Utrecht

Zeist - De Godsakker van de Broedergemeente

 

De voorgeschiedenis

Diebold Schilling's Spiezer Chronik (1485): Feuertod des Jan Hus in KonstanzVoor de geschiedenis van de Hernhutters dienen we enkele eeuwen terug te gaan in de geschiedenis.Die geschiedenis speelde zich af in Bohemen en Moravië, respectievelijk het westelijk en het oostelijk deel van Tjsechië en begon met de marteldood van de prediker Johannes Hus, die tevens professor was aan de Universiteit van Praag. Het resultaat van de verbranding als ketter van Johannes Hus op 6 juli 1415 was niet de vernietiging van diens gedachtegoed. Evenmin brak zijn dood het verzet van de mensen in Bohemen en Moravië tegen de rooms-katholieke kerk. De nieuwe leer door Hus met zijn geweldig redenaarstalent met verve gebracht, had ook een voedingsbodem gelegd voor sterk nationalistische gevoelens. Een en ander resulteerde in de zogenaamde Hussietenoorlogen in de eerste helft van de 15e eeuw. Uitkomst daarvan was uiteindelijk een hussietische kerk naast de rooms-katholieke kerk. In leer en leven wilde deze kerk een terugkeer naar de Bijbel, waarvan zij meende, dat deze in de verwereldlijkte kerk van die dagen geen rol van betekenis meer speelde. Vooral Jezus’ Bergrede uit Mattheüs 5, 6 en 7 werd leidraad voor leer en leven.

Door interne verdeeldheid en gedecimeerd na vaak bloedige strijd stichtte één van de groeperingen in 1467 de Unitas Fratrum (de Broederunie). Dat was het begin van de beweging van Boheemse en Moravische broeders. Bevraagd door hun tegenstanders gaven zij aan te hebben besloten zich slechts te laten leiden door het Evangelie en door het voorbeeld van Christus en de apostelen in zachtmoedigheid, armoede, geduld en vijandsliefde. Vervolgingen en strijd bleven hun deel en tegen het herwinnen van invloed, vaak met geweld, door de rooms-katholieke kerk bleken ze niet bestand. Die invloed was het gevolg van de nederlaag, die Bohemen in 1620 leed, waardoor de rooms-katholieke Habsburgers het in dit gebied voor het zeggen kregen. Voor wie niet toetrad tot de rooms-katholieke kerk restte ballingschap. Met name in Polen kwam een groot aantal gemeenten tot bloei. Eén van hun bisschoppen werd Jan Amos Komensky, beter bekend als Comenius. 

Comenius (1592-1670)

Comenius dankte en dankt zijn bekendheid vooral aan zijn pedagogisch werk. Binnen de kerkelijke gemeenschap, waartoe hij behoorde, is hij van betekenis geweest door het samenstellen van een gezangboek en het schrijven van werken, die voor de opbouw van de kerkelijke gemeenschap van belang waren. De oorlog tussen Zweden en Polen in 1656 leidde tot de verwoesting van de stad Lissa, waar hij vanaf 1627 werkzaam was en sedert 1648 als bisschop zetelde. Comenius kwam uiteindelijk in Amsterdam terecht, waar hij als vluchteling werd opgevangen door de rijke koopmansfamilie De Geer. Zijn vrouw en kinderen had hij reeds eerder verloren door de pest. Voelde hij zich misschien tot de Waalse kerk aangetrokken, omdat deze kerk onderdak bood aan protestantse vluchtelingen, zoals hij er ook één was? In elk geval sloot hij zich erbij aan. Na zijn dood werd hij op 22 november 1670 begraven in het toenmalig kerkgebouw van de Waalse gemeente te Naarden. Het is niet helemaal duidelijk waarom daar. Amsterdam had meer voor de hand gelegen. In 1819 werd de Waalse gemeente opgeheven. Nadat ook de Lutherse gemeente, die er vanaf 1791 mede gebruik van maakte, in 1820 was opgehouden met het houden van diensten, werd het gebouw als kerk afgestoten. Het werd daarna nog gebruikt als tijdelijk onderkomen van een textielfabriekje en als garnizoensmagazijn. In de loop van de tijd trad een dusdanig verval op, dat ook de graven in de kerk niet meer herkenbaar waren. In 1929 zouden Tsjechoslowaakse en Nederlandse onderzoekers tussen allerlei stoffelijke resten ook die van Comenius hebben gevonden. Na vele restauraties in de loop der jaren en door bijdragen van een aantal Tsjechoslowaakse kunstenaars is de kerk omgevormd tot een mausoleum voor Comenius, die hier zijn laatste rustplaats vond. 

De Evangelische Broedergemeente

De “Broeders” waren niet alleen naar Polen uitgeweken, maar ook naar Hongarije, Sachsen en Silezië, waar ze gemeenten vormden. In de eerste helft van de achttiende eeuw hebben een aantal Duitssprekende Moravische Broeders zich mogen vestigen op het landgoed Berthelsdorf van Nikolaus Ludwig graaf Von Zinzendorf in Sachsen. Geraakt door de opwekkingsbewegingen in zijn tijd wilde Von Zinzendorf handen en voeten geven aan zijn innig beleefd geloof en wist hij de Moravische Broeders samen te brengen in een “hernieuwde broederuniteit” met een aantal sympathiserende Lutheranen en Gereformeerden. De ontstane kolonie op het landgoed kreeg de naam Herrnhut, omdat men zich onder de hoede van de Heer wist. De Broederschap, ook wel Her(r)nhutters genoemd, nam van de Boheemse Broederkerk de kerkorde en de bisschopswijding over.

In 1736 werd Von Zinzendorf bisschop en kon hij zijn ideaal verwezenlijken: een gemeenschap van gelovigen uit alle kerken, niet tegenover die kerken, maar erboven uit. Dit werd niet door iedereen zo gezien en het heeft Von Zinzendorf ook een aantal jaren verbanning uit Sachsen gekost. In die tijd heeft hij veel gereisd om zijn ideeën te kunnen uitdragen. Ook Nederland werd aangedaan en er vormden zich kringen in Amsterdam en Haarlem. Contacten, die Von Zinzendorf onderhield met Prinses Maria Louise, echtgenote van Johan Willem Friso, hebben hem de mogelijkheid verschaft een aantal volgelingen onderkomen te bieden in haar baronie IJsselstein. Men bouwde er het huis ’s-Heerendijk, dat kan gelden als eerste centrum van de Broedergemeente. Hier werden onder andere mensen voor de zending opgeleid, één van hun arbeidsterreinen. Voortdurende problemen met het stadsbestuur, waarbij invloed van de plaatselijke predikanten en de kerkelijke vergaderingen zeker een rol hebben gespeeld en mogelijk ook de bekoelde verhouding met Prinses Maria Louise, deed besluiten uit te zien naar een andere locatie. Een niet onbelangrijke reden was dat er geen toestemming werd verkregen voor het aanleggen van een Godsakker, een wezenlijk onderdeel van het bestaan van de Broedergemeente als gemeenschap. 

De Godsakker

De viering van de Opstanding van Christus op de GodsakkerDe Godsakker vormde, zoals Von Zinzendorf leerde, een wezenlijke eenheid met de liturgische ruimten van de Broedergemeente, zoals met de Zaal (de kerkzaal). Zoals de mens zich in al zijn handelen had te oriënteren aan Jezus, zo gold dat ook wat betreft zijn graf. Immers, Jezus zelf had ook in een graf gelegen. De Godsakker had voor Von Zinzendorf liturgische dimensies, met als hoogtepunt elk jaar in alle vroegte op Paasmorgen op elk van hun Godsakkers de viering van de Opstanding van Christus en de gedachtenis der gestorvenen. In de Zaal kwam de gemeente samen, gescheiden naar het geslacht. Op dezelfde wijze geschiedde en geschiedt het ook op de Godsakker.
In 1740 werd op een synodevergadering besloten, dat de graven slechts voorzien zouden worden van eenvoudige stenen met daarop de naam, de dag van geboorte, de dag van overlijden (Heimgang) en een vers, dat van betekenis was geweest voor de overleden broeder of zuster. Aanvankelijk waren de letters ook nog rood geverfd als kleur van het bloed, dat verwees naar Jezus’ offer aan het kruis. In prediking en lied stond en staat Jezus als de Gekruisigde voor de Hernhutters immers in het middelpunt. Kenmerkend voor de Godsakker waren en zijn die eenvoudige stenen van bescheiden omvang met opschrift, de scheiding Graven van de familie Von Zinzendorf op de Godsakker aan de voet van de Hutbergnaar geslacht en het ontbreken van huwelijks- en familiegraven. Er werd en wordt begraven in volgorde van overlijden. Haagbeuken en lindebomen vormen de afzetting. De gelijkvormige eenvoud wil de gelijkheid van allen in de dood en voor God benadrukken. Uitzondering vormden wel de graven van de familie Von Zinzendorf op de Godsakker aan de voet van de Hutberg even buiten Herrnhut in Sachsen. Zij zijn voorzien van fraaie zerken en liggen bij elkaar. Op 16 mei 1760 werd Von Zinzendorf er begraven, afwisselend gedragen door 32 predikers en diakenen en door duizenden begeleid. Het is de Godsakker van Herrnhut, die als voorbeeld heeft gediend voor de Godsakkers van de Broedergemeenten, die wereldwijd werden aangelegd waar Broedergemeenten ontstonden.

Zeist

In plaats van IJsselstein, waar geen toestemming werd verkregen voor het stichten van een Godsakker, werd Zeist het centrum van de Broedergemeente. Het waren geldzorgen die Willem Adriaan II, graaf van Nassau en heer van Driebergen en Zeist, noopten Slot en Heerlijkheid te Zeist te verkopen. Eigenaar werd de koopman Cornelis Schellinger, die het in 1746 schonk aan Von Zinzendorf en de Hernhutters. Zijn broer Jacob had indertijd de stichting en de bouw van ’s-Heerendijk te IJsselstein bekostigd. Op het voorterrein van het Slot verrezen de gebouwen van de Broedergemeente. De oprijlaan naar het Slot vormde de scheiding van het Broeder- en Zusterplein.

Zicht op de oude Godsakker (foto René ten Dam, 2020)Op 22 januari 1747 werd de vierjarige Anna Elisabeth Hasselman als eerste begraven. Een echte begraafplaats was er echter nog niet, haar laatste rustplaats werd een plekje naast een vijver in de voortuin van het Slot. Later werd de vijver gedempt en naar het voorbeeld van Hernhut werd de begraafplaats ingericht. De Godsakker was gesitueerd aan de zijde van het Zusterplein, tussen dit plein en het Slot. Lindebomen vormen de afzetting van de twee elkaar kruisende hoofdpaden. Ook hier werden de vrouwen en mannen gescheiden door een laan van elkaar begraven. De graven van de Broeders en Zusters worden niet geruimd, waardoor lange rijen eenvoudige stenen, zoals gebruikelijk op hun Godsakkers, ons deelgenoot laten worden van enkele eeuwen geschiedenis van de Broedergemeente op Nederlandse bodem.

Zicht op de oude Godsakker (foto René ten Dam, 2020)Op 17 februari 2005 werd aan de zijde van het Broederplein een tweede Godsakker in gebruik genomen, aangezien de eerste begraafplaats vrijwel vol was. Opvallend is dat de Broeders en Zusters niet meer apart van elkaar begraven worden, maar naast elkaar. Wel wordt er nog steeds begraven op volgorde van overlijden.

Met de Godsakkers, het Zuster- en Broederplein en de Zaal tonen de Hernhutters het leven te zien als een doorgaande liturgie, dienst aan God en de naaste. Liturgie is immers naar haar Griekse oorsprong: dienst van het volk. Wonen, werken en geloven, leven én sterven, ze vormen voor de Hernhutters één geheel.

 

Literatuur

  • Die Religion in Geschichte und Gegenwart, J.C.B.Mohr, Tübingen 1986
  • Karl Heussi  Kompendium der Kirchengeschichte, J.C.B. Mohr, Tübingen 1960
  • Dr O.J. de Jong Nederlandse kerkgeschiedenis, Callenbach, Nijkerk 1978
  • Dr C.N. Impeta Kaart van kerkelijk Nederland, Kok, Kampen 1972
  • Drs R.E. van Ditzhuyzen Oranje-Nassau, Becht,  Haarlem  1992

Internet

 

 


© 2021 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.