Maatschappij

Kerbert, Coenraad

 

* Monnickendam, 24 januari 1849 – † Amsterdam, 8 september 1927

 

Wie een bezoek brengt aan Artis, de dierentuin van Amsterdam, denkt niet direct aan grafmonumenten. Toch is er een grafmonument te vinden en wel van Coenraad Kerbert die van 1890 tot 1927 directeur was van Artis.

Hoewel Kerbert na zijn overlijden begraven werd op De Nieuwe Ooster staat zijn grafmonument hier tussen de vele andere beelden in Artis. Ergens onopvallend, in de buurt van de antilopen, staat het grafmonument. Er is dus niemand begraven, maar het monument heeft wel een speciale betekenis voor Artis. Hoe het grafmonument op zijn huidige locatie terecht kwam en wat er met het graf van Kerbert gebeurde is een verhaal dat niet alledaags is. 

Artis

Oude_ingang_Artis_1912De Amsterdamse dierentuin werd onder de naam Natura Artis Magistra in 1838 opgericht door "de drie W's": de heren Westerman, Werlemann en Wijsmuller. De meeste Europese dierentuinen waren tot dan toe privé-bezit. In navolging van de London Zoo die uit 1828 dateerde, wilde ook Artis algemeen toegankelijk zijn, met name voor de gegoede burgerij. Men kon lid worden van de sociëteit en daarmee toegang krijgen tot Artis, zoals de dierentuin al snel in de volksmond werd genoemd. G.F. Westerman, van huis uit boekhandelaar, was de eerste directeur van Artis. Onder diens leiding groeide Artis uit tot een boeiende verzameling van dieren en andere zaken die de leden vaak meenamen uit de Oost. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw kwam Coenraad Kerbert in aanraking met Artis waar hij later zou gaan werken om er uiteindelijk directeur te worden. Kerbert veranderde veel in Artis. Wat niet veranderde, was de beperkte openstelling. In de tijd dat Kerbert directeur werd, was Artis een deftige instelling, in feite een club waar alleen zorgvuldig geselecteerde Amsterdammers elkaar konden treffen. De gewone burgerij mocht de dieren alleen zien op hemelvaartsdag en een paar dagen in september.
Kerbert werd op zijn 41ste directeur. Voordien had hij zich verdienstelijk gemaakt op andere terreinen, zoals we zullen zien. 

Coenraad Kerbert

Kerbert werd geboren op 24 januari 1849 in Monnickendam waar zijn vader, Coenraad sr. Luthers predikant was. In 1847 was Coenraad sr. getrouwd met Antje Zwaardemaker (24 maart 1822) en Coenraad jr. was hun eerste kind. Er volgden nog zeven kinderen, maar vier van hen overleden reeds op jonge leeftijd.
In 1854 ging het gezin in Leiden wonen alwaar Coenraad de lagere school volgde. Toen Coenraad sr. in 1860 curator werd van het Evangelisch Luthers seminarium in Amsterdam verhuisde het gezin naar een woning aan het Spui in Amsterdam. Coenraad ging toen naar de Fransche school in Amsterdam. Vanaf 1861 ging hij naar het Stedelijk Gymnasium en in 1865 naar een particuliere Latijnse school. Die keuze werd gemaakt omdat Coenraad niet al te best in zijn talen zat. Zijn vader dacht dat dit aan de Latijnse school zou kunnen verbeteren. In 1867 werd Coenraad toegelaten aan het Atheneum Illustre dat in 1877 de Universiteit van Amsterdam zou worden. Een van de docenten van Coenraad, dr. Oudemans, zou een grote invloed op Coenraad hebben. Hij was het die met zijn leerlingen tochten in de natuur maakte en ook andere facetten van de biologie aan de orde liet komen. De brede belangstelling voor de natuur en de biologie zal daar een aanvang hebben genomen.
In 1869 ging Coenraad noodgedwongen medicijnen studeren aan de Utrechtse Universiteit. Dat deed hij in combinatie met colleges aan het Atheneum Illustre. De studie medicijnen kon Coenraad toegang geven tot de studie die hij wilde volgen in Leiden. In 1872 was dat moment kennelijk aangebroken en liet hij zich inschrijven als student Philosophia Naturalis met de specialisatie Zoölogie. Die studie stond nog in de kinderschoenen en was het nodig om colleges te volgen in het buitenland. Coenraad ging daartoe naar het Anatomisch Instituut in Leipzig. Tijdens zijn studententijd was Coenraad behoorlijk actief. Zo was hij praeses en quastor van verschillende disputen, richtte zelf een leesgezelschap op en werd in de periode 1871/1872 'commissaris der orde' op het Atheneum Illustre. In die tijd was hij ook praeses van het bestuur van de Sociëteit 'Nos jungit Amicitia' dat gehuisvest was in de gebouwen van Artis. Naast al deze activiteiten was hij ook nog lid van verschillende verenigingen, zoals de Nederlandse Dierkundige Vereniging.
In 1875 deed Coenraad doctoraal examen en een jaar later al promoveerde hij. Zijn proefschrift: 'Ueber die Haut der Reptieliën und anderer Wirbeltiere' werd goed ontvangen en is ook lang als standaardwerk gebruikt. 

Loopbaan

Direct na zijn promotie werd hij waarschijnlijk door professor Berlin naar het Atheneum Illustre gehaald om daar het Zoologisch laboratorium mee te helpen opzetten. Op 15 november 1877 werd hij formeel assistent aan het Zoologisch Laboratorium dat vanaf dat moment onder de Universiteit van Amsterdam viel. Naast zijn werkzaamheden voor de Universiteit werd hij in 1878 ook leraar plant- en dierkunde aan de Gemeentelijke Kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen. Net als zijn docent Oudemans trok hij er veel op uit. Als zodanig gaf hij ondermeer les aan mensen als Eli Heimans en Jac. P. Thijsse. Kerbert gaf aanschouwelijk onderwijs, zoals we dat vandaag noemen, wat toen nog vrij ongebruikelijk was.
Rond 1879 ging Coenraad zich op verzoek van professor Berlin bezig houden met het aquarium van Artis. Berlin had daarvoor van Artis de opdracht gekregen, maar was naar de mening van het bestuur daarin te rigide. Coenraad pakte de zaken anders aan, reisde naar andere aquaria in Europa en ontwikkelde een systeem voor de verversing van het water van de tanks. Ondertussen leerde hij in 1880 Max Weber (1852-1937) kennen die toen eveneens assistent was aan de Universiteit. De vriendschap die ontstond zou Kerbert zijn hele leven vasthouden en hem menigmaal helpen bij lastige zaken.
Op 2 september 1882 werd Coenraad benoemd tot hoofdconservator van het aquarium. Bij de opening van het aquarium enkele maanden later, bleek het een groot succes. Velen wilden de tropische vissen zien en het bezoek aan Artis nam sterk toe. In de jaren daarna werd Coenraad onder andere privaatdocent aan de Universiteit en later lector in de Zoölogie.

In april 1886 trad Coenraad in het huwelijk met Antje Visscher (geb. 17-06-1864) die hij had leren kennen toen zij in huize Kerbert werkte. In februari 1888 werd hun eerste kind, een meisje, geboren en in augustus 1889 werd het gezin uitgebreid met een zoon.

Coenraad was dus veelvuldig te vinden in Artis en leerde daar de weg goed kennen. Of hij goed kon opschieten met de toenmalige directeur is niet bekend. Westerman was vanaf 1842 directeur en droeg, niet lang voor zijn overlijden, een kandidaat aan. Deze bedankte echter waardoor bij het overlijden van Westerman in het voorjaar van 1890 een vacature werd geplaatst voor zijn opvolging. De zes kandidaten die zich daarop meldden vond het bestuur te gering, waarna een extra oproep werd gedaan. Kennelijk had datzelfde bestuur ondertussen ook gesprekken met Coenraad, want hij werd op 16 juni 1890 benoemd als directeur van Artis. 

Kerbert als directeur van Artis

Bij aantreden van Coenraad als directeur was Artis financieel redelijk gezond en populair bij de leden. Om die leden vast te houden moest er echter constant vernieuwd worden. Het ledenbestand bestond voornamelijk uit welvarende burgers uit de gegoede kringen, maar het aantal leden nam gestaag af. Kerbert had zo zijn ideeën over het verbeteren van de toegang voor het gewone volk, maar ondanks een verbetering van de openstelling in de loop der jaren, zou hij een algehele openstelling van Artis niet meer meemaken. De veranderingen in Artis gingen ook onder de nieuwe directeur gewoon door. In 1891 werd begonnen met de aanleg van een tuin waarin een gedenkteken voor Westerman werd opgenomen. In de periode daarna werd veel energie en geld gestoken in het verbeteren van de gebouwen en installaties. In 1901 werd een ijzeren oranjerie gebouwd met plantenkassen. In 1909 kreeg Artis een nieuw apenhuis, een jaar later nieuwe vogel- en reptielenhuizen en in 1916 werd het Minangkabauhuis gebouwd. Dat huisje beoogde een sfeer te creëren waarin de bijbehorende dieren (in dit geval kleine Aziatische hoefdieren) van origine thuishoorden. De uilenruïne die volgde in 1921 sloot aan bij die opvattingen. In 1926 kwam er een nieuw Zoologisch Museum. Dat laatste deed Coenraad samen met zijn vriend Max Weber die in 1892 het beheer over het museum had gekregen. Weber was ook toegetreden tot het bestuur van Natura Artis Magistra waardoor hij veel met Coenraad samen kon bereiken. Samen zetten zij zich ondermeer in voor verbetering van de museale functie van Artis.

GrafmonumentIn 1906 stelde Coenraad de heer Portielje aan als zijn assistent, een gelukkige keuze zo bleek in de jaren daarna. Portielje werd later benoemd tot Inspecteur van de Levende Have van Artis en menig bezoeker dacht dat Portielje de directeur was, zo bevlogen kon hij over Artis vertellen. Dankzij Portielje werd Artis steeds populairder bij bredere lagen van de bevolking. Die bevolking kreeg vanaf 1912 elke zaterdag toegang in de zomermaanden (juli en augustus) en vanaf 1919 werd dat uitgebreid van mei tot augustus. De toegangsprijs was een kwartje en in de loop van de tijd kreeg Artis steeds meer inkomsten uit deze bezoekers en ook schoolgroepen. De leden telden steeds minder en brachten ook minder geld in het laatje. Artis moest dus voor de vele vernieuwingen geld lenen. Ondanks de financiële problemen kreeg Coenraad veel voor elkaar en bleef hij idealist. Dat hij geen zakenman was, was minder relevant maar leidde wel tot problemen, zoals een jarenlange verwaarlozing van tuinen en opstallen. Onder zijn opvolger zijn veel van die problemen aangepakt in samenwerking met de gemeente Amsterdam.
Die opvolging kwam naderbij toen Coenraad in 1924 ziek werd. De operatie die volgde zorgde ervoor dat Coenraad langdurig in het ziekbed belandde waardoor hij depressief raakte. In september 1926 werd hij opnieuw geopereerd. Daarna nam hij zijn werkzaamheden weer waar, maar vaak was hij moe en het kwam voor dat hij achter zijn bureau in slaap viel. In juni 1927 stemde Coenraad er uiteindelijk mee in dat er een opvolger werd aangewezen. A.L.J. Sunier (1886-1974) was al in 1922 door Max Weber voorgesteld aan Coenraad als diens opvolger, maar Coenraad wilde niets weten van een terugtreden. Sunier werd benoemd tot adjunct, maar er bleek amper tijd om hem voldoende in te werken. Coenraad Kerbert stierf op 8 september 1927 in het harnas. Hij zat op zijn stoel in de directeurskamer toen hij overleed. Hij werd enkele dagen later begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats van Amsterdam in een tweede klasse graf op vak 35, nummer 8. Na zijn dood verhuisde zijn vrouw naar Haarlem alwaar zij overleed op 28 januari 1938.

Detail van de panter op de bovenzijde van het grafmonumentOp het graf van Kerbert werd een toepasselijk monument geplaatst dat bestaat uit een hoge opstand van diabas, een duur en harde soort natuursteen, met bovenop een liggende panter. Het grafmonument, dat in 1927 gemaakt werd door de beeldhouwer Samuel Klinkenberg (1881-1970). Klinkenberg maakte een grafmonument dat bestaat uit een opstaande en ruw behakte rechthoekige steen met een afgeschuinde hoek aan de rechterzijde. Die afgeschuinde hoek geeft ruimte voor de rustende poten van de liggende panter waarvan de staart aan de zijkant afhangt. Aan de voorzijde van de opstand is een bronzen plaquette met daarop een toepasselijke tekst aangebracht.

Na zijn dood

Kerbert_TerrasKerbert maakte niet meer mee dat de dierentuinstijl veranderde. Dieren niet meer achter tralies, maar in een zo natuurlijk mogelijke omgeving met rotspartijen en waterpartijen om mensen op de juiste afstand te houden. Dit concept werd in Artis voor het eerst toegepast voor het leeuwenverblijf dat ter ere van Kerbert naar hem vernoemd werd.

Het Kerbert-terras werd in 1928 door architect B.J. Ouëndag ontworpen. Het was geïnspireerd op de "Frei-Anlagen" van Karl Hagenbeck, indertijd directeur van de dierentuin in Hamburg.
In 1990 werd met instemming van de toenmalige rechthebbende het grafmonument overgebracht naar Artis. De overplaatsing vond plaats op 12 december 1990 en het grafmonument werd in Artis geplaatst tegenover het Spiesbokkenperk. Hierdoor kreeg de dierentuin nog een Kerbertmonument. Waarschijnlijk paste deze overbrenging in het beleid dat binnen Artis gevoerd werd om ook beelden tentoon te stellen, maar natuurlijk ook om de naam van Kerbert in ere te houden. In 2002 is het grafmonument, samen met een aantal andere tuinornamenten aangewezen als rijksmonument.

Het huidige grafmonument op het graf van Kerbert.De Nieuwe Ooster heeft na verwijdering van het grafmonumenten met de rechthebbende de afspraak gemaakt dat de bedekking op het graf van Kerbert aangepast zou worden. In 1991 werd op het graf een vrij eenvoudige hardstenen zerk geplaatst in een jaren dertig stijl met een ingekapte tekst voor de naam en de geboorte en sterfdatum van Kerbert. Rondom is een rand aangebracht in hetzelfde materiaal. In het laantje waar het graf ligt, zijn in de loop der tijd veel grafmonumenten verdwenen zodat het grafmonument nu vrij ligt. Feitelijk wordt de nagedachtenis van Kerbert op deze manier op twee plaatsen levendig gehouden.

 

Met dank aan Artis, afdeling Documentatie en medewerkers van De Nieuwe Ooster.

 

Literatuur

  • Sterke, Joop; Coenraad Kerbert, scriptie 1983.

 

Internet

 

 


© 2019 Stichting Dodenakkers.nl | Alle rechten voorbehouden.Website ontwikkeld door Webcase.