Grafmonumenten

Zaandijk – In Memoriam Honig

 

Op de gemeentelijke begraafplaats in Zaandijk staat vooraan op het oude veld een grafmonument dat vanwege de ligging van de ingang niet snel opvalt. Het betreft het grafmonument voor de familie Dil-Honig, waarvan de korte stèle dient als in memoriam voor drie oorlogsslachtoffers, de broers Cornelis en Dirk Honig en Suzanna Honig-Aten, allen overleden in Azië. Twee van hen kregen een zeemansgraf.

Dirk Honig en Suzanna Honig-Aten

De Rooseboom (Scheepvaartmuseum)Dirk Honig (* 14 november 1909) was als derde stuurman werkzaam voor de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM)  op de SS Rooseboom. Het stoomschip Rooseboom was in 1926 in Rotterdam gebouwd (1.035 ton) voor de KPM, dat verbindingen onderhield tussen de verschillende eilanden van de Indonesische archipel. Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog had de KPM 140 schepen in gebruik, waarvan er gedurende de oorlog 98 verloren zouden gaan.

Toen in februari 1942 Brits Malakka en Singapore zich hadden overgegeven aan het Japanse leger, vluchtten duizenden burgers en militairen naar Nederlands-Indië met de bedoeling om door te reizen naar India, Ceylon of Australië. De Rooseboom behoorde tot het konvooi SJ 8 dat op weg was van de haven Tandjoeng Priok bij Jakarta naar Colombo, Sri Lanka. Vandaar zou het doorvaren naar Brits-Indië (India). Het konvooi was er één van twaalf die tussen 17 en 26 februari vertrokken uit Tandjoeng Priok, na de eerste grote Japanse luchtaanval op de haven. Dirk Honigs vrouw Suzanna Aten (* 13 juli 1916) reisde mee als passagier op het schip. Onderweg moest de Rooseboom in Emmahaven (Padang, Sumatra) evacuees ophalen, met name Britse militairen en burgers die uit Malakka en Singapore waren gevlucht. De Roosenboom was een vrachtschip en bood maar beperkt ruimte aan passagiers. Naar schatting 500 vluchtelingen scheepten echter in op het schip dat op 27 februari vertrok richting Colombo. Enkele dagen later, waarschijnlijk op 1 maart, werd de Rooseboom door de Japanse onderzeeër I 59 getorpedeerd. Het schip kapseisde meteen en slechts één reddingsboot met plaats voor ongeveer 28 personen – sommige literatuur noemt 40, maar dat lijkt onwaarschijnlijk gezien de aard van het schip – kon te water worden gelaten.

ReddingsbootDe overlevering van de ramp met de SS Rooseboom is voor een groot deel bepaald door de Schotse corporal William Gibson, de enige Europeaan die de ramp wist te overleven. Samen met de Chinese Doris Lim en twee Javanen landden zij weken na de ramp op het eiland Sipoera. Alleen van Gibson is bekend dat hij na de oorlog verslag deed van de gebeurtenissen. Volgens hem bevonden zich in de reddingsboot 80 personen (waaronder naast Lim en de beide Javanen ook Dirk Honig en Suzanna Aten) en klemden zich aanvankelijk nog eens 50 man aan de boot vast. Al snel moesten de meesten loslaten en in dagen en weken daarna zouden de meeste mensen aan boord van de reddingsboot overlijden. Volgens Gibson overleed Dirk Honig al snel en niet veel later ook Suzanna Aten.

Gibson en Lim werden enkele weken na hun landing gevangen genomen door Japanse troepen. Gibson stelde zijn ervaringen in 1952 in The Boat (Ned.: De reddingsboot) te boek, waarbij hij afweek van eerdere verklaringen. Gibson doet tot in detail verslag van de dramatische gebeurtenissen die zich op de reddingsboot hebben voltrokken. In hoeverre dat een waarheidsgetrouw beeld heeft opgeleverd, geeft te denken gezien de omstandigheden. Of er daadwerkelijk 500 evacuees werden ingescheept, zal altijd een mysterie blijven. Feit is wel dat er bij het zinken van de Rooseboom meer slachtoffers vielen dan bij rampen met elk ander Nederlands koopvaardijschip in de Tweede Wereldoorlog.

Twee zeemannen, de Indonesiërs Dai en Jatimoen, werden na negen dagen opgepikt door het Nederlandse vrachtschip Palopo, ook van de KPM. Zij waren weggedreven van de rampplek. Tot aan het einde van de oorlog werd gedacht dat zij de enige overlevenden waren van de ramp met de Rooseboom.

Suzanna Honig-Aten wordt herdacht op het monument ‘Slachtoffers uit Wormer’ in Wormer. De broer Dirk en Cornelis worden herdacht op een plaquette in het Zaanlands Lyceum te Zaandam, ter nagedachtenis aan alle leraren, leerlingen en oud-leerlingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen.

De bemanning van de Rooseboom bestond voor een klein deel uit Nederlanders, onder leiding van kapitein Boon. Hoofdmachinist De Vries, tweede stuurman Kraayenbrink, tweede machinist Buurman, derde machinist Botbijl vonden allen een zeemansgraf en worden herdacht in Gedenkboek 38. Niet bekend is wie de eerste stuurman is geweest. Ladingklerk J. Pattimahu, assistent stuurman A.O. Dedekaha en klerk E.J. Sondakh worden herdacht in Gedenkboek 39.

Cornelis Honig

Grafmonument Cornelis Honig (foto OGS)Voor de oorlog was Cornelis Honig (* 3 augustus 1907) werkzaam in een chocoladefabriek in de Zaanstreek. Ten tijde van zijn militaire keuring in maart 1926 was Cornelis werkzaam als monteur van scheepsmotoren en voor zijn dienstplicht wilde hij graag aan de slag als vliegtuigbouwer voor de ‘zeemacht’. In 1927 nam hij dienst en in april 1928 werd Honig met groot verlof gestuurd in de rang van sergeant. Tijdens de oorlog diende hij als sergeant bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Onbekend is vooralsnog hoe Cornelis bij het KNIL terecht kwam, maar hij werd gevangen genomen op 8 maart 1942, met de capitulatie van het KNIL. Op 15 augustus stond hij geregistreerd als krijgsgevangene op Java.

Op 18 april 1943 scheepte Honig in op de Cho Saku Maru (soms aangeduid als Matsukawa Maru) of de Amagu Mari, samen met een paar duizend andere krijgsgevangen die verbleven in Soerabaja. Waarschijnlijk waren ze allen afkomstig uit het kamp dat was gehuisvest in de gebouwen van de Java-China-Japan-lijn. Pas vier dagen later, op 22 april, vertrok het konvooi dat bestond uit vijf schepen. De Chi Saku Maru en de Amagi Maru voeren naar het eiland Haroekoe in de Molukken, waar de krijgsgevangenen een vliegveld moesten aanleggen. Beide schepen vervoerden samen 2.061 mannen, waarvan 1.716 Engelsen en 345 Nederlanders. Andere schepen uit het konvooi waren op weg naar Amahei (Ceram) en Liang (Ambon).

Door de slechte hygiënische omstandigheden aan boord van de beide schepen brak er dysenterie uit. Bij aankomst op 5 mei op Haroekoe leden al 160 man aan deze besmettelijke ziekte, desondanks waren er nog geen sterfgevallen. De omstandigheden in het kamp op het eiland waren mensonterend en nog meer krijgsgevangenen werden ziek. Na 5 maanden waren er al 300 man overleden aan dysenterie en de hongerdood. Cornelis Honing was één van hen. Hij overleed aan de gevolgen van dysenterie op 26 juni en werd dezelfde dag begraven op de begraafplaats voor krijgsgevangenen, even buiten het kamp. In totaal overleden 91 van de 345 Nederlanders in het kamp.

In november 1943 was het vliegveld klaar. Vanaf begin december volgde een reeks geallieerde luchtaanvallen waarbij ook onder de krijgsgevangenen slachtoffers vielen. De overige gevangenen werden in fasen overgebracht naar het naastgelegen eiland Ambon.

Na de oorlog werd Dirk Honig herbegraven op de Ambon War Cemetery, aangelegd door de Britse 'Commonwealth War Graves Commission' op de locatie van het Japanse krijgsgevangenenkamp Tantoei.

Zaandijk

Grafmonument in memoriam, gemeentelijke begraafplaats ZaandijkHet grafmonument op de begraafplaats in Zaandijk bestaat uit een hardstenen zerk op roef met rand. Op de rand is aan de voor- en achterzijde van het grafmonument een fraai smeedijzeren hekwerk aangebracht, met alleen nog aan de rechterzijde een ketting dat de beide hekdelen verbindt. De oudste naam op de zerk is die van Dirk Dil, overleden in oktober 1906. Na hem zijn nog vier personen in het graf bijzet, waaronder de ouders van de beide broers en de oudste zus, Eva Honig, overleden in 1981. Op de steen, eveneens van hardsteen, aan het hoofdeinde de namen van de oorlogsslachtoffers. Onder de namen van Dirk Honig en Suzanna Honig-Aten staat vermeldt: BEIDEN VERMIST BEGIN MAART 1942 INDISCHE OCEAAN. De overlijdensdatum van Cornelis Honig, 18 juni 1943, wijkt af van de datum op de Japanse interneringskaart. Onbekend is waarop deze datum is gebaseerd. Als plaats van overlijden staat vermeld: EIL. HAROEKOE.

 

Bronnen

  • Noord-Hollands Archief, Inschrijving in de militaire zaken registratie
    Militieregister, 1927, Haarlem, archief 23, inventarisnummer 407, folio 205
  • Nationaal Archief, Internerings­kaarten. Min. van Binnenl. Zaken: Stamboekgegevens KNIL-militairen met Japanse Interneringskaarten 1942-1996, Den Haag, archief 2.10.50.03, inventarisnummer 433. Via openarchieven
  • Gibson, Walter, De reddingsboot - Het drama van het s.s. 'Rooseboom', 's-Gravenhage 1984.
  • Cornelis Honig op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)
  • Dirk Honig op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)
  • Suzanna Honig-Aten op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)
  • Arnoldus Botbijl op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)
  • Willem de Vries op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)
  • Jacob Buurman op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)
  • Marinus Cornelis Anthonie Boon op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)
  • J. Pattimahu op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)
  • A.O. Dedekaha op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)
  • E.J. Sondakh op OGS.nl (geraadpleegd 2 mei 2020)

Literatuur

  • Jong, Lou de, Het Koninkrijk der Nederlanden in WOII, deel 11B, Den Haag 1985. Pag. 702 e.v.
  • Bezemer, K.W.L., Geschiedenis van de Nederlandse Koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog Deel 1Utrecht 1986. Pag. 710-711
  • Bezemer, K.W.L., Geschiedenis van de Nederlandse Koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog Supplement, Utrecht 1986. Pag. 36-37

Internet

 


© 2021 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.