop werd niet alleen veroorzaakt omdat mensen verhuisden, maar ook doordat veel Engelsen vertrokken uit Suriname.[xxi] In Torarica stond een “oude vervallen kercke, cleijn, rondom open en van boven met gaten, in ’t midden van ’t bosch staande” [xxii], waarvan bovendien bekend is dat er in begraven is. In een brief uit 1672 van schipper Jan Dimmesen, gericht aan zijn vrouw in Middelburg, doet hij melding van het overlijden van zijn broer Jacob en dat deze ‘inde kercke van Torarijca’ begraven was, ‘aen de zijde van de heer Abraham Qurijnsen saligher’. [xxiii] Crijnssen was overleden op 1 februari 1669 en werd nog dezelfde dag begraven. [xxiv] Onduidelijk is vooralsnog of Crijnssen is overleden in het fort en in eerste instantie daar is begraven, om later te worden herbegraven in de kerk van Torarica. Of dat hij gelijk is begraven in Torarica. Vermoed wordt het eerste, maar zeker is dit niet.

Het begraven in de kerk was niet goedkoop. Suiker was in die dagen een wettig betaalmiddel en de kosten voor het begraven werden uitgedrukt in ponden suiker. [xxv] Op 8 januari 1695 werd vastgesteld wat de kosten waren voor het begraven in de kerk:

Iemant voor sijne familie een grafstede in de kercke begeerende sal daervoor moeten betaelen…. 20000 pond; Iemant particulier in de kercke willende begraven wesen, moet betaelen… 10000 pond; Iemant tsy man ofte vrouw een suijckerwerck [plantage] hebbende, en op het kerckhoff off haere plantage begraven werdende, sal aen de kerck van sijn off haere divisie moeten betalen… 400 pond; Ieder kint sijn ouders hebbende… 200 pond; Ieder persoon die in dienst van de planter is… 100 pond; Ieder kostplanter en vrije arbeijtsluij moeten betaelen… 200 pond; Voor haere kinderen…100 pond. [xxvi]

De kerk in Torarica was gebouwd door de Engelsen en werd na de komst van de Nederlanders gebruikt voor de protestantse eredienst. Onbekend is of er eerder al door de Engelsen begraven is in de kerk, maar uitgaande van Europese gebruiken lijkt dit waarschijnlijk.[xxvii] De kerk van Torarica was echter geen lang leven beschoren. Na de dood van dominee Ter Maath in 1699 werd er geen nieuwe voorganger benoemd en de Hervormde gemeente Torarica werd samengevoegd met die van Paramaribo. En het jaar daarop werd begonnen met de verkoop van materialen van de intussen vervallen kerk. Wat er met de resten van Crijnssen en de overige doden is gebeurd, blijft vooralsnog onbekend.

Fort Zeelandia

Het sterftecijfer onder de Europeanen lag hoog in de tropen. De Brit Stedman was in dienst van de Republiek als kapitein van een korps vrijwilligers dat naar Suriname was gezonden om een opstand van weggelopen slaven neer te slaan. In 1773 was hij in Paramaribo en schreef het volgende:

Op deezen tijd woedden ‘er veele ziekten onder ons scheepsvolk; bijna elken dag wierden ‘er viif of zes matroozen van de koopvaardij-schepen begraaven. Het lot van deeze soort van mensen is in dit land over het algemeen zeer slegt; […] Zij stillen hunnen honger met enige bananen en pisangs, eeten oranjen en drinken water, hetgeen hen welhaast van alle kwaad verlost, door hen naar de eeuwigheid te zenden. Duizenden worden op deeze wijze in het graf gestort, die, volgens den gewoonen loop hunnes levens, nog veele jaaren zouden hebben kunnen tellen. [xxviii]

De matrozen werden waarschijnlijk begraven op het matrozenkerkhof op de “savaane”. In het zogenaamde stenen binnenfort werden onder meer de eerste Gouverneur-Generaals, Commandeurs en hoge officieren begraven. Hoewel hun leefomstandigheden veel beter waren dan van het gewone werkvolk ontkwamen zij net als hen niet aan de gesel van tropische ziekten. Stedman:

Onderstuschen woedden de ziekten meer en meer onder onze soldaten, die aanmerklijk begonnen te verminderen. Den een en twintigsten Mey stierf ook weder een van onze officieren, wiens begraavenis in het fort Zeelandia, daar alle officieren begraven en alle gevangene bewaard worden, ik bijwoonde. Hier zag ik de gevangene rebellen en andere Negers, onder het gekletter van hun boeijen, Pisangs en Yams op de grafsteden der verstorven braaden; ik meende een aantal helsche geesten te zien, die de zielen van hunnen Europische vervolgers pijnigden. [xxix]

Fort ZeelandiaHoewel de begraafplaatsen van fort Zeelandia waarschijnlijk ruim 132 jaar in gebruik zijn geweest en er meer dan tweehonderd personen zijn begraven, is een groot mysterie wat er met de beide begraafplaatsen is gebeurd. Bijzonder is dat ze op geen enkele kaart van Paramaribo of zelfs van het fort zijn aangegeven. Voor het binnenkerkhof is er maar één optie, de kleine binnenplaats van het binnenfort. Hier werd onder meer gouverneur Cornelis Aerssen van Sommelsdijck begraven, die in 1688 door muitende soldaten werd doodgeschoten. Hij zou later zijn herbegraven in het Zeeuwse Sommelsdijk in de grafkelder van de familie. Uit archiefonderzoek blijkt dat er na 1799 niet meer is begraven in of bij Fort Zeelandia.[xxx] Tastbare bewijzen van de beide begraafplaatsen blijven vooralsnog beperkt tot een aantal grafstenen die in 1954 werden gevonden tijdens het afbreken van de oude militaire bakkerij. Ook werden er enkele skeletdelen gevonden. [xxxi]

Rond 1750 werden er ‘aan de savanne’ drie begraafplaatsen aangelegd voor matrozen, soldaten en vrije lieden in het blok aan de Wanicastraat (tegenwoordig de Johan Adolf Pengelstraat), waar nu Oud Lina’s Rust is gelegen. De exacte locatie van de begraafplaatsen is onduidelijk, omdat oude kaarten ze op verschillende plekken situeren. Gedurende de negentiende eeuw verdwenen deze individuele begraafplaatsen geleidelijk aan en ontstonden er op die plek verschillende nieuwe begraafplaatsen als de gouvernementele begraafplaats (Willem) Jacobus Rust (rond 1800), de RK begraafplaats Rust-en-Vredestraat (1840), de Chinese begraafplaats Willems Rust (1890) en de Hervormde begraafplaats (Oud) Lina’s Rust (1898).

De eerste kerken en een nieuwe begraafplaats

Toen vlak na de dood van Termaath in 1699 de kerk van Torarica werd opgeheven, werd de predikant van Paramaribo ook de predikant voor Torarica. Een kerk had Paramaribo echter nog niet, diensten waren er al wel. De eerste jaren werden deze gehouden in de woning van Nic. Combé, kommies van de West-Indische Compagnie (WIC), vlakbij het fort. Zijn huis was één van de weinige huizen gebouwd van steen, dat als ballast van de schepen was meegekomen naar Suriname. Er is begin zeventiger jaren voor het eerst sprake van gebouw dat dienst doet als kerk, tot 1688 als er een nieuw houten gebouw wordt gebouwd. Heel lovend wordt er niet over dat gebouw gesproken, de kerk zou evengoed als pakhuis kunnen dienen. Er zijn geen aanwijzingen dat in dit gebouw of zijn voorganger is begraven. Uiteindelijk wordt er pas in 1701 een kerk annex raadhuis gebouwd in de Oranjetuin. De onderste verdieping kon worden gebruikt als vergaderruimte voor het hof van politie en justitie, terwijl de bovenverdieping als kerk diende. In het gebouw zetelde ook de weeskamer. Het gebouw lag aan de zuidrand van de huidige locatie, met aan de andere zijde een marktplein. Aan de kant van de huidige kerk lag een begraafplaats die al omstreeks 1690 in gebruik was genomen. Deze werd aangeduid met Oranjetuin, naar de sinaasappelboompjes die er stonden. Het gebouw was gebouwd van klipsteen, hetzelfde materiaal waarmee ook de vestingmuur van Fort Zeelandia is opgebouwd.[xxxii]

Al na een paar jaar waren ingrijpende reparaties nodig voor het kerkgebouw. Eind 1722 of begin 1723 kreeg de kerk een eigen luidklok in de vorm van een klokkenstoel naast de kerk. Tot die tijd was de klok van het fort gebruikt. Maar na enkele jaren bleek het hout verrot en werd de klok verplaatst naar het fort. Omdat steeds meer families uit de districten naar Paramaribo trokken, nam het kerkbezoek ook toe. Er was behoefte aan een grotere kerk in plaats van een verdieping op een gebouw, maar nieuwbouw stuitte op grote bezwaren en kosten. Men besloot dat de bestaande kerk moest worden vergroot, maar de uitbreiding zou pas plaatsvinden in 1738 en dan nog vooral omdat er op de benedenverdieping te weinig ruimte bleek voor de weeskamer.

IParamaribo - Centrumkerkn 1793 leek het de stadsbouwmeester goedkoper een nieuw gebouw neer te zetten in plaats van het huidige gebouw te renoveren. Er was echter onvoldoende geld beschikbaar en het gebouw werd alsnog opgeknapt. In 1814 kreeg de Hervormde gemeente eindelijk zijn eigen kerkgebouw, aan de noordzijde van het kerkplein waar zich de begraafplaats bevond. De kolonie viel op dat moment onder Engels bestuur en de oude kerkzaal werd niet afgebroken, maar gebruikt voor de anglicaanse eredienst. De Engelse koning schonk 100.000 gulden voor de bouw van de nieuwe kerk. De resterende 150.000 gulden werd bijeengebracht door een obligatielening. Het lijkt waarschijnlijk dat er graven zijn geruimd voor de bouw van de nieuwe kerk, ondanks dat de exacte omvang van de begraafplaats niet bekend is.

Vanaf 1816 viel Suriname weer onder Nederlands bestuur. Lang heeft men echter niet mogen genieten van de eigen kerk, want in 1821 werd het gebouw evenals het oude raads- annex kerkgebouw bij een grote stadsbrand in de as gelegd, waarbij vrijwel het gehele oude centrum verloren ging. In 1822 werden de funderingen van de kerk verwijderd en werd een prijsvraag uitgeschreven voor het ontwerp van een nieuwe kerk. Er was echter geen winnaar en het zou tot 1835 duren voordat een nieuwe kerk  gebouwd zou worden. De begraafplaats is waarschijnlijk nooit geruimd, of in ieder geval niet volledig. In 1905 werden bij de aanleg van een riool op het kerkplein menselijke resten gevonden, als ook kistresten en ornamenten.[xxxiii]

Oranjetuin

Ilustratie Benoit van de markt op en naast OranjetuinDe begraafplaats in de Oranjetuin werd omstreeks 1690 in gebruik genomen. De kleine dodenakker was echter niet bedoeld voor de eenvoudige burger en de arbeiders. Zij vonden hun laatste rustplaats op de hoek van de Herenstraat en de Klipstenenstraat. Die begraafplaats is vermoedelijk midden achttiende eeuw geruimd. Vanaf dat moment werd Rust en Vrede mogelijk de begraafplaats voor de armen. De Oranjetuin was qua kosten vergelijkbaar met het begraven in de kerk van Torarica eerder, nl. 50 gulden. Wilde men een grafsteen, dan diende men nog eens 50 gulden te betalen. Voor een dubbele zerk betaalde men 100 gulden. De begraafplaats was niet heel groot, dus in 1756 werd een nieuwe begraafplaats, Nieuwe Oranjetuin, aangelegd aan de rand van de stad. Enkele jaren later, in 1763 werden de graftombes op de oude begraafplaats gesloopt en de grafstenen plat op de grond gelegd. Wilde men toch begraven op de Oranjetuin, dan moest een forse boete betaald worden van 500 gulden.

“.... Zijnde wijders bij welgemelde Edele Hove gestatueerd dat in 't vervolg geene lijken ter begravenisse in de gemelde Oranjethuyn sullen werden gepermiteerd ten sij voor ieder van deselve alvoorens werden betaald eene somma van vijff hondert Hollandse guldens ....” [xxxiv]

Diegenen die reeds een familiegraf hadden op de begraafplaats, betaalden de boete graag. Ook omdat de boete hen een zeker aanzien gaf. De zichtbaarheid van een begrafenis zal bij het blijven begraven in de oude Oranjetuin ook hebben meegespeeld voor sommige families. Gaandeweg werd er wel minder begraven en de laatste begrafenis vond in 1795 plaats. In 1801 werd het kerkhof definitief gesloten en langzamerhand breidde de markt zich uit tot over de begraafplaats, zoals de tekening van Benoit laat zien die hij in 1830 maakte tijdens zijn reis door Suriname. Toen in 1835 een nieuwe kerk werd gebouwd, ruimde men ook de begraafplaats. Een deel van de zerken werd in de vloer van de nieuwe kerk geplaatst en een klein aantal werd aan de westzijde van kerk neergelegd. [xxxv]

Nieuwe Oranjetuin

Halverwege de achttiende eeuw had de Hervormde gemeenschap dringend behoefte aan een nieuwe begraafplaats. De bevolking van Paramaribo nam toe in aantal en de Oranjetuin bood onvoldoende ruimte voor begraven. Terwijl de Joden intussen twee eigen begraafplaatsen hadden en militairen en gouverneurs in of bij het fort werden begraven, lieten de meeste notabelen zich begraven op de begraafplaats bij de kerk die vol dreigde te raken.[xxxvi] Er was daarom behoefte aan een nieuwe begraafplaats waar de notabelen een waardige laatste rustplaats kregen. In 1756 werd de nieuwe begraafplaats aangekondigd. [xxxvii]

“... Den Edele Hove van Politie deeser colonie ten hoogste nodig geoordeeld hebbende om een nieuw kerkhoff te doen aenleggen en approprieeren, gelijk daartoe thans een bequamen plaats aan de Wagewegstraad is uytgevonden en gedespisieerd alwaar voortaan alle lijken van burgers en ingeseetenen deeser colonie sullen kunnen werden begraaven, is goedgevonden bij deesen daarvan een ygelijk kennisse te geeven te einde in voorkoomende sterffgevallen sig daarvan te kunnen bedienen, mits betaalende de kerke geregtigheyd als omtrent de grafsteeden in de Oranjethuyn tot dato in 't gebruyk is geweest.....” [xxxviii]

Het terrein werd door het gouvernement in 1755 aangekocht. Maar nog voordat de begraafplaats officieel in gebruik was genomen, is er mogelijk al op 1 november 1755 een eerste bijzetting gedaan.[xxxix] Vanaf 1756 werd er officieel begraven. Uit de boeken blijkt dat er in de eerste twintig jaar dat de begraafplaats in gebruik was, er gemiddeld twee tot drie begrafenissen per maand plaatsvonden op Nieuwe Oranjetuin. Onbekend is of al die doden een eigen grafmonument kregen, voor zover daar al sprake van was. In ieder geval verwijzen er momenteel slechts 61 grafmonumenten naar de 656 begravingen uit de periode 1756-1777.

NL HaNA 2.24.14.02 0 252 5271 OranjetuinDe exacte maat van de oorspronkelijke begraafplaats is niet bekend, maar wel weten we dat de begraafplaats een aantal malen is uitgebreid, tot de omvang zoals die we tegenwoordig zien. Het middelste deel van Nieuwe Oranjetuin is te beschouwen als het meest oorspronkelijke deel. Met uitzonderingen van veel later geplaatste monumenten is dit ook terug te zien in het feit dat de oudste grafmonumenten op de begraafplaats in dit deel liggen. De eerste uitbreiding vond plaats eind achttiende eeuw aan de zijde van de Swalmbergstraat. In 1842 werd een perceel aan de zijde van Thalia toegevoegd aan de begraafplaats. Op het oudste deel van de begraafplaats stond in de beginjaren al een woning voor de doodgraver, maar na de uitbreiding van 1842 werd op het verworven deel een nieuwe woning gebouwd voor de doodgraver en zijn familie, met daarnaast een koetshuis waar de lijkkoets kon worden gestald. De fundamenten van de woning en het koetshuis zijn heden ten dagen nog te zien. De stenen muur rondom de begraafplaats is van latere datum, oorspronkelijk mogelijk uit het begin van de negentiende eeuw, maar werd in 1869 vervangen. Aanvankelijk was de begraafplaats afgeschermd door een ‘dikke Lemisjes Hyning’, oftewel een haag van limoenbomen. Na de bouw van de muur kreeg de begraafplaats de bijnaam ‘Steenen kerkhof’.

Bij een brand in het midden van de twintigste eeuw zijn de grafregisters van de begraafplaats waarschijnlijk verloren gegaan, waardoor het niet meer inzichtelijk is waar graven zich exact bevinden en of alle grafmonumenten daadwerkelijk op een graf staan. Daarnaast zijn veel grafmonumenten verdwenen, waaronder graftekens van hout.

De begraafplaats werd in 1928 gesloten, hoewel er daarna nog wel begraven werd. De begraafplaats werd in 1951 officieel weer in gebruik genomen, maar werd in 1961 voor de tweede maal formeel gesloten.

Nog een Oranjetuin?

Waarschijnlijk omdat Nieuwe Oranjetuin vol begon te raken, werd in 1801 een nieuwe gouvernementele begraafplaats aangelegd aan de Gravenstraat, de tegenwoordige Henck Arronstraat. Ook deze dodenakker werd Nieuwe Kerkhof genoemd, maar tevens Kitty’s Hof. De begraafplaats werd in 1864 gesloten en in 1927 geruimd. Enkele zerken zijn daarbij bewaard gebleven en liggen achter het gebouw van het Leger des Heils op de hoek van de Gravenstraat met de Cultuurtuinlaan.[xl]

Andere begraafplaatsen in Paramaribo.

Het dorp Jodensavanne lag op een heuvel op de rechteroever van de Surinamerivier. De bakstenen synagoge werd gebouwd in 1685 en is de oudste synagoge van de Amerika's. In de achttiende eeuw was Jodensavanne een belangrijk centrum van cultuur in Suriname. Op de voorgrond de begraafplaats.Fort Zeelandia, Oranjetuin en Nieuwe Oranjetuin waren echter niet de enige plekken waar begraven werd in het achttiende-eeuwse Paramaribo. Tal van gezindten vonden hun weg naar Suriname en stichten er hun eigen kerken en begraafplaatsen. Alleen voor de katholieken zou het nog enige tijd duren voordat zij vaste voet aan de grond kregen in de toenmalige kolonie.

Joodse begraafplaatsen waren er al vroeg in Suriname, namelijk bij Jodensavanne en nabij de Cassipora Kreek. Rond 1770 vertrokken veel joodse planters met hun gezinnen wegens een economische crisis naar Paramaribo, waardoor daar de joodse bevolking sterk toenam. In 1832 brandden enkele huizen bij in Jodensavanne af en raakte het dorp langzamerhand verlaten.

Begraven van slaven in Paramaribo

Omstreeks 1711 werden slaven aanvankelijk begraven onder de ‘oranjebomen’ langs het pad naar de gemeenschappelijke weide. Nadat dit niet langer was toegestaan werd een begraafplaats aangewezen ‘bij de eerste brugh aen de reghterhant van het padt gaende na d’Edele Societyts geweesene plantagie.[xli] Op de kaart van Van Rey (1772) wordt melding gemaakt van een slavenbegraafplaats aan de overzijde van het Matrozen Kerkhof op de hoek van de Steenbakkersgracht en de Rust en Vredestraat. Op een kaart van 1800 wordt melding gemaakt van een slavenbegraafplaats op de Savanne (Wanicastraat), nabij de Justitieplaats. Deze begraafplaats liep door aan de overzijde van de Picorniekreek.

Bij Gouvernements Besluit van 1828 werd bepaald dat slaven ook elders dan op het gewone Slaven-Kerkhof konden worden begraven na afgifte van een permissiebiljet van de Commissaris van Politie, waarvoor f3,- moest worden betaald.[xlii]. Voorts werd bij Gouvernements Besluit van 1835 bepaald, dat slaven door hun eigenaren ook begraven mochten worden op ‘sLands Kerkhof Kettyrust, op last van een schriftelijke authorisatie van de Procureur-Generaal na betaling van de verschuldigde kerkgerechtigheid.[xliii]. Enkele maanden na dit besluit werd Ketty's Rust gesloten.

Hoogduitse of Askenazische begraafplaatsen

Paramaribo - Nieuwe Askenazische begraafplaatsDe oudste grafsteen op de oude begraafplaats is van 1696, maar de begraafplaats stamt waarschijnlijk van rond 1715. De begraafplaats werd rond 1800 tegelijkertijd met de naast gelegen Sefardische begraafplaats vergroot. De oude Askenazische begraafplaats was vroeger groter van omvang en daarom is het waarschijnlijk dat er nog graven liggen onder de naburige kavels. De laatste begrafenis vond hier in 1883 plaats. In 1825 werd aan de overkant van de Kwattaweg een nieuwe Askenazische begraafplaats aangelegd.

Portugees-Israëlitische of Sefardische begraafplaatsen

Slechts door een pad gescheiden lag tot 1959 naast de oude Askenazische begraafplaats een Sefardisch begraafplaats, ontstaan rond 1715. Toen de begraafplaats geruimd werd, werden de grafstenen tijdelijk op de nieuwe Sefardische begraafplaats (1868) bewaard, om uiteindelijk bij de synagoge aan de Keizerstraat te worden geplaatst. De nieuwe begraafplaats wordt ook wel Nassy’s Rust genoemd, naar de eerstbegravene.

De Lutherse kerk.

In 1740 werd in Paramaribo een Lutherse gemeente gesticht. Men kreeg toestemming een kerk te bouwen, maar wel buiten gezichts- en gehoorsafstand van de Hervormde kerk[xliv]. Tot dat moment maakten de Lutheranen gebruik van het protestantse kerkgebouw. In 1747 kwam het Lutherse kerkgebouw gereed. In 1756 kregen zij bovendien een eigen begraafplaats achter de kerk, waarvoor zij wel 500 gulden per jaar moesten betalen aan de Hervormde kerk.

Vermelding van een begrafenis in de Lutherse kerk in 1755Uit archiefonderzoek blijkt dat er in de Lutherse kerk wel is begraven in tegen stelling tot de Hervormde kerk. Al in december 1755 is er sprake van een begrafenis, namelijk de zoon van G.D. van Altena. [xlv] Maar ook in 1775 werd er nog begraven. [xlvi] De grafsteen van J.G. Clenem die nu nog in de kerk te zien is, is waarschijnlijk na de grote stadsbrand van 1832 in de vloer van de kerk verwerkt samen met enkele andere grafstenen. Uit de archieven blijkt dat een J.G. Clenem in de kerk begraven is. [xlvii]

Evangelische broedergemeente

Paramaribo - Verzamelgraf achter de Grote StadskerkDe Evangelische broedergemeente had een traditionele, maar kleine Godsakker, gelegen achter de Grote Stadskerk aan de Steenbakkerijstraat. Hier is van 1761 tot 1776 begraven. De Duitse zendeling Garthmann werd daar op 26 juni 1761 als eerste begraven. In de negentiende eeuw zijn de resten bijeengebracht in een verzamelgraf, dat er nog steeds te vinden is. Een eigen begraafplaats kreeg de broedergemeente al in 1779, waar volgens de traditie mannen en vrouwen apart van elkaar werden begraven. Daarnaast was er een onderscheid met de vrije lieden en tot slaaf gemaakten. Ook zij werden apart, maar wel op dezelfde begraafplaats begraven. De begraafplaats, Maria's Rust,  werd vernoemd naar de eerstbegravene, een zekere Maria. Eind negentiende eeuw kreeg de Evangelische broedergemeente in 1879 een tweede begraafplaats, Christina’s Rust en in 1895 een derde, Leopolds Rust. Maria’s Rust en Christina’s Rust zijn verdwenen, maar van Leopolds Rust bestaat nog een klein deel waar voorgangers zijn begraven.

Rooms-katholieke dodenakkers

De voormalige RK begraafplaats aan de Rust en Vredestraat in Paramaribo,In de achttiende eeuw kregen de verschillende gezindten bijna allemaal eigen begraafplaatsen, op de katholieken na. De katholieken werden aanvankelijk op de gouvernementele begraafplaatsen als Nieuwe Oranjetuin en Kitty’s Hof begraven. Totdat achter de kathedraal in 1826 een priesterkerkhof ontstond. Daarbij werd zelfs een priester herbegraven van Nieuwe Oranjetuin. In 1840 ontstond de al eerder genoemde RK begraafplaats aan de Rust-en-Vrede straat voor alle katholieken. Tussen 1861 en 1872 werden ook enkele zusters begraven achter de kathedraal, maar zij kregen een eigen begraafplaats in 1867 op de plek waar tegenwoordig de Nederlandse ambassade is gelegen. De RK begraafplaats werd na 1917 geruimd toen een nieuwe katholieke begraafplaats werd aangelegd aan de Prinsessestraat.

Chinese begraafplaats

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen duizenden Chinese contractarbeiders naar Suriname. Dat had vooral te maken met de naderende afschaffing van de slavernij, waardoor plantage-eigenaren vreesden voor een tekort aan arbeidskrachten. De eerste Chinezen waren afkomstig van Java, maar kwamen daarna rechtstreeks uit China. Rond 1890 ontstond de eerste Chinese begraafplaats, genaamd Willems Rust, gelegen naast de oude katholieke begraafplaats. Beiden werden in 1917 gesloten.

Vanaf 1890 kwamen ook de eerste Javanen als contractarbeider naar Suriname en er zouden er tienduizenden volgen. Vanaf 1900 zien we dan ook het ontstaan van begraafplaatsen voor Javanen en andere moslims, evenals andere geloofsgemeenschappen en bevolkingsgroepen. Ook zien we in de twintigste eeuw particuliere begraafplaatsen ontstaan voor alle gezindten.

Tot slot

De stad Paramaribo kent een boeiende funeraire geschiedenis met ten minste 53 bekende begraafplaatsen. Daarnaast zijn er nog meerdere erfgraven bekend en bovendien zijn er de verdwenen slavenbegraafplaatsen en diverse vondsten van precolumbiaanse graven. Door niet alleen te beschrijven wat bewaard is gebleven, maar ook door wat er is verdwenen, is het mogelijk de funeraire geschiedenis van Paramaribo in kaart te brengen. Dit geeft ons meer inzicht in de ontstaansgeschiedenis van Suriname. De begraafplaatsen en kerkhoven zijn erfgoed dat Nederland deelt en verbind met Suriname, maar tegelijkertijd is het vooral Surinaams erfgoed.

 

Dit artikel is een inleidend artikel voor verschillende onderwerpen met betrekking tot begraven en begraafplaatsen in Paramaribo. Op basis van nieuwe informatie en inzichten wordt dit artikel bijgewerkt.

De geschiedenis van de begraafplaatsen is visueel weergegeven in een tijdlijn (PDF, versie 1 mei 2019). Opmerkingen en aanvullingen zijn bijzonder welkom via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

 

Met dank aan Irene Meulenberg.

 

Bronnen

  • Nationaal Archief, Den Haag, Oud Archief Suriname: Raad van Politie, nummer toegang 1.05.10.02, inventarisnummer 213A
  • Nationaal Archief, Den Haag, Digitaal Duplicaat: Microfiches Doop-, Trouw- en Begraafboeken (DTB) van Suriname, nummer toegang 1.05.11.16, inventarisnummer 24
  • Nationaal Archief, Den Haag, Digitaal Duplicaat: Microfiches Doop-, Trouw- en Begraafboeken (DTB) van Suriname, nummer toegang 1.05.11.16, inventarisnummer 46
  • Zeeuws Archief - Archief van de Staten van Zeeland en hunne Gecommitteerde Raden, (1574) 1578-1795 (1799) [toegang 2.1], inv.nrs 2035.1 en 2035.2

Literatuur

  • Boomert, A. Archeologische vindplaatsen in Suriname – Rapport Surinaamse Archeologische Dienst (1975)
  • Bye, John H. de. Torarica – De oude hoofdstad van Suriname (2017)
  • Dalhuisen, Leo, Maurits Hassankhan en Frans Steegh (red.), Geschiedenis van Suriname (2007)
  • Dam, René ten en Stephen Fokké. Tijdlijn begraafplaatsen in Paramaribo (versie 29-3-2019)
  • Dam, René ten, Leon Bok en Nannette de Jong. Technische missie historische begraafplaats Nieuwe Oranjetuin (2017)
  • De Bye, John H.. Torarica – De oude hoofdstad van Suriname (2017)
  • De Jong, Caroline. Inheemsen aan de Corantijn 1900 voor Chr. – 1900 na Chr. – De historische inheemse bewoning van de Corantijnrivier in West-Suriname (2007) via https://www.nsi-ins.ca/wp-content/uploads/2013/03/Corantijn-archival-study-Inheemsen-aan-de-Corantijn-1900-voor-Chr.-1900-na-Chr.pdf
  • Dikland, Philip. De Oude Oranjetuin (2004) via https://www.suriname-heritage-guide.com/ (geraadpleegd 8 januari 2018)
  • Dikland, Philip. Kerkplein en hervormde kerk (2004) via https://www.suriname-heritage-guide.com/ (geraadpleegd 8 januari 2018)
  • Dikland, Philip. Historische grafplaatsen in de districten en Verspreide graven in Paramaribo. (2006)
  • Dikland, Philip. Kwattaweg – de Oude Askenazische begraafplaats (2007) via https://www.suriname-heritage-guide.com/ (geraadpleegd 15 januari 2018)
  • Dikland, Philip. Nassylaan – de Nieuwe Oranjetuin (2009) via https://www.suriname-heritage-guide.com/ (geraadpleegd 9 januari 2018)
  • Ehrenburg, Hillebrand en Marcel Meyer. Bouwen aan de Wilde Kust – Geschiedenis van de civiele infrastructuur van Suriname tot 1945 (2015)
  • Fokké, Stephen. ‘Het mysterie rond de verdwenen begraafplaatsen van Fort Zeelandia; voorlopige onderzoeksresultaten’ in: OSO Tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied (2016)
  • Fontaine, Jos. Zeelandia, de geschiedenis van een fort (1972)
  • Meulenberg, Irene. Pre-Columbiaanse en historische vindplaats te Motkreek – Verslag veldverkenning 25 januari 2017 (ongepubliceerd)
  • Mulder, Dr. Jannes H.; ‘Hervormd begraven voor een stuiver kan niet meer’ in: de Ware Tijd 13-12-2004
  • Ort, J.W.C. Surinaams verhaal – Vestiging van de Hervormde Kerk in Suriname [1667-1800] (2000)
  • Oudschans Dentz, F. ‘De Hervormde kerk in Suriname in haar begintijd’ in: West-Indische Gids vol. 30 (1949): pp. 353–361.
  • Paesie, Ruud. ‘Nieuwe inzichten over het leven van Abraham Crijnsens’ in: Den Spiegel jr. 29-3 (2011): pag. 16-18
  • Schiltkamp, J.A. en J.Th. de Smidt, West-Indisch plakaatboek dl. I en II (1973)
  • Stedman, Reize in de binnenlanden van Suriname (1799)
  • Grafwerk en suikerweg – Namen op oude grafstenen in Suriname en Brits Guyana medegedeeld door Fred. Oudschans Dentz (2006)

Internet

 Noten

[i] Met de precolumbiaanse periode wordt het tijdperk van de Amerikaanse geschiedenis aangegeven voor de komst van Columbus naar het continent Amerika in 1492.

[ii] Versteeg, pag. 53 e.v.

[iii] Versteeg, pag. 78 e.v.

[iv] Versteeg, pag. 97 e.v.

[v] Versteeg, pag. 139 e.v.

[vi] De belangrijkste straten van Paramaribo zoals de Henck Arronstraat, de Heerenstraat en de Keizerstraat zijn gebouwd op oost-west lopende schelpritsen. Ritsen zijn oude strandwallen van zand en schelpen die zich parallel aan de kust in de jonge kustvlakte bevinden en die hoger liggen dan de omliggende kleigronden. Het mengsel van zand en schelpen kan zich verharden tot wat vroeger schulpsteen werd genoemd en dat gebruikt werd als bouwmateriaal. [Ehrenburg/Meyer]

[vii] Algemeen Handelsblad ‘Oud Indiaans graf in Parbo gevonden’, 6-12-1960

[viii] Boomert.

[ix] Boomert.

[x] Mededeling Irene Meulenberg, d.d. 13-4-2018.

[xi] Dagblad De West ‘Belangrijke archeologische vondst aan de Motkreek’ 4-2-2017 https://dagbladdewest.com/2017/02/04/belangrijke-archeologische-vondst-aan-de-motkreek/

[xii] Informatie Irene Meulenberg

[xiii] De Jong, pag. 42-43

[xiv] Fontaine, pag. 7-8

[xv] De Bye, pag. 24

[xvi] Dalhuisen e.a., pag. 29-31

[xvii] Dam, René ten, Stephen Fokké, Tijdlijn begraafplaatsen in Paramaribo (ongepubliceerd, 2018)

[xviii] Nationaal Archief, Den Haag, Oud Archief Suriname: Raad van Politie, nummer toegang 1.05.10.02, inventarisnummer 210. Reglement voor de schippers, 1669 februari 25 (scan 21-23). Tevens: West-Indisch plakaatboek dl. I en II (1973), pag. 35-37

[xix] Nationaal Archief, Den Haag, Oud Archief Suriname: Raad van Politie, nummer toegang 1.05.10.02, inventarisnummer 221 No. 1379. Tevens: West-Indisch plakaatboek dl. I en II (1973), pag. 1206

[xx] https://www.slavernijenjij.nl/de-erfenis-nu/skeletten-van-slaven/ (geraadpleegd 2-4-2018)

[xxi] De Bye, pag. 25

[xxii] Ds. Johan Basseliers, de eerste Nederlandse predikant in Suriname, in 1676 in een brief aan de classis te Middelburg; via Oudschans Dentz pag. 355

[xxiii] De brief van Dimmisen werd in 1672 van Fort Zeelandia verzonden, maar onderweg naar Nederland werd het schip met de brief door Engelse kapers buitgemaakt. De brief werd begin deze eeuw ontdekt als onderdeel van de Prize Papers in The National Archives, een Brits archief dat ongeveer 38.000 Nederlandse brieven en documenten bevat die werden vervoerd op Nederlandse schepen in de zeventiende en achttiende eeuw. De bewuste brief is gevonden door Nettie Schwartz, die onderzoek verrichtte in het kader van haar masterscriptie aan de Universiteit van Amsterdam.

[xxiv] Zeeuws Archief - Archief van de Staten van Zeeland en hunne Gecommitteerde Raden, (1574) 1578-1795 (1799) [toegang 2.1], inv.nrs 2035.1 en 2035.2 via https://www.archieven.nl/ (geraadpleegd 7-1-2018)

[xxv] Een pond suiker kostte ongeveer een stuiver, dus 20.000 pond suiker vertegenwoordigde een waarde van 50 gulden.

[xxvi] NL-HaNA, Raad van Politie Suriname, 1.05.10.02, inv.nr. 213A

[xxvii] In dezelfde periode werd er ook begraven in of bij fort Zeelandia in Paramaribo, het bestuurlijk centrum van de Nederlandse kolonie.

[xxviii] Stedman, pag. 76

[xxix] Stedman, pag. 83

[xxx] Onderzoek Stephen Fokké.

[xxxi] Fokké, pag. 55

[xxxii] Dikland (2004), pag. 2

[xxxiii] Nieuwe Surinaamsche courant, 29-1-1905

[xxxiv] Schiltkamp, pag. 635.

[xxxv] Doordat er zerken in de huidige kerk liggen, is het misverstand ontstaan dat er in de kerk begraven is. Het zal vooral een door Nederlanders gemaakte fout zijn.

[xxxvi] In 1783 was Bernhard Texier de laatste Gouverneur-Generaal die in het binnenfort werd begraven.

[xxxvii] Volgens Philip Dikland, op basis van de ‘boeken der kerkgerechtigheid’ zou er al in november 1755 voor het eerst zijn begraven. In de DTB-boeken (NL-HaNA, Microfiches DTB Suriname, 1.05.11.16, inv.nr. 24) is er echter geen duidelijke verwijzing te vinden.

[xxxviii] Schiltkamp, pag. 635.

[xxxix] Dikland, 2009

[xl] Dikland, 2006

[xli] Plakaat van 30 november 1711, Aanwijzing van een begraafplaats voor de slaven.

[xlii] G.B. 1828, no. 29.

[xliii] G.B. 1835, no. 9

[xliv] In de 17de en de 18de eeuw is er feitelijk sprake van de 'Nederduits Hervormde' of 'Nederduits Gereformeerde' kerk. In het huidige spraakgebruik wordt gewoonlijk kortweg gesproken van 'hervormden' en de ‘Hervormde kerk’.

[xlv] NL-HaNA, Microfiches DTB Suriname, 1.05.11.16, inv.nr. 24

[xlvi] Betreft Willem Godlieb Juttingh, 24-12-1775 (NL-HaNA, Microfiches DTB Suriname, 1.05.11.16, inv.nr. 46)

[xlvii]Betreft J.G. Clemen, begraven 28-01-1785 (NL-HaNA, Microfiches DTB Suriname, 1.05.11.16, inv.nr. 46 - scan 102)


© 2019 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.