Utrecht

Zeist - Dertien koopgraven voor het halve tarief op de Oude Begraafplaats aan de Bergweg

 

Het zou de koning welgevallig zijn

Het Koninklijk Besluit van 24 mei 1825, nummer 162, waarbij het verboden werd om na 1828 nog doden in kerken, kapellen of bedeplaatsen te begraven en het alleen nog in gemeenten met minder dan duizend inwoners was toegestaan om te begraven op kerkhoven of begraafplaatsen in de kom van de gemeente, werd in de provincie Utrecht in 1827 gepubliceerd in het provinciaal blad nummer 57.
Voorts werd in hetzelfde nummer van het provinciaal blad naar aanleiding van de circulaire van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 augustus 1827, bekendgemaakt dat de eigenaren van graven in de kerken, daar er dus in de kerken niet meer begraven mocht worden, geen recht op schadevergoeding hadden. Wel werd erbij vermeld dat het de koning welgevallig zou zijn, wanneer de gemeentebesturen bij het aanleggen van begraafplaatsen, aan de eigenaren van graven in de kerken, voor het verlies van deze graven, als tegemoetkoming graven op de nieuwe begraafplaatsen of op die gehandhaafd mochten blijven, zouden toewijzen.
De gemeente Zeist was verplicht een nieuwe begraafplaats aan te leggen, want de gemeente telde bijna 2300 inwoners. Die werd aangelegd aan de Bergweg; dit is de huidige Oude Begraafplaats.

 

'Acten van uitgifte in eigendom'

Bij K.B. van 22 juli 1826 (Stb. 56) werden bepalingen vastgesteld over het opmaken van akten en het aangaan van contracten door gemeentebesturen.
In het K.B. van 28 juni 1830, nummer 56, werden regels gesteld ten aanzien van de registratie en de hypothecaire overschrijving van 'de akten van overdragt, in de eerste hand, van kelders en graven, op de nieuw aangelegde begraafplaatsen, aan zoodanige personen of familien, welke, op het tijdstip van het in gebruik stellen der nieuwe begraafplaatsen, in de kerken, op de kerkhoven of elders, grafkelders bezitten'.
De uitgifte van graven op de nieuw aangelegde burgerlijke begraafplaatsen geschiedde niet overal in Nederland volgens deze regelingen. Het K.B. van 30 november 1836, nummer 102, was onder andere bedoeld om een einde te maken aan de onregelmatigheden bij de uitgifte van graven. In het K.B. worden de gemeentebesturen herinnerd aan de verplichting om geen graven uit te geven, hetzij in eigendom, hetzij in huur, zonder daarvan een behoorlijke akte op te maken, volgens de regels zoals bepaald in het K.B. van 22 juli 1826 (Stb. 56). Verder werd tot 1 april 1837 gelegenheid geboden de overdrachten van graven, welke hadden plaats gehad voor 1 januari 1837, zonder betaling van rechten te laten registreren en hypothecair over te laten schrijven. Deze regeling was eigenlijk alleen bedoeld voor de uitgiften van grafruimten aan personen, die dat verlangden, bij wijze van schadeloosstelling voor graven welke zij in de kerken bezaten. Omdat het hiervoor genoemde K.B. van 28 juni 1830 ten aanzien van dit punt onduidelijk was geformuleerd, gold de genoemde regeling voor alle uitgiften van graven.

Het gemeentebestuur van Zeist had geen voorgeschreven aktes opgemaakt en heeft voor het verstrijken van de termijn, dat de aktes gratis geregistreerd werden, op 10 maart 1837 32 aktes opgesteld; zgn. 'actes van uitgifte in eigendom'. Bij twaalf aktes ging het om een schadeloosstelling voor een graf op het kerkhof bij de Oude Kerk. In de kerk van Zeist werden na 1805 geen doden meer begraven.
Omdat deze aktes in brevet waren, is er geen minuut in het archief van de gemeente Zeist blijven berusten. Wel is bewaard gebleven de akte, die aan Hendrik Blanken is uitgereikt. Daarin wordt duidelijk gesteld: 'Deze uitgifte en afstand is gedaan bij wijze van schadeloosstelling voor een graf, het welk voornoemde Hendrik Blanken bezat op het kerkhof achter de Hervormde Kerk te Zeist, blijkens een bewijs daarvan door het kerkbestuur der gemelde gemeente afgegeven'. De overige elf aktes zullen naar inhoud gelijkluidend geweest zijn.
In de hiervoor genoemde akte wordt gesproken over schadeloosstelling. In de gemeenterekeningen van 1831, 1834, 1835 en 1837 wordt in de post 'Inkomsten van de begraafplaats' in negen gevallen duidelijk gezegd in ruil voor een graf op het oude kerkhof. Dat wekt de indruk dat men voor de aankoop van de graven niet zou hebben betaald. Zij ontvingen de graven echter niet gratis, maar moesten de helft van het geldende graftarief betalen.

De tarieven waren door burgemeester en assessoren vastgesteld op 20 maart 1829. In deze verordening wordt in lid 4 van het artikel dat de rechten van aankoop en overgang van graven regelt, bepaald: 'Aan eigenaars van graven op het thans nog bestaande kerkhof, zal op vertoon van hun bewijs van eigendom, na gedane oproeping, binnen een bepaalde tijd, een gelijk getal graven in eigendom worden gegeven tegen betaling van de helft van den hiervoor bepaalden koopprijs.'
De regeling van schadeloosstelling voor het verlies van een graf in de kerk, gold in principe niet voor de twaalf personen, aan wie een graf voor de helft van het geldend tarief als schadeloosstelling is verkocht. Dat het wel is gebeurd, is duidelijk het gevolg van de ruime interpretatie van de wens van de koning, zoals weergegeven in het provinciaal blad nummer 57 van 1827.

 

De twaalf schadeloosgestelden

Door het ontbreken van voldoende gegevens, is het gissen waarop de rechten van deze twaalf personen zijn gestoeld. In de gemeenterekening van 1830 komt voor het eerst een post voor van inkomsten van de begraafplaats. Voor die tijd kwamen deze inkomsten bij de kerk binnen, omdat het kerkhof eigendom was van de kerk. De jaarrekeningen van de Hervormde Gemeente van 1801 tot en met 1841 ontbreken helaas in het kerkelijk archief, evenals de lijsten van de overledenen uit de periode juni1817 tot en met 1843. Zonder deze stukken is het moeilijk aan te geven op welke graven op het kerkhof bij de kerk de betrokkenen een recht bezaten.
Op een ongedateerde plattegrond van het kerkhof, vermoedelijk uit het eerste kwart van de negentiende eeuw, waarop 75 genummerde graven staan aangegeven, staan te summier gegevens vermeld om een volledig beeld te krijgen. Enkele namen die op deze plattegrond staan, zijn dezelfde personen die in de periode 1831 - 1837 in ruil voor een graf op het kerkhof bij de kerk een graf op de begraafplaats aan de Bergweg hebben gekregen.

Zekerheid bestaat in ieder geval bij Van Bern. Bij graf nummer 40 op de plattegrond staat zijn naam. De eerste vrouw van burgemeester Frans Nicolaas van Bern werd op 18 augustus 1815 in haar eigen graf begraven. Het gedeelte op het kerkhof waar zij begraven werd, werd in die tijd het Nieuwe Kerkhof genoemd en de reeds genoemde plattegrond toont dit gedeelte van het kerkhof.
De ongehuwde Wijnanda Anna van Dam werd op 30 december 1831 begraven op de begraafplaats in een koopgraf (eigen graf). Van moederskant was zij een tante van Van Bern. Hij was belast met haar begrafenis, want haar graf werd op zijn naam gezet. Het is dan voor het eerst dat een graf wordt uitgegeven in ruil voor een graf op het kerkhof.
In zijn geval ging het om grondruimte voor een dubbele grafkelder. Dat kan zijn oorzaak vinden in het feit dat Wijnanda Anna niet in het graf van haar, eveneens ongehuwde, zuster Geertruijda, die in 1820 was overleden, kon worden begraven. Vermoedelijk is deze bijgezet in de grafkelder die op de plattegrond genummerd is als nummer 9 en waar 'M[ejuffrouw] van Dam' bij staat. Zij kan niet in het graf van haar ouders begraven zijn. Deze werden bijgezet in een graf, nummer 9, in de kerk en na 1805 is dat niet meer gebeurd.
In de akte van scheiding van de nalatenschap van Frans Nicolaas van Bern, opgemaakt door notaris Harmanus Pen te Baarn, uit 1851 komt in artikel elf de dubbele grafkelder voor en daarin wordt vermeld dat de overledene de grafkelders heeft laten metselen ('de daarin aanwezige kelder door den heer overledene zelve is gestigt.)'. De grondruimte voor een dubbele grafkelder die bij akte van 10 maart 1837, nummer 175, aan Van Bern in eigendom werd uitgegeven, lag in vak A en betrof de nummers 52 en 53.

Op de zerk staat haar naam wel gebeiteld, maar hij staat niet ingeschreven in het register van de grafkelders op de begraafplaats. Toch moet Johanna Maria van Mariënhoff, de eerste echtgenote van Van Bern, begraven liggen in de grafkelder A 52-53. In zijn testament, opgemaakt op 14 december 1850 door notaris Jan Cornelis Dwars te Utrecht, heeft Van Bern laten opnemen: '[…] dat de uitvoerders van zijnen uitersten wil, vóór de begrafenis van zijn afgestorven ligchaam, de kist bevattende het stoffelijk overschot zijner beminde eerste echtgenoot vrouwe Johanna Maria van Mariënhoff in alle stilte doch op de meest ordelijke wijze uit den grafkelder op het kerkhof bij de Hervormde Kerk te Zeist doen overbrengen naar zijnen grafkelder op de burgerlijke begraafplaats der gemeente Zeist, en die kist zoodanig doen plaatsen, dat zij naast de zijne kome te staan.'. Hij moet veel van deze vrouw gehouden hebben, dat hij wenste dat hij in de dood weer met haar verenigd zou zijn.

In 1831 kreeg ook Johannes Montauban een graf aan de Bergweg in ruil voor een graf op het kerkhof. Het graf vak C nummer 3 werd het zijne. De grafruimte werd uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 179. De vraag waarom hij een graf als schadeloosstelling kreeg is moeilijk te beantwoorden. Op 8 juni 1815 heeft hij zijn dochtertje Gerrendina van twee en half jaar, en op 7 december van hetzelfde jaar zijn zoontje Cornelis, achttien maanden oud, begraven en op 23 oktober 1817 is zijn zoontje Bastiaan, anderhalf jaar oud, overleden. Deze kinderen werden in een huurgraf begraven.

Cornelis van Vulpen kreeg in 1831 het graf vak C nummer 5 als schadeloosstelling. De grafruimte werd uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 181. Hij kon zijn recht baseren op het graf nummer 41 op het kerkhof dat op naam van zijn moeder stond, althans op de meerdere malen genoemde plattegrond staat 'wed. van Vulpen'. Zijn vader Hendrik van Vulpen was op 30 oktober 1805 op het kerkhof begraven.

In 1831 werd ook nog een graf verkocht aan G. ter Hart. Het ging daarbij om het graf nummer 10 in vak E. De grafruimte werd aan Gerrit ter Hart uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 202. Door vernummering is dat nu nummer 17.

Pas in 1834 werden weer twee graven uitgegeven in ruil voor een graf op het kerkhof. In dat jaar overleed de weduwe van Wessel Verdonk. Het graf genummerd 32 op het kerkhof stond op haar naam ('de weduwe Wessel Verdonk'). Aan haar erven werd de grondruimte voor een graf op de begraafplaats in vak C nummer 12 verkocht in ruiling voor een graf op het kerkhof. De grafruimte werd uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 188, en werd op naam gesteld van haar schoonzoon Hendrik Vermeer.

Verder kreeg in dat jaar Gijsbert Verdonk het graf nummer 13 in vak C op de begraafplaats in ruil voor een graf op het kerkhof. De grafruimte werd uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 189. Op de plattegrond van het kerkhof staat het graf nummer 7 op naam van ene G. Verdonk. Misschien is deze G. Verdonk dezelfde persoon als Gijsbert Verdonk en kreeg hij dit graf als schadeloosstelling voor het verlies van het genoemde graf nummer 7.
Het graf werd bij onderhandse akte van 18 maart 1868 verkocht aan Elisabeth van Vollenhoven, weduwe van Hendrik Hovy, te Zeist.

Het overlijden van de vrouw van Albert van Aefst was in 1835 reden om aan hem de grondruimte voor een graf op de begraafplaats te verkopen in ruil voor een graf op het kerkhof. De grafruimte werd uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 191. Hij kreeg het graf vak C nummer 15 in eigendom.

Op het kerkhof lagen Hendrik Achterbergh en Josina Hendrina van Sisteren, in het doopregister heet zij 'van Susseren' begraven in graf nummer 2. Na het overlijden van Hendrik Achterbergh was zij hertrouwd met Johannes Klomp. De kinderen van dit echtpaar hadden dus recht op een graf op de begraafplaats. Zij kregen in 1835 het graf nummer 18 in vak C. De grafruimte werd uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 194, en werd op naam gesteld van Hendrik en Jacobus Achterbergh.

De grafruimte vak C nummer 22 op de begraafplaats werd bij akte van 10 maart 1837, nummer 198, uitgegeven als schadeloosstelling aan Johanna Gijsbertina Elisabeth Thierrij de Bije, weduwe van Jan Carel Pronckert. In 1835 was aan haar dit graf al verkocht in ruil voor een graf op het kerkhof. Onduidelijk is op welk graf op het kerkhof zij bepaalde rechten had.

In de gemeenterekening van 1835 staat geen post betreffende verkoop van een graf op de begraafplaats aan Hendrik Blanken. In de lijst van overleden in 1835 wordt wel vermeld dat op 3 oktober van dat jaar een kindje van Hendrik Blanken in het graf C nummer 19 werd begraven. De grafruimte werd bij wijze van schadeloosstelling uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 195.
Graf nummer 3 op de plattegrond van het kerkhof staat op naam van R. Blanken. Ruth Blanken overleed op 23 september 1820. Hij zal in graf nummer 3 begraven zijn. Misschien had hij het graf gekocht bij het overlijden van zijn eerste vrouw Hendrica Verhousen, die tussen mei 1800 en november 1801 is overleden.

Op 28 juli 1800 werd Evert Dupree begraven op het kerkhof in het graf nummer 2, dat later vernummerd werd tot nummer 17. Hij was gehuwd met Anna van Beek. Op 25 februari 1837 werd Johannes du Pree begaven op de begraafplaats in het graf vak C nummer 20. Het graf werd uitgegeven aan Antje du Pree in ruil voor een graf op het kerkhof. Zij was de grootmoeder van de overledene. De grafruimte werd aan Antje du Pree bij wijze van schadeloosstelling uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 196. Zij woonde toen in Utrecht. Volgens de registers van de begraafplaats zou niemand in het graf vak C nummer 20 begraven liggen, maar uit de lijst van overleden in 1837 blijkt het tegendeel.

De grafruimte in vak C nummer 25 op de begraafplaats werd aan Pieter de Liefde bij wijze van schadeloosstelling uitgegeven bij akte van 10 maart 1837, nummer 201. In zijn geval was niet het overlijden van een van zijn gezinsleden de reden om een graf in 1837 aan te kopen. Op de intussen bekende plattegrond van het kerkhof is het graf nummer 45 vermeld als eigendom van P. de Liefde. De overlijdensakte nummer 28 van 1829 vermeldt het overlijden van Jan de Liefde, 6 ¾ jaar oud, zoon van Dirk de Liefde en Anna Luite. Waarschijnlijk vormde het overlijden van zijn kleinzoon de reden een graf op het kerkhof te kopen.

Op de graven van de families Hovy (C 13), Blanken (C 19), Vosmaer (C 22) en Ter Hart (E 10) vindt men nog een grafsteen. (2001)

 

 

Bijlage

In de dubbele grafkelder vak A nummers 52-53 van Frans N. van Bern werden bijgezet:

  1. Wijnanda Anna van Dam, 74 jaar, op 30 december 1831.
  2. Frans Nicolaas van Bern, 64 jaar, op 21 augustus 1851.
  3. Johanna Maria van Mariënhoff (1790-1815), op 21 augustus 1851
  4. Willem ter Plecht, 86 jaar, op 11 november 1850. (Overgebracht van A 5).
  5. Clara Elisabeth van Goor Hinloopen, weduwe van C.W. van Dam, op 3 oktober 1876.
  6. Jacoba Anna van Goor Hinloopen, weduwe van Frans Nicolaas van Bern, 83 jaar, op 12 februari 1880.

In het graf vak C nummer 3 werden de volgende leden van de familie Montauban begraven:

  1. Goosentje van der Heijden, ongehuwd, 79 jaar, op 5 mei 1831.
  2. Bastiaan Montauban, weduwnaar van Geertruij van der Heijden, 89 jaar, op 9 oktober 1839.
  3. Simon Montauban, 1 jaar, op 3 mei 1850.
  4. Janna Rikkert, gehuwd met Johannes Montauban, 80 jaar, op 14 oktober 1853.
  5. Johannes Montauban, weduwnaar van Johanna Rikkert, 85 jaar, op 30 december 1867.
  6. Geertruida Catharina Montauban, ongehuwd, 60 jaar, op 23 mei 1871.

In het graf vak C nummer 5 van de familie Van Vulpen werden begraven:

  1. Cornelis van Vulpen, 2 maanden, op 15 juli 1831.
  2. Hendrik van Vulpen, 10 weken, op 15 oktober 1831.
  3. Maria van der Kemp, weduwe van Hendrik van Vulpen, 90 jaar, op 18 april 1833.
  4. Pietertje Burggraaf, ongehuwd, 44 jaar, op 19 januari 1836.
  5. Maria van Vulpen, gehuwd met Hendrik Achterberg, op 7 april 1843.
  6. Cornelis van Vulpen, 4 maanden, op 27 januari 1857.
  7. Cornelis van Vulpen, gehuwd met Geertrui Burggraaf, op 15 april 1859.
  8. Geertrui Burggraaf, weduwe van Cornelis van Vulpen, 70 jaar, op 16 december 1863.
  9. Marrigje van Vulpen, 8 maanden, op 26 februari 1870.
  10. Dirkje van Vulpen, 13 maanden, op 22 juni 1887.
  11. Jacob van Vulpen, ongehuwd, 78 jaar, op 8 januari 1896.
  12. Willem van Vulpen, gehuwd met Dirkje van Vulpen, 77 jaar, op 15 januari 1898.
  13. Dirkje van Vulpen, weduwe van Willem van Vulpen, 66 jaar, op 15 januari 1900.

In het graf vak C nummer 12 van de familie Verdonk werden begraven:

  1. Maria van Beek, weduwe van Wessel Verdonk, 78 jaar, op 9 april 1834.
  2. Arie Verdonk, gehuwd met Ida Frederika Jacobs, 48 jaar, op 3 januari 1837.
  3. Rijndert Vermeer, 3 jaar, op 23 mei 1850.
  4. Johannes Gijsbertus Vermeer, 6 maanden, op 28 juli 1854.
  5. Antonia Martina Verdonk, gehuwd met Hendrik Vermeer, 60 jaar, op 1 april 1858.
  6. Hendrik Vermeer, weduwnaar van Antonia Martina Verdonk, op 30 mei 1869.

In het graf vak C nummer 13 aangekocht door Elisabeth Hovy-van Vollenhove liggen begraven:

  1. Hendrik Hovy, gehuwd met Elisabeth van Vollenhoven, 64 jaar, op 18 maart 1868.
  2. Isaäc Esser, gehuwd met Cornelia Wilhelmina Hovy, 73 jaar, op 14 juni 1920.
  3. Cornelia Wilhelmina Hovy, weduwe van Isaäc Esser, 80 jaar, op 9 februari 1928.

In het graf vak C nummer 15 van de familie Van Aefst vonden hun laatste rustplaats:

  1. Elsje Dekkers, gehuwd met Albert van Aefst, 79 jaar, op 12 januari 1835.
  2. Albert van Aefst, weduwnaar van Elsje Dekker, 83 jaar, op 20 april 1847.
  3. Willem Nicolaas van Aafst, ongehuwd, 76 jaar, op 22 oktober 1872.

In het graf vak C nummer 18 van de familie Achterbergh werden begraven:

  1. Hermina Eggink, gehuwd met Jacobus Achterbergh, 44 jaar, op 31 maart 1835.
  2. Hendrica Achterbergh, 17 jaar, op 5 januari 1836.
  3. Jacobus Achterbergh, 5½ jaar, op 16 januari 1836.
  4. Hendrik Achterbergh, gehuwd met Geertruida Bussche, 63 jaar, op 5 maart 1845.
  5. Elisabeth Polman, 15 jaar, op 10 mei 1864.
  6. Geertruijd Bussche, weduwe van Hendrik Achterbergh, 73 jaar, op 14 oktober 1868.
  7. Johannes Achterbergh, 12 jaar, op 17 oktober 1868.
  8. Johannes Zonnevijl, gehuwd met Anna Maria Achterbergh, 43 jaar, op 21 oktober 1889.

In het graf vak C nummer 19 werden van de familie Blanken de volgende leden bijgezet:

  1. Evert Rudolph Blanken, 3½ maand, op 3 oktober 1835.
  2. Henriëtte Blanken, 11 weken, op 6 juni 1837.
  3. Anna Maria Henriette Blanken, 3 jaar, op 20 maart 1844.
  4. Anna Wilhelmina Henriette Blanken, 3 maanden, op 27 augustus 1846.
  5. Elizabeth van Brienen, weduwe van Ruth Blanken, 90 jaar, op 3 mei 1849.
  6. Hendrika Blanken, 1 jaar, op 4 maart 1853.
  7. Gerarda Wilhelmina Blanken, gehuwd met Krijndert Moen, 32 jaar, in november 1865.
  8. Willemina de Kruyff, gehuwd met Hendrik Blanken, 59 jaar, op 3 februari 1870.
  9. Hendrik Blanken, weduwnaar van Agneta Elisabeth Maria Bettink en Willemina de Kruyff, 81 jaar, op 7 oktober 1879.
  10. Willemina Blanken, gehuwd met Hendrik Hermanus Liefrink, 47 jaar, op 25 januari 1896.
  11. Hendrik Hermanus Liefrink, weduwnaar van Willemina Blanken, 80 jaar, op 22 juni 1925.

In het graf vak C nummer 20 van Antje du Pree-van Beek ligt begraven:

  1. Johannes du Pree, 28 jaar, op 25 februari 1837.

In het graf vak C nummer 22 van de weduwe Johanna G.E. Pronckert-Thierrij liggen begraven:

  1. Jacob Vosmaer, 3 maanden, op 25 augustus 1835.
  2. Jacoba Theodora van Hoytema, gehuwd met Arnout Vosmaer, 79 jaar, op 17 juli 1922.
  3. Arnout Vosmaer, weduwnaar van Jacoba Theodora van Hoytema, 83 jaar, op 5 juni 1923.

In het graf vak C nummer 25 van de familie De Liefde vonden hun laatste rustplaats:

  1. Maria de Liefde, 16 jaar, op 16 januari 1845.
  2. Antje Steen, gehuwd met Pieter de Liefde, 77 jaar, op 23 februari 1846.
  3. Dirk de Liefde, gehuwd met Anna Luite, 53 jaar, op 23 augustus 1851.
  4. Pieter de Liefde, weduwnaar van Antje Steen, 84 jaar, op 20 januari 1857.
  5. Jannetje de Liefde, gehuwd met Willem de Valk, 53 jaar, op 26 november 1857.
  6. Willem de Valk, weduwnaar van Jannetje de Liefde, 62 jaar, op 17 mei 1864.
  7. Anna Luite, weduwe van Dirk de Liefde, 76 jaar, op 29 april 1876.
  8. Johannes Jacobus de Liefde, gehuwd met Cornelia Versteeg, 68 jaar, op 26 juni 1878.

In het graf vak E nummer 17 (oud nummer 10) van de familie Ter Hart werden ter aarde besteld de stoffelijke overschotten van:

  1. Willem ter Hart, ongehuwd, 28 jaar, op 1 februari 1831.
  2. Gerrit ter Hart, op 6 augustus 1839.
  3. Berendina ter Hart, gehuwd met Jacobus Hoefakker, 45 jaar, op 23 mei 1853.
  4. Gerrit ter Hart, weduwnaar van Magdalena van Maastricht, 84 jaar, op 22 januari 1855.
  5. Gerrit van Hoevelaken, 18 jaar, op 6 december 1855.
  6. Dirkje Johanna Elberdina Olthoff, gehuwd met Huijbert van Mastrigt, 54 jaar, op 18 april 1861.
  7. Willem Huibert van Mastrigt, 15 dagen, op 7 september 1864.

 

Bronnen en literatuur

  • Archief der gemeente Zeist, 1599-1905, inv.nrs. 300, 349, 352, 353, 355, 377, 432, 521, 526, en 533; Gemeentearchief Zeist (GAZ).
  • Archief van Jan Adriaan Jacob Guldensteeden Egeling (1805-1886) e.a., inv.nr. 5; GAZ.
  • Archief van de Hervormde Gemeente van Zeist, 1675-1964, inv.nrs. B 10 en D 16, GAZ.
  • Archief van de Hervormde Gemeente van Zeist, 1675-1964, inv.nrs. B 10 en D 16, GAZ.
  • Archief van notaris Harmanus Pen, inv.nrs. B 001d022, aktenr. 1727, en nr. 448, aktenr. 5747; Het Utrechts Archief.
  • Archief van notaris Jan Cornelis Dwars, inv.nr. U 272j017, aktenr. 263/2466; H.U.A.
  • Doopregister van de Hervormde Gemeente van Zeist, inv.nr. 515; H.U.A.
  • H.J. van Eekeren, De Oude Kerk te Zeist, deel 1, p. 55-58, Zeist 1974.

 


© 2021 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.