Utrecht

Utrecht - De keizerssteentjes in de Dom

 

Op het hoogkoor van de Domkerk in Utrecht bevindt zich het fraaie praalgraf van vice-admiraal Van Gendt. Dit werk van Rombout Verhulst staat in scherp contrast met de tegels die vlak voor het praalgraf in de vloer van het hoogkoor liggen. Menig bezoeker staat bij deze tegels voor een raadsel. In tegenstelling tot andere grafmonumenten in de kerk, zijn deze tegels niet als zodanig herkenbaar. Op het eerste gezicht tenminste. Bij nadere bestudering en met enige kennis van het Latijn, leest men de namen en sterfdata van twee keizers, Koenraad II (1039) en Hendrik V (1125). Maar wat voor een soort grafteken zijn deze steentjes en waarom liggen de keizers begraven in de Domkerk?

Het antwoord op de eerste vraag vindt men in een gebruik dat bij overlijden van belangrijke personen in de Middeleeuwen niet ongewoon was. Wanneer zo'n persoon ver van huis overleed, zou het vervoer van het dode lichaam naar zijn woonplaats te lang duren. Een oplossing hiervoor was het dode lichaam te balsemen. Daarbij werden de ingewanden verwijderd en meestal begraven in de belangrijkste kerk van het bisdom van overlijden. Als dank hiervoor werd de kerk vaak beloond door de familie van de overledene, bijvoorbeeld door de schenking van goederen.
De steentjes zijn dus merksteentjes voor de lokatie van de begraven ingewanden van de twee keizers, zogenaamde keizerssteentjes. De modellering van de dubbelkoppige adelaar en de keizerskroon zijn echter 15e-eeuws. Tijdens de bouw van het transept van de gotische Dom in de tweede helft van de 15e eeuw heeft men de kistjes met de ingewanden verplaatst naar het hoogkoor. De huidige keizerssteentjes hebben dus oudere steentjes of zelfs een mogelijke graftombe vervangen.

Duidelijk zichtbaar zijn de dubbelkoppige adelaar en de keizerskroonDe vraag blijft waarom de ingewanden van deze keizers juist in de Domkerk werden begraven. Het antwoord daarop is te vinden in het conflict tussen keizer en paus, zoals dat ontstond na de dood van Karel de Grote. Het eens machtige rijk raakte verbrokkeld en er ontstond een hevige strijd om de macht tussen staat en kerk. De keizers waren van mening dat de kerk onder hun opperbestuur moest staan, terwijl de kerk deze macht voor zichzelf opeiste.
De keizer benoemde zijn eigen begunstelingen tot bisschop en deze raakten dan ook betrokken bij diens oorlogen en twisten. Om de band tussen keizer en bisschoppen te versterken, bracht de keizer af en toe een bezoek aan zijn leenmannen. Zo ook Koenraad II in 1039. Tegen de Vastentijd kwam hij met zijn hof aan in Nijmegen. Ondanks een ernstige vorm van podagra, liep de keizer in vol ornaat mee in een processie in Utrecht ter gelegenheid van Pinksteren. Hij werd onwel, maar liep desondanks de processie uit. Echter de volgende dag verslechterde zijn toestand. Nadat hij zijn familie bij zich had ontboden, overleed hij korte tijd later. Zijn ingewanden en hart werden begraven in de Domkerk, terwijl zijn gebalsemde lichaam 38 dagen later werd begraven in de Dom van Spiers.
Uit een oorkonde van 21 mei 1040 blijkt dat de zoon van Koenraad II, Hendrik III, als dank voor het begraven van de ingewanden van zijn vader, de Utrechtse kerk de goederen Uffelte, Wittelte en Peelo in het graafschap Drente schonk.

Links is zichtbaar de dubbelkoppige adelaarIn het mausoleum in de Dom van Spiers ligt ook de achterkleinzoon van Koenraad II, Hendrik V, begraven. Ook hij stierf in Utrecht. En ook zijn ingewanden liggen begraven in de Domkerk. De keizer leed al lange tijd aan een kwaal, waaraan hij ook zou sterven. In een oorkonde van 7 mei 1125, opgesteld in Duisburg, verklaarde Hendrik V dat hij door een zware ziekte was aangetast en dat hij zich gedwongen zag te twijfelen aan zijn tegenwoordig leven. Hij beloofde alle kerken in zijn rijk restitutie van de door hem geroofde bezittingen wanneer de dood hem zou sparen.
Aangesterkt vertrok Hendrik V naar Utrecht om daar het Pinksterfeest te vieren, maar op 23 mei overleed hij.

Enkele jaren daarvoor, in 1122, was het Concordaat van Worms tot stand gekomen, wat inhield dat de bisschoppen door de geestelijkheid werden gekozen in het bijzijn van de keizer. De kerkelijke macht kwam weer bij de paus te liggen. De keizer zou de bisschoppen niet meer installeren, maar ze zouden hem wel eer bewijzen. In 1123 zette de keizer de Utrechtse bisschop nog af, nadat tijdens de viering van het Paasfeest twisten tussen troepen van de keizer en de bisschop onrust in de stad hadden gebracht. Dat de keizer na het Concordaat van Worms nog macht had, was duidelijk. Dat hij in 1125 de stad bezocht om het Pinksterfeest te vieren, geeft de bijzondere band aan tussen de Duitse keizers en de stad Utrecht. Aan deze band herinneren de keizerssteentjes ons nu nog. Zoals de vrouw van Hendrik V ook bedoelde bij de schenking van het landgoed Richterich bij Aken aan het Domkapittel: 'Voor het heil der ziel van mijn geliefde heer, keizer Hendrik V, wiens ingewanden daar begraven zijn in het graf, waarin ook die van zijn overgrootvader Koenraad II zijn bijgezet, ter voortdurende herinnering aan deze keizers…..'.(2002)

 

 

Literatuur

  • P. Borst, A. de Groot, J.G. Jonker-Klijn, R. Roks: Graven en begraven in de Dom van Utrecht; Bunnik (1997)
  • H.C. Hazewinkel: De keizersgraven in den Dom in: 'Jaarboekje van "Oud-Utrecht"' (1929)
  • G. van der Zee: Vaderlandsche Kerkgeschiedenis; Kampen (1936)

 

 


© 2020 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.