Utrecht

Zeist - 'Parochiale Begraafplaats van den H. Joseph' aan de Utrechtseweg

 

Ten tijde van de Bataafse Republiek kreeg de Rooms-katholieke Kerk haar godsdienstvrijheid terug. Men kon de schuilkerken verlaten. Tussen 1796 en 1840 werden ongeveer 150 nieuwe rooms-katholieke kerken gebouwd. Bij Koninklijk Besluit van 19 augustus 1842 werd als beschikking op de rekesten van katholieke inwoners van Zeist toestemming verleend tot het oprichten van een noodkerk en het benoemen van een pastoor. Van 1580 tot 1842 had Zeist geen katholieke kerk en behoorden de Zeister katholieken tot de statie Bunnik. Zij kerkten echter ook in Soesterberg (1837) en in Rijsenburg (1809). Tot eerste pastoor na de Hervorming werd op 25 september 1842 Franciscus Cohu benoemd. Op 9 februari 1843 werd de noodkerk in de 2e Dorpsstraat door de aartspriester ingewijd en de nieuwe pastoor geïnstalleerd. 

Aanleg van het kerkhof

Portret Cohu (Pierre Rhoen, Zeist 2005)

Tot 1829 begroeven de Zeister katholieken hun doden meestal in naburige plaatsen. Na de aanleg van de algemene begraafplaats aan de Bergweg bestelden de katholieken hun doden zowel in Zeist als in Bunnik ter aarde. Tussen 1830 en 1837 werden er in Zeist zestig begraven en 48 in Bunnik. De r.-k. begraafplaats in Bunnik was in 1823 zonder toestemming van de overheid aangelegd en was bestemd voor de katholieke inwoners van Bunnik, Odijk en Zeist. In 1837 werd in Soesterberg een parochie opgericht met een eigen begraafplaats, waarvoor door de koning wel toestemming was verleend. Het aantal overleden Zeister katholieken dat sindsdien in Bunnik of Soesterberg begraven werd nam toe. In de periode 1838-1843 werden nog 'slechts' 34 katholieken in Zeist begraven. Voor het buiten Zeist begraven was men aan het gemeentebestuur van Zeist tien gulden belasting verschuldigd. Voor het begraven van een overledene op de katholieke begraafplaats in Bunnik, die geen ingezetene van de gemeente Bunnik was, moest aan die gemeente acht gulden belasting worden betaald. Het elders begraven op een katholieke begraafplaats was voor de Zeister katholieken, die merendeels tot de arbeidersklasse behoorden, een dure aangelegenheid.

Op 31 mei 1843 kocht pastoor Cohu en het kerkbestuur de kleine buitenplaats Buitenzorg aan de Utrechtseweg om er een nieuwe kerk te bouwen. Het pas gebouwde herenhuis, later genummerd Utrechtseweg 58, werd als pastorie in gebruik genomen. Architect Th. Molkenboer uit Leiden ontwierp de kerk. De uitvoering werd gegund aan de aannemer A. van Beek te Utrecht. De kerk werd in 1847 ingezegend door de aartspriester Hartman en toegewijd aan St. Joseph.

Bij Koninklijk Besluit van 27 oktober 1843, nummer 84, werd het kerkbestuur gemachtigd tot het aanvaarden van de buitenplaats Buitenzorg aan de Utrechtseweg. In het K.B. was bepaald: 'Om in het geval het kerkbestuur tot het aanleggen eener afzonderlijke begraafplaats ten behoeve der R.C. gemeente mogt verlangen over te gaan, zich tot het plaatselijk bestuur te wenden, ten einde vooraf de daartoe vereischte toestemming te erlangen.' In het rekest aan de koning waarin de machtiging in verband met de aankoop werd aangevraagd, vroeg het kerkbestuur geen toestemming om een kerkhof te mogen aanleggen. In het rekest stond dat het aangekochte perceel ruimte bood tot aanleg van een kerkhof. Daarom werd in het K.B. over de aanleg van een kerkhof ook niets verder bepaald.

Op 15 januari 1853 vroeg het kerkbestuur aan het gemeentebestuur van Zeist toestemming om ten behoeve van de parochie een kerkhof aan te leggen achter de kerk. Daarbij werd verwezen naar het K.B. uit 1843 en een ministeriele beschikking uit hetzelfde jaar. Aan het eind van de brief wordt gevraagd spoedig antwoord te geven 'als zijnde deze tijd voor den aanleg het best geschikt'.
Het verzoek werd behandeld in de vergadering van de gemeenteraad op 9 februari 1853. Twee raadsleden zagen graag dat de Geneeskundige Commissie om advies zou worden gevraagd. Het raadslid Liefrink was van mening dat de bepaling dat er niet binnen een afstand van 35 à 40 meter van een begraafplaats mocht worden gebouwd, wederkerig was. Dat betekende volgens hem dat de aanleg van een begraafplaats in de nabijheid van gebouwen die op die afstand staan, niet kon worden toegestaan. De voorzitter merkte op dat de genoemde bezwaren niet golden omdat de kerk niet in de kom van de gemeente lag. Hij begreep dat de aanleg voor de eigenaar van het ernaast gelegen perceel hoogst ongelukkig was en financieel nadeel zou opleveren. Het was daarom noodzakelijk dat aan de wettelijke eisen van grootte van het kerkhof, de diepte van de graven en de ommuring werd voldaan. Het gemeentebestuur verleende onder die voorwaarden zijn toestemming.

Het kerkbestuur vroeg aan Gedeputeerde Staten ontheffing van de bepaling dat het kerkhof ommuurd moest worden. Het bestuur beriep zich op de slechte financiële positie van de parochie.
Het gemeentebestuur schreef in zijn advies aan GS dat de parochie over een kapitaal beschikte waaruit in 1843 de aankoop van het perceel en de bouw van de kerk en de pastorie was betaald en 'de onlangs geplaatste fraaije predikstoel'. Het gemeentebestuur was van mening dat de parochie niet onvermogend was als het de belangen van het kerkgebouw en de kerkdiensten betrof ('als men de belangrijke uitgaven ziet die voor hunne dienst aangewend worden'). Men adviseerde dan ook aan GS geen ontheffing te verlenen.

De eigenaren van de aangrenzende buitenplaatsen, G. van der Voort van de buitenplaats Nieuweroord en A. Vrolik van de buitenplaats Oud-Veldheim, dienden zoals te verwachten viel, bij GS een bezwaarschrift in tegen de aanleg van het kerkhof. In een advies op dit bezwaarschrift stelden burgemeester en wethouders dat het niet te ontkennen viel dat de aanleg van het kerkhof voor Van der Voort onaangenaam was en bij verkoop van zijn bezittingen schade zou lijden. Het was een kwestie die in de gemeente veel opschudding had veroorzaakt. Nogmaals werd benadrukt dat de verplichting tot het bouwen van een muur gehandhaafd diende te blijven.

Het duurde lang voordat GS een besluit nam op het rekest van de parochie. Een ambtenaar van de provincie kwam om het terrein te verkennen, maar men hoorde wekenlang niets. Pastoor Cohu schreef opnieuw. Geen antwoord. Op advies van refendaris Lux en aartspriester Hartman besloot de pastoor om de eerste dode in zijn parochie op het nieuwe kerkhof te begraven, onverschillig hoe het met die muur afliep. De eerste parochiaan die overleed was Paulus van Melzen. De 25-jarige smidsknecht overleed op 13 juni 1853. Op zondag (!) 19 juni 1853 werd hij begraven. Pastoor Cohu noteerde over deze gebeurtenis: 'Op 19 Junij was het gebeurd en de pastoor werd door een dienaar van de policie A. v.d. Veer, van wegens den burgemeester gevraagd of hij de permissie had dit te mogen doen, waarop de pastoor antwoordde, dat hij zulks van het gemeentebestuur had. Den 23 Junij werd de pastoor bij den burgemeester ontboden en weder ondervraagd.' Erg vriendschappelijk schijnt dit onderhoud niet te zijn geweest, want letterlijk schrijft de pastoor: 'Dat de burgemeester daarop in drift zeide: "Welnu, gij zult nu in het geheel niet meer mogen begraven op die begraafplaats."' Naast het gesprek dat de burgemeester met de pastoor voerde, stuurde burgemeester en wethouders op 23 juni ook een brief aan de pastoor, waarin zij het over een onwettige daad hebben. De pastoor noteerde in het door hem bijgehouden: "Status Mortuorum Stationis Zeyst": 'Nota: dit lijk was op een onbestemde klasse begraven vóór dat de begraafplaats was aangelegd, waarop door de regering verboden werd verder te begraven, tot dezelve met eenen steenen muur omringd was.' In haar beschikking van 29 juni 1853 wees GS de bezwaren van Van der Voort en Vrolik af. Tekenend voor de situatie is dat toen Vrolik in 1858 zijn buitenplaats Oud-Veldheim verkocht, hij aan de notaris die met de verkoop was belast schreef: 'De vermelding naast de RK is voor vele protestanten, ook in verband met het bewuste kerkhof, geen recommendatie, daarom wensch ik die weg te laten.'

Op 29 juni 1853 nam GS ook een beslissing op het rekest van het kerkbestuur om geen muur te hoeven te plaatsen. Het verzoek van het kerkbestuur werd afgewezen en bepaald werd dat van het kerkhof geen gebruik mocht worden gemaakt voordat deze door een twee meter hoge muur was omringd. De minister van Binnenlandse Zaken wees in zijn beschikking van 27 augustus 1853 een aan hem gericht verzoek tot ontheffing eveneens af.

Op 17 juni 1855 berichtte het kerkbestuur aan de aartsbisschop van Utrecht dat de bouw van de muur 1600 gulden zou kosten. Dat was een aanzienlijke som. Volgens de huidige valuta zou dit 11.647,02 euro ofwel 25.666,66 gulden zijn. Een groot deel van dit bedrag was al bijeengebracht. De aartsbisschop gaf daarop zijn toestemming. Op 8 oktober 1855 meldde pastoor Cohu aan het gemeentebestuur dat de stenen muur klaar was. De vergunning van het gemeentebestuur om het kerkhof in gebruik te nemen is van 11 oktober 1855: 'zoodat thans de begraving aldaar kan plaats hebben'. Daarmee kwam een einde aan een lang lopende kwestie. Erg solide schijnt de muur niet te zijn geweest. Tijdens de winter dreigde hij om te vallen. Architect Van Vogelpoel uit trecht wist die ramp te voorkomen en de nodige restauratie aan te brengen, zodat de muur het hield. De inzegening door pastoor Cohu vond op 12 oktober 1856 plaats. 

De inrichting

Het in 1843 gekochte 'Buitenzorg' had een oppervlakte van 6300 vierkante meter. Het kerkgebouw (1847) en de pastorie hadden een gezamenlijke oppervlakte van 620 vierkante meter. Het gedeelte van de tuin gelegen achter het kerkgebouw werd in 1853 bestemd tot kerkhof. De scheiding tussen de pastorietuin en het kerkhof liep vanaf de rechterhoek van de achtergevel van het kerkgebouw tot aan het volgende perceel. Het kerkhof had een lengte van 56 meter. De breedte bedroeg aan de zuidzijde 26 meter en aan de kant van het kerkgebouw 24 meter. Daarmee had het kerkhof een oppervlakte van 1400 vierkante meter.

De muren waarover in de jaren 1853-1855 zoveel te doen was, zijn in de loop der jaren grotendeels verdwenen. Alleen de muur aan de zuidzijde staat er nog. De muur aan de westzijde is in 1949 afgebroken. Wanneer de muur aan de oostzijde verdwenen is, is niet bekend. Het kerkhof werd aan de zuidzijde afgesloten door het kerkgebouw. Het kerkgebouw werd in 1888 aan de achterzijde uitgebreid en de benodigde grond werd afgenomen van het kerkhof. Het ingangshek bevond zich aan de zuidzijde links van het kerkgebouw en was bereikbaar via een toegangsweg vanaf de Utrechtseweg.

Monumentale graftombe L.F. BruynsHet huidige lanenpatroon geeft niet de historische indeling weer. Een plattegrond van omstreeks 1855 is niet bekend. Pastoor Cohu hield in het "Status Mortuorum Stationis Zeyst" aantekening in welke klasse, rij en graf de lijken werden begraven en bij kinderen vermeldde hij bovendien 'kinderzijde'. Daarmee vormt dit register een belangrijke bron voor een reconstructie van de plattegrond. De indeling had naar alle waarschijnlijk de vorm van een Latijns kruis. De rechtlijnige aanleg met kruisende paden komt veel voor bij katholieke begraafplaatsen. Door de kruisvorm werd het kerkhof in vier vakken verdeeld. Dit komt overeen met de vier klassen waarin begraven werd. Het middenpad liep vanaf het kerkgebouw naar het priestergraf dat gelegen was en nog is voor de muur aan de zuidzijde. Aangenomen mag worden dat klasse 1 het vak is waar zich de monumentale graftombe van L.F. de Bruyn bevindt en klasse 2 het vak aan de overkant van het middenpad, links voor het priestergraf. De twee overige vakken dichter bij het kerkgebouw gelegen waren daarmee bestemd voor de klassen 3 en 4. Hier lagen de huurgraven en de graven voor de minvermogenden.
Elk vak was in rijen verdeeld, die haaks op het middenpad stonden. Elke klasse had een kinderzijde. Van oudsher werden kinderen aan de rand van een kerkhof begraven. De kindergraven lagen hier aan de buitenste rand van het vak in de lengterichting van het kerkhof.
Zowel in klasse 2, 3 als 4 werden in elk graf drie lijken begraven. In enkele kindergraven zelfs vier. Er was ook een ongewijd gedeelte voor het begraven van ongedoopten; meestal levenloos geboren of vlak na de geboorte overleden kinderen. Een dergelijk vak lag achter een haag en in een uithoek van het kerkhof. Tussen 27 oktober 1856 en 20 juni 1858 werden er 64 lijken ter aarde besteld.

 

Klasse Aantal lijken
1 ---
2 6
2 kinderzijde 1
3 20
3 kinderzijde 22
4 5
4 kinderzijde 3
Ongewijd gedeelte 7

 

Het totale aantal bedroeg 65. Van Melzen die in 1853 illegaal begraven werd, werd na 2 december 1857 en voor 26 januari 1858 herbegraven in klasse 4, rij 1, graf 2.
Op 3 juli 1858 overleed pastoor Cohu en zijn opvolger was niet zo punctueel in het noteren van gegevens als Cohu.

Het kerkhof was niet berekend op het aantal doden dat er in de loop van de volgende honderd jaar er begraven werd. De toestand werd zeer wanordelijk. Zoals blijkt uit het feit dat in 1975 een zestal eigengraven tussen de huurgraven in lag. Eind jaren vijftig van de vorige eeuw zijn om structuur aan te brengen, paden aangelegd en die werden als het zo uit kwam over graven heen gelegd. Bij het onderzoek voor dit artikel is mij gebleken dat het kerkhof na de afbraak in 1949 van de muur aan de westzijde illegaal is uitgebreid met een gedeelte van de pastorietuin. In het archief van de gemeente Zeist heb ik geen stukken aangetroffen waarbij toestemming werd verleend tot ingebruikname van dit stuk grond. Op de plaats waar de muur had gestaan zou een haag geplant worden en het terrein naast het kerkhof gelegen zou worden beplant, aldus de informatie van pastoor Overmaat uit 1949. In 1951 werd door het kerkbestuur nog verklaard dat maar tot aan de haag mocht worden begraven en dat het van de pastorietuin afgenomen gedeelte werd gebruikt als knekelvak. In de jaren daarna heeft men dit gedeelte in gebruik genomen als kerkhof zonder dat daartegen door iemand bezwaar werd gemaakt.  

Sluiting van het kerkhof

Vanaf 1960 werd met het gemeentebestuur gesproken over de aanleg van een r.k. gedeelte op de Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Woudenbergseweg. Al in 1954 had het bestuur van de St. Joseph-parochie deze zaak aangekaart bij de gemeente. De verwachting was dat het kerkhof aan de Utrechtseweg binnen enkele jaren vol zou zijn. Het katholieke raadslid Voskens merkte in 1963 tijdens een raadsvergadering op dat de situatie aan de Utrechtseweg onhoudbaar was. In overleg met de besturen van de drie Zeister parochies werd een plan opgemaakt, dat door de gemeenteraad op 2 mei 1966 werd aangenomen. Op 7 juni 1967 meldde de directeur van Openbare Werken aan burgemeester en wethouders dat het r.k. gedeelte 'begraafklaar' was. In 1974 droeg het kerkbestuur van de St. Joseph-parochie de eigendom van het kerkhof aan de Utrechtseweg over aan het kerkbestuur van de parochie van de H. Familie, die in 1950 was opgericht. De notariële akte spreekt over 'kerkhof en nevengelegen open strook grond, lijkenhuisje en toegangsweg naar het kerkhof groot 24 aren en 75 centiaren'. Het kerkbestuur van de parochie van de H. Familie besloot op 11 juni 1975 een gedeelte van het kerkhof te sluiten en wel het gedeelte liggende op circa 33 strekkende meter uit de achterzijde van het kerkgebouw. Het resterende gedeelte werd gesloten verklaard op 29 november 1976. Op het in 1975 gesloten gedeelte lagen de huurgraven en op het in 1976 gesloten gedeelte de eigen graven. De scheiding wordt anno 2005 nog gemarkeerd door een haag. 

Het doodgraverhuisje werd in 1978 gesloopt. Het kerkgebouw en het kerkhof werden in 1980 verkocht aan een projectontwikkelaar, waarna het kerkgebouw in 1981 gesloopt werd. In 1996 werd het terrein aangekocht door de Triodos Bank NV. De parochie van de H. Familie bleef tot 1999 verantwoordelijk voor het onderhoud van het kerkhof. Een taak die door parochianen als vrijwilliger werd uitgevoerd. De Triodos Bank is bezig een toekomstvisie te ontwikkelen voor het kerkhof. De gemeentelijke monumentencommissie werd in haar vergadering op 8 oktober 2003 geïnformeerd. Het plan - dat veel onrust teweeg bracht - is nog niet voldoende uitgekristalliseerd om hier nu iets over te schrijven. 

Aanwijzing als gemeentelijk en rijksmonument

Het kerkhof werd bij raadsbesluit van 7 december 1987 aangewezen als gemeentelijk monument. De redengevende beschrijving luidt: 'De begraafplaats is een van de twee typische negentiende-eeuwse kerkhoven in Zeist, die is aangelegd volgens een eenvoudig recht lanenpatroon, met een aantal karakteristieke graven, met name de monumentale graftombe voor Leonardus Franciscus de Bruin, overleden op 23 april 1861, met een half afgeschoven kleed.' en als rijksmonument bij beschikking van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 4 juni 1999 met als redengevende beschrijving: 'Het op de voormalige rooms-katholieke begraafplaats gelegen grafmonument van L.F. de Bruyn uit 1861 is van cultuurhistorische waarde alsmede van architectuurhistorische waarde vanwege de weinig voorkomende en fraai vormgegeven sarcofaagvorm met half afgeschoven stenen kleed en neo-classicistische decoraties.'

Behalve het monumentale graf van L.F. de Bruijn is het priestergraf met een meer dan manshoog kruis met daarop een levensgroot corpus opvallend. Hierin liggen vijf priesters begraven, te weten:

  • F. Cohu, pastoor van de St. Josephparochie van 1842 tot 1858;
  • W. Jansen, pastoor van de St. Josephparochie van 1891 tot 1907;
  • G. Reinders, pastoor van de St. Josephparochie van 1907 tot 1933;
  • Mgr. Dr. J. Stolte (1881-1951), Huisprelaat, en
  • K.G.Th. Meurs, pastoor van de parochie van de H. Familie J.M.J. van 1951 tot 1953.

Voor katholiek Zeist een belangrijk funerair monument. 

 

Bronnen

  • Archief der gemeente Zeist, 1599-1905, inv.nrs. 103, 164, 174 en 176; Gemeentearchief Zeist
  • Idem, 1946-1975, ds.nrs. 4651 en 9884; Gemeentearchief Zeist
  • Idem, 1976-1985, ds.nr. 13155 (oud)/gem.3123/1125 (nieuw); gemeente Zeist, afdeling DIV
  • Archief van de dienst Gemeentewerken / Openbare Werken, ds.nr. 660 en 1905; Gemeentearchief Zeist
  • "Status Mortuorum Stationis Zeyst"; afschrift; Gemeentearchief Zeist
  • W. van der Plas, 'De nieuwe Statie in moeilijkheden.' Utrechts Katholiek Dagblad, 17 december 1949
  • R.P.M. Rhoen, 'De oude begraafplaats aan de Bergweg.' Seijst. Nr. 3 (1993) p. 49-58
  • R.P.M. Rhoen, 'De buitenplaats Oud-Veldheim in Zeist.' Oud-Utrecht. Nr. 1 (1999) p. 8 -11 en 14-18
  • R.P.M. Rhoen, 'Zeist een zelfstandige r.-k. parochie (1842)'; in: Parochie van de Heilige Familie Jesus, Maria en Jozef te Zeist: Een bloemlezing over 51 jaar, p. 10, Zeist 2001 (i.s.m. V.A.M. van der Burg)

 

 


© 2021 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.