Utrecht

Veenendaal - Gemeentelijke begraafplaats De Munnikenhof

 

Door de industriële ontwikkeling van Veenendaal liep het inwonertal begin twintigste eeuw snel op. In 1880 telde Stichts Veenendaal 4.148 inwoners, terwijl dat in 1910 al opgelopen was tot 6.140. In het Gelderse deel van Veenendaal ging de groei ook hard en de verwachting was niet dat de aantallen zouden stabiliseren. De algemene begraafplaats uit 1829 dreigde niet alleen snel vol te raken, ook de bebouwing rukte snel op. Uitbreiding ter plekke was niet meer mogelijk en bovendien niet wenselijk, zodat de gemeente op zoek moest naar een geschikte plek voor een nieuwe begraafplaats.

Aanleg begraafplaats

Kennelijk bestond bij de gemeente nog steeds vrees voor de beroerde waterhuishouding in het gebied, want halverwege de negentiende eeuw was Veenendaal nog zwaar getroffen door een grote overstroming. Net als bij de aanleg van de oude begraafplaats in 1829 werd wederom gezocht naar een hoger gelegen terrein. In 1914 vond de gemeente langs de Munnikenweg, destijds gelegen in de gemeente Renswoude, een geschikt terrein. Bij dit terrein, Het Vendel geheten en liggend op een flinke heuvel, kocht de gemeente een perceel grond. Het waren de burgemeester Van de Westeringh (1872-1949) en gemeentesecretaris De Klerck (1871-1947) zelf, die op 21 januari 1914 de verkoopakte ondertekenden voor het perceel waar de nieuwe begraafplaats moest komen. Zij handelden naar aanleiding van een raadsbesluit van 26 oktober 1911. Het terrein bestond in die tijd uit niet meer dan hakhout, heide en een schaapskooi. Ook werd de heuvel al sinds mensenheugenis gebruikt voor het afgraven van zand. De begraafplaats op de topografische kaart van Nederland in 1931. De rotonde is duidelijk herkbenbaar.De grootte bedroeg bijna anderhalve hectare en kostte 500 gulden. Het feit dat het terrein hoger gelegen was dan de omgeving (± 11 m boven NAP) was een belangrijk voordeel. De gemeente gaf aan de architect en aannemer Van Kreel (1865-1922) de opdracht een verdeelplan te maken voor de nieuwe begraafplaats. Hij ontwierp waarschijnlijk het kleine lijkenhuisje dat op de begraafplaats werd gebouwd aan het eind van de noordelijke as vanaf de grote rotonde. Het is goed mogelijk dat tuinarchitect Samuel Voorhoeve (1880-1948) naar het beplantingsplan van de begraafplaats heeft gekeken. Voorhoeve had het ontwerpen van tuinen van de bekende tuin- en landschapsarchitect Springer geleerd. In 1906 had Voorhoeve zich in Oosterbeek gevestigd als zelfstandig tuinarchitect. Hij ontwierp vooral particuliere tuinen en parken. Later ging hij meer en meer gemeenten adviseren, waarbij ook Veenendaal op zijn pad zal zijn gekomen. Voorhoeve heeft mogelijk op verzoek van Van Kreel meegewerkt aan het ontwerp van de begraafplaats dat aangelegd is in de destijds populaire gemengde landschapsstijl.

Voor het eerste ontwerp was een bijna rechthoekig terrein beschikbaar dat vanaf de Munnikenweg naar achteren enigszins taps toeliep. Centraal op het perceel kwam een grote rotonde te liggen die in het midden werd verhoogd. Direct rondom dat hogere middelpunt werd ruimte gemaakt voor grote grafkelders van vooraanstaande Veenendaalse families zoals Van Schuppen (garenfabrikant van het merk Scheepjeswol). Naast de binnenrand werd ook de buitenrand van de rotonde benut voor grote grafkelders. Vanaf de rotonde werd een symmetrisch assensysteem ontworpen, waarvan de as richting de Munnikenweg de kortste was. Deze liep uit op de entree tot de begraafplaats. Vanuit het plan bekeken, paste deze ingang perfect. Buiten de begraafplaats was van weerszijden een soort oprit gecreëerd met twee druppelvormige plantsoenen langs de Munnikenweg. Langs de hoofdassen werden berken geplant. Tussen de paden die zich vanaf de rotonde naar buiten strekten, ontwierp Van Kreel grotere grafvelden die door een fijner, rechtlijnig padenstelsel verdeeld werden, behalve aan de zuidzijde. Daar was in het ontwerp ter linker- en rechterzijde een soort radiaal in het ontwerp opgenomen waarlangs een aantal grafrijen werd ontworpen. De grafrijen daar direct naast volgden weer de strakke symmetrie van de rest van het ontwerp. Hierdoor werden punten gecreëerd voor beplanting in de vormen van kleine bosschages. De rand van de begraafplaats werd beplant, midden in de rotonde werd een treurbeuk geplant en langs de lanen werden coniferen geplant, ter ondersteuning van de structuur. De situatie rond 1970 op het oude gedeelte met onverharde paden en gras tussen de graven. Tegenwoordig is dat precies andersom (Gemeentearchief Veenendaal).De grafvelden waren verhoudingsgewijs leeg en de paden onverhard. Het noordwestelijke grafveld werd bestemd voor algemene graven die veel dichter opeen lagen dan op de andere velden. De openheid van de grafvelden zou later bij uitgifte van de graven nog opvallender worden omdat telkens twee graven werden uitgegeven, waarop één grafmonument werd geplaatst.

Het eerste graf werd uitgegeven op 26 oktober 1917. De eigen graven werden in principe alleen dubbel uitgegeven voor zes lijken. In algemene graven werd in eerste instantie nog vijf diep begraven, maar het kwam volgens de begraafregisters voor dat in de tijdspanne van een maand soms wel zeven lijken werden begraven. Na 1921 kwam dit nauwelijks meer voor en werden telkens drie overledenen in een algemeen graf begraven.

Eerste uitbreiding

De tekening van Voorhoeve uit de special collections van de Universiteit van Wageningen.Op 9 november 1928 kochten burgemeester Van Kuijk (1889-1971) en gemeentesecretaris Blankespoor (1898-1977) een belendend perceel. De twee handelden in naam van B&W ter uitvoering van een raadsbesluit van 15 mei 1928. Het perceel dat ze kochten, was gelegen ten oosten van de bestaande begraafplaats en was ongeveer 40 meter breed en 137 meter diep. Voor het stuk grond ter grootte van iets meer dan een halve hectare betaalde de gemeente 4.384 gulden. Met deze uitbreiding bereikte de begraafplaats een grootte van bijna twee hectare. Voor het ontwerp maakte de toenmalige gemeentearchitect een ontwerp dat aansloot op het eerste ontwerp. Voorhoeve zal zeker weer enige bemoeienis gehad kunnen hebben met dit ontwerp, omdat een ontwerptekening uit die tijd zich bevindt in de collectie Voorhoeve in de Speciale Collecties van de Bibliotheek Wageningen. In het ontwerp was wederom een rotonde opgenomen en in de noordoostelijke hoek was een aanzet getekend voor nog een rotonde. Kennelijk werd dit ontwerp ingegeven door een verdere uitbreiding die men voor ogen had, maar die op de voorgestelde wijze nimmer gerealiseerd is. Opvallend op deze tekening is dat duidelijk de eerste ingang zichtbaar is, maar dat tegelijkertijd al een aanzet is ingetekend voor de oprijlaan naar de grotere uitbreiding die in de jaren veertig zou volgen.

Tweede uitbreiding

De eerste aankoop voor die grote uitbreiding volgde in december 1941. Ditmaal kocht de gemeente een stuk grond van 125 meter breed en ruim 180 meter diep, ruim twee hectare, aansluitend aan de noordzijde van de begraafplaats. De koopsom bedroeg 11.000 gulden. In de akte werd opgenomen dat voor de ophoging van dit deel grond mocht worden afgegraven van omliggende percelen. In juni 1942 werd nog eens ruim één hectare aangekocht tegen de prijs van 5.370 gulden. Met dit laatste perceel kreeg de begraafplaats een wat meer rechthoekige vorm. Alleen de achterzijde vormde nog een schuine hoek. Langs de oostkant van de begraafplaats werd een betonnen keerwand aangebracht, waarschijnlijk om te voorkomen dat de opgehoogde grond weg zou spoelen. Op de betonnen rand werd een eenvoudig hek geplaatst met ijzeren palen.

Na de Tweede Wereldoorlog zag de plattegrond er lange tijd uit zoals op de Topografische kaart van 1958 is weergegeven.De Nederlandse Heidemij maakte het nieuwe deel van de begraafplaats in de jaren 1941-1945 gebruiksklaar. Er werd wederom veel aandacht besteed aan de groenaanleg. Centraal in de uitbreiding werd een grote rotonde ontworpen die direct aansloot op het oude deel. De grafvelden werden hier op aangesloten en de paden volgden de ronde lijn van de rotonde waardoor het ontwerp enerzijds een grotere schaal kreeg, anderzijds goed aansloot op het oude deel. De oprijlaan met nieuwe ingang werd toen aangelegd en op de plaats van de oude ingang werd een kleine rotonde gemaakt terwijl de restruimte benut werd voor graven. De nieuwe ingang lag nu meer naar het oosten, in de uiterste zuidpunt van de begraafplaats. De gemeente Ede betaalde mee aan een deel van de kosten voor de begraafplaats, omdat het ook in de verwachting lag dat er veel overledenen uit het Gelderse Veenendaal begraven zouden worden. Dat deel lag toen nog op het grondgebied van de gemeente Ede, dus deze verwachting was niet zomaar uit de lucht gegrepen.

Beeld van de uitbreiding die na de Tweede Wereldoorlog in gebruik werd genomen.Gezien de aard van de grafmonumenten en de data op de grafmonumenten zal de uitbreiding net na de oorlog in gebruik zijn genomen. De uitbreiding was een voortzetting van het eerste ontwerp, maar de aanlegde paden liepen meer rond en de grafvelden waren groter. Er werden geen dubbele graven meer uitgegeven, maar enkele graven waarin ruimte was voor drie lijken. In totaal was de begraafplaats nu ruim vijf hectare groot.

Aula en ander gebouwen

Tekening van het vooraanzicht van de aula (Gemeentearchief Veenendaal).Afgezien van een lijkenhuisje was er op de begraafplaats geen gebouw waar afscheid genomen kon worden of geschuild kon worden bij slecht weer. Dit gemis werd tijdens een raadsvergadering in 1949 ingebracht, waarna besloten werd dat de begraafplaats een aula zou krijgen. Dat ging niet meteen, want pas in 1953 en 1954 verschenen de eerste tekeningen voor de te bouwen aula. Gemeentewerken tekende daarvoor zelf het ontwerp. Het plan betrof een achtzijdig bakstenen gebouw met tentdak met aan de voorzijde een portiek en aan de achterzijde een wachtruimte. De wachtruimte kon desnoods ook als lijkenhuis worden gebruikt. Het gebouw met een diameter van elf meter zou geplaatst worden in het midden van de nieuwe rotonde op de laatste uitbreiding. Geheel naar de smaak van de tijd kreeg de aula een vloer van granito. Het dak was gedekt met bitumen, afgestrooid met blauwzwarte leislag. De rotonde zelf werd enigszins vergroot zodat hier parkeergelegenheid ontstond voor lijkwagens en volgauto’s. Wederom droeg de gemeente Ede bij aan de kosten[1]. Zonder veel ruchtbaarheid werd de aula op 12 maart 1956 in gebruik genomen. Luchtfoto van eind jaren zestig met in het midden nog de aula (Gemeentearchief Veenendaal)Nadien werd nog een orgel geplaatst. Niet lang daarna, in 1963, werd het oude lijkenhuisje afgebroken en werd op de rand van het eerste deel van de begraafplaats, tegen de buitenzijde, een lokaal gebouwd voor het personeel. Bij dit langwerpige gebouw werd in 1972 nog een berging gebouwd, haaks op het bestaande. Het gebouwtje was zeer eenvoudig van opzet met een rechthoekige plattegrond onder plat dak. Beide gebouwen, hoewel de berging later enigszins is uitgebreid, staan tot op heden op de begraafplaats.

Bij de toenmalige ingang werd in 1973 een fietsenstalling aangelegd met een klein wachthokje ten behoeve van de dragers. In het toenemende autogebruik was al voorzien door naast de begraafplaats een parkeerplaats aan te leggen.

Derde uitbreiding

Tussen 1976 en 1978 werd de begraafplaats nogmaals uitgebreid. Dit keer werd aan de noord- en oostzijde een stuk grond bij de begraafplaats getrokken dat meer dan twee maal de omvang had van de begraafplaats tot dan toe. De toenmalige directeur Gemeentewerken, G.C. van Stuijvenberg (1911-1991), ontwierp het plan voor deze grote uitbreiding. Het beplantingsplan werd gemaakt in samenspraak met Tuin- en Plantsoenaanleg Van Ginkel uit Veenendaal. Het ontwerp is geïnspireerd op de plannen van W.C.J. Boer voor de Nieuwe Algemene Begraafplaats in Doorn in 1958 en het plan van B.J. Galjaard voor de begraafplaats Daelwijck in Utrecht uit 1965. De rechtlijnige aanleg werd hier doorsneden door lange eikenlanen en door groenstroken met wintergroene bomen. De grafvelden werden vormgegeven als rechthoekige kamers omgeven door taxushagen. De kamers werden eenvoudig ingericht en mochten alleen zerken gelegd worden (hoewel later in Doorn aan de randen ook stèles geplaatst mochten worden). Paden van twee meter breed ontsloten de velden en tussen de grafregels werd voldoende ruimte gelaten om een efficiënte bedrijfsvoering mogelijk te maken. In de loop der jaren heeft men het oorspronkelijk idee omtrent de zerken losgelaten, mede omdat de grafcultuur veranderde.

Ter plaatse van de oude parkeerplaats werd een groot voorplein ontworpen met daarachter een rouwcentrum. Voor het rouwcentrum werd in 1985 een bouwvergunning afgegeven. Het gebouw werd ontworpen door architectenbureau Huibers en Jarring en kwam begin 1987 gereed. Daarmee kreeg de begraafplaats ook een nieuwe hoofdingang, want men achtte de oude ingang te ver weg van de nieuwe velden. Bovendien kwam op deze wijze het rouwcentrum centraal te liggen. Bij de oude toegang werden de bakstenen pijlers afgebroken en in de plaats kwam een eenvoudig hekwerk. Tevens werd het gehele hekwerk langs de Munnikenweg vervangen voor een hoger hekwerk van gaas, bovenop voorzien van prikkeldraad.

Niet lang daarna werd de oude aula op de begraafplaats afgebroken. De sloop kostte de gemeente 4.000 gulden. De Historische Vereniging Oud Veenendaal wees de gemeente in 1987 nog op de mogelijkheden voor behoud en stelde voor het gebouw een andere bestemming te geven. Er zouden bijvoorbeeld historisch waardevolle voorwerpen in onder gebracht kunnen worden. De gemeente maakte ondertussen echter plannen om de locatie van de oude aula opnieuw in te richten met een passend beplantingsplan. De sloop ging uiteindelijk gewoon door, waarmee de begraafplaats een waardevol element verloor.

De urnenmuren op de begraafplaats rond de locatie waar voorheen de aula stond.In 1989 werden op de plek van de oude aula de eerste urnenmuren gebouwd die nu het columbarium vormen. De urnenmuren zijn opgetrokken uit baksteen en beton, met vier rijen nissen. Elders op de begraafplaats worden ook urnengraven uitgegeven.

Laatste uitbreiding

Begin eenentwintigste eeuw liet de gemeente Veenendaal een onderzoek doen naar mogelijkheden voor een volgende uitbreiding. Op de bestaande delen bleek onvoldoende ruimte beschikbaar voor de uitgifte van nieuwe graven en ruimen van oude graven wilde men niet aan beginnen. Aan de oostzijde van de begraafplaats lag een complex volkstuinen dat zeer geschikt was. Eerder, in 2009, was een gedeelte van de begraafplaats al bestemd voor islamitische graven. Begin 2013 gaf de gemeenteraad toestemming voor de uitbreiding. Op dat moment waren de volkstuinen al verdwenen. Voorlopig lijkt het erop dat dit de laatste uitbreiding ter plekke is. Niet alleen is er stedenbouwkundig geen ruimte meer voor een uitbreiding, maar ook groeide Veenendaal minder hard dan verwacht. De inrichting van de uitbreiding kreeg vorm in 2014. De urnentuin op de laatste uitbreiding.Aansluitend op het naastgelegen deel zijn wederom een aantal grote grafvakken ingericht waar op termijn in rijen begraven kan worden. In het noordelijke deel is een urnentuin gerealiseerd. Vanaf 2018 is men gestart met begraven op het nieuwe gedeelte. Het zal nog wel een aantal jaren duren voordat de uitbreiding qua uitstraling aansluiting heeft gekregen bij het bestaande gedeelte. Omdat het gebruik van het gedeelte rondom de urnentuin voorlopig nog niet aan de orde is, wordt dit gedeelte extensief beheerd. Dat wil zeggen dat hier geen gladgeschoren grasmat gevonden kan worden, maar een kruidenrijke omgeving.

Huidige situatie

Anno 2020, ruim honderd jaar nadat de begraafplaats in gebruik werd genomen, ligt deze er fraai bij en is de lokale geschiedenis tastbaar. Die geschiedenis behelst ook de vele uitbreidingen waarbij de veranderende opvattingen ten opzichte van het begraven zichtbaar worden. Veel is echter alweer verdwenen, zoals enkele gebouwen, de eerste twee ingangen en wellicht ook heel veel grafmonumenten.

De huidige ingang, achter de aula in stemmig rood.De huidige ingang van de begraafplaats wordt gevormd door een functioneel hekwerk dat in stemmig rood geverfd is. Achter deze ingang ligt de uitbreiding uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. Een logische weg naar het oude gedeelte is er helaas niet meer. Er is bij de uitbreidingen van de jaren zeventig op geen enkele wijze voortgeborduurd op de oudere aanleg. Dat levert het voordeel op dat die aanleg nu een geheel eigen uitstraling heeft en redelijk op zichzelf staat. De overgang tussen het oude en nieuwe gedeelte wordt gevormd door een buffer van bomen en struiken. De buffer bevat onder andere eiken, esdoorns en beuken met daaronder groenblijvers als taxus en laurier en verschillende bladverliezende struiken. Tussen deze buffer zijn resten te zien van de betonrand waarop ooit een eenvoudig ijzeren hekwerk heeft gestaan. Deze rand vormt de afbakening van het oudere gedeelte van de begraafplaats en dateert uit de jaren veertig van de twintigste eeuw.

De huidige plattegrond van de begraafplaats. Goed is te zien hoe de uitbreidingen afwijken van het originele plan.Op het oude gedeelte is de oorspronkelijke aanleg nog goed te herkennen. De kleine rotonde bij de oude ingang lijkt nu wat vreemd gesitueerd, maar was destijds uiterst praktisch bedacht. Deze opzet maakte het draaien voor de lijkkoetsen en later de lijkauto’s gemakkelijker. De rotonde heeft allang die functie niet meer en is nu met name de locatie voor grote familiegraven. Omdat ook de tweede ingang niet meer gebruikt wordt en omdat het padenstelsel niet direct aansluit op de latere uitbreidingen, lijkt een wat verloren hoek ontstaan. Toch is dit deel goed onderhouden en wordt er nog steeds begraven. De hoofdpaden op de begraafplaats zijn geasfalteerd terwijl men tussen de graven veelal over gras loopt.

Grafmonumenten

De oudste grafmonumenten op de begraafplaats dateren uit 1918, maar er zijn enkele uitzonderingen. Vanaf het moment dat de nieuwe begraafplaats aan de Munnikenweg geopend werd, zijn veel stoffelijke overschotten met de grafmonumenten van de oude begraafplaats overgebracht naar de nieuwe begraafplaats. Een prominent grafmonument dat daarbij opvalt, staat op het graf van Mary Jane Jackson die overleed in 1931. Het is een eenvoudig hardstenen basement met sokkel waarop marmeren tekstplaten zijn aangebracht. De sokkel is afgedekt met een zich trapsgewijs verjongende piramide. Waarschijnlijk is al eerste haar man Thomas Spencer Elce onder het monument begraven in 1899. Elce was directeur van de Veenendaalse Stoomspinnerij en -Weverij.

De oude rotonde met de eerste klas graven. Centraal staat een treurbeuk.Er zijn meer fraaie grafmonumenten, vooral op het gedeelte van de 1e klasse graven. Hier liggen monumentale keldergraven waarbij uitbundig gebruik is gemaakt van diverse soorten natuursteen met toevoeging van metalen buizen, kettingen, hekken en in sommige gevallen ook opvallende belettering. Hier liggen bekende Veenendaalse families begraven zoals Van Schuppen die door hun fabrieken hebben bijgedragen aan de groei van het dorp. Overigens komen hekwerken elders op de begraafplaats nauwelijks meer voor. Soms is aan een grafmonument nog wel te zien dat er een hekwerk op heeft gestaan, maar dit is om de een of andere reden weggehaald. Van de overige familiegraven passen veel grafmonumenten nog bij de negentiende-eeuwse grafcultuur. Hardstenen stèles of zerken zijn er nog volop te vinden. De latere aanpassingen met hardstenen randen met paaltjes en kettingen zijn eveneens in overvloed aanwezig. In veel gevallen zijn sobere en eenvoudige randen later aangepast met een stèle erbij of met een invulling van het grafvak, bijvoorbeeld met flagstones of grind.

Typerend voor Veenendaal zijn de sobere grafmonumenten waarbij alleen maar een rand is neergelegd met op de voor- of achterkant een aanduiding “familiegraf” met naam. Van dit soort grafmonumenten zijn verschillende uitvoeringen terug te vinden. De grafmonumenten op het deel dat na de Tweede Wereldoorlog werd uitgebreid, tonen een grote variatie. Deels kan men hier nog voorbeelden van de oude grafcultuur aantreffen met een stèle op het hoofdeind en een rand, al dan niet met invulling. Vaker ook zijn de meer eenvoudigere grafmonumenten van graniet aan te treffen, zoals ze vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw meer en meer voorkwamen.

Tweede wereldoorlog

Een aparte groep grafmonumenten betreft de monumenten die herinneren aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Naast 15 graven voor door de Oorlogsgravenstichting erkende oorlogsslachtoffers zijn hier nog eens ruim 50 personen begraven die als gevolg van oorlogshandelingen omgekomen zijn. Van de grafmonumenten van erkende slachtoffers zijn er vijf voor mannen uit Veenendaal die in de meidagen van 1940 omkwamen bij gevechten tussen het Nederlandse leger en de invallende Duitse troepen. Anne Bosma (geb. 1920) viel op 11 mei bij Moergestel, Jan Koolhaas (geb. 1912) viel in de ochtend van 14 mei in Veenendaal bij de dekking van de terugtocht van Nederlandse troepen, Teunis Schot (geb. 1914) viel ook op 14 mei maar dan bij Goes, Christiaan Johannes Brouwer (geb. 1918) viel bij Prattenburg, ten zuiden van Veenendaal op 13 mei en Aart van de Bovenkamp (geb. 1911) kwam op de eerste oorlogsdag om bij Wessem (Midden-Limburg). Andere slachtoffers kwamen later in de oorlog om als dwangarbeider in Duitsland of werden gefusilleerd vanwege hun verzetsacties.

Bij het graf van de geallieerde vlieger, H.F. Wakeman, wordt jaarlijks gevlagd ter ere van de omgekomen Canadees.Op de begraafplaats is één geallieerd graf te vinden, dat van de op 5 oktober 1944 omgekomen Canadees H.F. Wakeman. Hij kwam om bij een crash met zijn vliegtuig na het bombarderen van het station van Veenendaal.

Veel van de andere slachtoffers kwamen om bij beschietingen, bombardementen of bij het knoeien of spelen met munitie. Ook na de bevrijding viel nog een aantal slachtoffers waarbij vijf jonge jongens waren betrokken. Op 18 mei zagen Wessel van Dijk en Evert van Santen, beide 18 jaar, drie jongens een bunker binnengaan langs de spoorlijn Utrecht-Arnhem. Buren wisten dat in de bunker nog munitie lag en hadden de politie al gewaarschuwd, maar er was nog niets ondernomen. Wessel en Evert wilden de jongens waarschuwen, maar toen ze de bunker waren genaderd, volgde een zware explosie die alle vijf jongens onmiddellijk doodde. De drie andere jongens waren Willem Gaasbeek (15), Jacob Koen (16) en Wouter van de Pol (15). Ze werden allen begraven op de begraafplaats, maar het graf van Wouter is vandaag de dag niet meer aanwezig.

Graf voor Evert van Santen, omgekomen op 18 mei 1945. Het graf is een typisch voorbeeld van de grafcultuur op de begraafplaats.De graven van de vele slachtoffers zijn niet gemakkelijk te herkennen omdat de meesten begraven zijn in een familiegraf met een eigen grafteken. Sommige hebben zelfs helemaal geen grafmonument. De werkgroep Graven Oorlogsslachtoffers Munnikenhof plaatst jaarlijks tekstborden bij de graven zodat een wandeling langs de graven gemaakt kan worden. Op de tekstborden staat een foto van het slachtoffer, diens persoonsgegevens en het verhaal hoe diegene om het leven is gekomen. Ook graven van ooit hier begraven slachtoffers zijn gemarkeerd, zoals het graf waar Jan Koene (1922-1944) begraven lag. Hij werd samen met zijn broer en een aantal onderduikers door de Duitsers doodgeschoten op 5 december 1944 na verraad. Het lichaam van Jan is overgebracht naar het ereveld in Loenen.

 

Literatuur

  • Beek, Teus van; Ontmoetingen op de begraafplaats, in: Oud Veenendaal, tijdschrift van de Historische Vereniging Oud Veenendaal, 19de jaargang, nr. 2. Juni 2004.
  • Bok, Leon; Cultuurhistorische Effect Rapportage, Amsterdam 2007.
  • Grootheest, A.C. van en R. Bisschop (redactie); Geschiedenis van Veenendaal, uitgave van de Historische Vereniging Oud Veenendaal, 2000 Veenendaal.
  • Hof, Jan van ‘t e.a.; Monumenten-inventarisatie provincie Utrecht. Veenendaal Geschiedenis en architectuur, 1992 Zeist.
  • Oldenburger-Ebbers, Carla S.; Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur. Deel Oost en Midden. Gelderland – Utrecht, 1996 Rotterdam.
  • Stenvert, Ronald, e.a.; Monumenten in Nederland. Utrecht, 1996 Zwolle.
  • Bureau Inventarisatie & Advies Monumenten; Inventarisatie historische bebouwing gemeente Veenendaal, 1989
  • Informatiefolder Algemene begraafplaats en rouwcentrum “de Munnikenhof” te Veenendaal, uitgave gemeente Veenendaal, ongedateerd.

 

Bronnen

  • Gemeentearchief Veenendaal.
  • Gemeentearchief Ede

 

Internet

 

[1] Het Gelderse deel van Veenendaal zou pas in 1960 bij de gemeente Veenendaal worden gevoegd en werd dus Utrechts.


© 2021 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.