Grafmonumenten

Wageningen – De tragische dood van Esther en Betje Cohen, april 1943

 

Vele honderden mensen maakten in de aanloop naar, tijdens en na afloop van de Tweede Wereldoorlog een einde aan hun leven. Alleen al in de meimaand van 1940 zou het gaan om in ieder geval 388 gevallen van zelfdoding. In de eerste oorlogsdagen maakten met name Joden en anderen die zich bedreigd voelden een einde aan hun leven, terwijl gedurende de oorlogsjaren ook verzetsmensen in (dreigende) gevangenschap zelfmoord pleegden.

Door de opmars van de geallieerden in 1944 pleegden tal van collaborateurs rond Dolle Dinsdag, maar ook daarna zelfmoord. Terwijl deze groep tot hun daad kwam door een oordeel over het eigen handelen tijdens de oorlogsjaren, was voor veel onschuldige burgers angst de drijfveer om een einde te maken aan hun leven. De tragische dood van de zusters Esther en Betje Cohen in april 1943 is hier een voorbeeld van. Jarenlang lagen ze anoniem begraven in Wageningen, tot 2011.

De familie Cohen

Salomon Cohen trouwde in 1880 in het Gelderse Voorst met Sara de Vries. Waarschijnlijk was hij daar veehandelaar of slager, maar toen het echtpaar zich in Renkum vestigde bestierden ze een winkeltje in boter, kaas en eieren. In 1910 verhuisden ze binnen Renkum en huurden een winkel met woonhuis. In een grote schuur achter het huis rijpten de kazen en met een handkar bracht de sympathieke Salomon Cohen zijn handel aan de man. Salomons vrouw Sara leefde een teruggetrokken leven, waarschijnlijk ingegeven door het feit dat ze slecht liep vanwege een gebroken heup in het verleden. Het echtpaar kreeg drie dochters: Roosje (1881), Esther (1884) en Betje (1887) en twee zonen: Meijer (1888) en Samuel (1897). Samuel stierf jong. Hij overleed op 4 maart 1917 aan de gevolgen van een longontsteking. Hij werd begraven op de Nieuwe Israëlitische begraafplaats in Wageningen.

Grafmonument Salomon CohenRoosje en Meijer trouwden, maar Esther en Betje bleven ongehuwd en woonden bij hun ouders in. Betje hielp al op jonge leeftijd haar vader in de winkel en bezorgde de bestellingen. Esther verzorgde met haar moeder het huishouden en verdiende haar geld als naaister voor een aantal welgestelde families in Renkum. Daarnaast verdiende ze bij door koosjere maaltijden te bereiden voor Joodse kinderen uit Amsterdam die in het Vakantie Kinderhuis in Renkum logeerden. Het Vakantiehuis – of Anna Maria Lentinkhuis – was in 1926 door een Amsterdamse stichting in gebruik genomen zodat de hoogste klas van elke Amsterdamse lagere school hier een driedaags verblijf kon krijgen. Voor de Joodse scholen was er een apart bijgebouw met een complete ingerichte keuken waar Esther Cohen kookte. Ook verzorgde ze regelmatig de maaltijden in een Vakantie Kinderhuis in Nunspeet.

Salomon Cohen overleed op 25 december 1933, 85 jaar oud en drie jaar na zijn 50-jarig huwelijksfeest.

Alles verandert…

Toen de oorlog uitbrak en het strijdtoneel zich al snel verhevigde op vrijdag 10 mei rond de Grebbelinie, arriveerden in de namiddag Duitse troepen in Renkum. In afwachting van verder transport deden de Duitse soldaten lokaal hun inkopen, waar ze waarschijnlijk ook de winkel van de familie Cohen hebben aangedaan. In hoeverre winkels vrijwillig open waren en of er daadwerkelijk betaald werd, is nog maar de vraag. Op last van de Duitsers werd de volgende dag een deel van Renkum geëvacueerd en ook Sara Cohen en haar beide dochters verlieten het dorp en vertrokken naar Arnhem waar Meijer Cohen met zijn vrouw Suzanna en dochter Sonja woonde. De tocht werd te voet afgelegd, waarbij moeder Sara in een handkar werd voortgeduwd. Op 15 juli 1940 lieten zij zich inschrijven in de gemeente Arnhem.

Grafmonument Saartje de VriesSara Cohen zou op 12 december 1941 op 88-jarige leeftijd in het ziekenhuis van Arnhem overlijden aan de gevolgen van een longontsteking. Ze werd begraven naast haar man op de Nieuwe Israëlitische begraafplaats in Wageningen. Vanwege de oorlogsomstandigheden kreeg haar graf geen gedenksteen. De familie bleef in het huis aan de Utrechtseweg wonen totdat het pand op 23 april 1942 werd gevorderd door de Wehrmacht.

Betje Cohen verdiende de kost door als huishoudster te gaan werken en trok in bij haar werkgever, het echtpaar Frank-Hartog. Esther Cohen verhuisde met het gezin van haar broer naar een ander huis in dezelfde straat. Dat huis stond leeg omdat de bewoonster een paar maanden eerder was overleden. Niet lang daarna werd Meijer opgeroepen om zich te melden in een werkkamp voor Joden. Toen begin oktober 1942 het werkkamp werd opgeheven, werd Meijer overgebracht naar Kamp Westerbork. Suzanna en Sonja werden tegelijkertijd bij een razzia opgepakt. Esther wist te ontsnappen via de tuin en het talud van het nabijgelegen spoor. Sonja kwam al snel weer vrij dankzij ingrijpen van de vicevoorzitter van de Joodse Raad van de provincie Gelderland, waarvoor ze werkte. De volgende dag kon zij vanuit de bovenetage van het pand van de Joodse Raad zien hoe haar moeder met de andere gevangenen werd weggevoerd. Sonja vertrok uit Arnhem en dook onder in Noord-Brabant. Net als haar vader werd ook haar moeder overgebracht naar Kamp Westerbork, van waar ze op 16 februari 1943 op transport werden gesteld. Beiden werden na aankomst in Auschwitz, op 19 februari 1943 vermoord.

Samen

Wat er in die periode precies met Betje en Esther is gebeurd, is niet bekend, maar wel dat ze elkaar weer opgezocht hebben. Uiteindelijk kwamen ze in Doorwerth terecht, mogelijk via meerdere onderduikadressen. In Doorwerth verbleven de zusters in eerste instantie in de watertoren aan de Spechtlaan. Het was intussen april 1943. Toen er razzia’s plaatsvonden op 16 en 17 april vluchtten ze weg, mogelijk de bossen in, zoals veel andere onderduikers in de omgeving. Toen ze terugkwamen vertelden ze hun helpers dat ze weggingen. Betje en Esther vertrokken vervolgens naar Renkum, waar ze zolang gewoond hadden. Hier hoopten ze onderdak te vinden. Bij verschillende bekende families belden ze aan, maar niemand durfde hen een schuilplaats te geven, ook niet voor één nacht. Vanuit Renkum liepen ze naar Wageningen, naar het onderduikadres van hun zuster Roosje bij slager Evert Elings. Ze klopten aan, maar er was niemand in het huis aanwezig, behalve Roosje, die strikte orders had gekregen om voor niemand open te doen. Op dat moment moeten de zusters een wanhopige beslissing hebben genomen, getuige ook het afscheidsbriefje dat ze achterlieten en dat later die avond werd gevonden door mevrouw Elings.

Akte Esther Cohen

Tegen de avond van 20 april werden twee drenkelingen gevonden in de Rijn, vlakbij steenfabriek De Blauwe Kamer en het Opheusdense veer. Esther en Betje Cohen hadden zich met een lint om hun middel aan elkaar vastgemaakt en waren gekleed in hun regenjassen met hun koffers de Rijn ingelopen.

Hun lichamen werden naar de Algemene begraafplaats van Wageningen gebracht en daar werden hun persoonsbewijzen tussen hun kleding gevonden. Evert Elings identificeerde de zusters. De recherche in Arnhem werd op de hoogte gesteld en in het dagrapport werd geschreven ‘aan een misdrijf behoeft niet te worden gedacht’. De zusters werden begraven op de Nieuwe Israëlitische begraafplaats in Wageningen. Een half jaar later werd de begraafplaats gesloten verklaard. Esther en Betje zijn waarschijnlijk de laatsten die er begraven zijn tijdens de oorlog.

Eindelijk een grafmonument

Grafmonumenten voor Esther en Betje Cohen

Gedurende de oorlog was er geen gelegenheid om op de graven een grafmonument te plaatsen. Ook het graf van hun moeder, Sara de Vries, bleef verstoken van een herinnering in steen. Op 4 mei 2011 kregen de beide zusters en ook hun moeder Sara echter eindelijk een grafmonument. Het initiatief voor het plaatsen van de grafstenen was afkomstig van ‘De werkgroep Esther en Betje Cohen’. Niet alleen kregen Esther en Betje een grafsteen, ook werden hun namen daarop in steen vastgelegd, met een verwijzing naar het boek Ruth.

“..opdat de naam des verstorvene niet worde uitgeroeid van zijn broederen, en van de poort zijner plaats.” (Ruth 4:10 Statenvertaling)

De beide hardstenen stèles zijn symbolisch met elkaar verbonden door een lint.

En verder...

Roosje Cohen overleefde de oorlog en overleed op 68-jarige leeftijd in Den Haag. Ook Sonja Cohen, het nichtje van Esther en Betje Cohen overleefde de oorlog.

 

Bronnen

  • Gelders Archief te Arnhem, BS Overlijden Wageningen, archief 207, inventarisnummer 33215, 21 april 1943, aktenummer 106
  • Gelders Archief te Arnhem, BS Overlijden Wageningen, archief 207, inventarisnummer 33215, 21 april 1943, aktenummer 107
  • Gelders Archief te Arnhem, BS Overlijden Oswiecim (Polen), archief 207, inventarisnummer 32364, 29 december 1950, aktenummer 440a
  • Gelders Archief te Arnhem, BS Overlijden Oswiecim (Polen), archief 207, inventaris­num­mer 32364, 29 december 1950, aktenummer 442a

Literatuur

  • Meijer, Jacob, Een Lint van Wanhoop – Herinneringen aan Esther en Betje Cohen (2011)

Internet


© 2018 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.