Skip to main content

Fryslân


Geschreven: 01 oktober 2003
Aangepast: 27 december 2020
Auteur: Leon Bok
Categorie: Fryslân

 

 

Friesland kent een aantal typische stadsbegraafplaatsen, aangelegd in de negentiende eeuw, met een allure die de steden recht deed. Grootse ingangspartijen en aandacht voor de gebouwen op de begraafplaats, laten een goed verschil zien met de typische Friese dorpskerkhoven.


Geschreven: 01 augustus 2009
Aangepast: 10 januari 2022
Auteur: Leon Bok
Categorie: Fryslân

 

Het armenkerkhof van Opende

Voor veel gemeenten in Nederland veranderde er na 1829 niet zo veel op het gebied van begraven. Er mocht dan wel niet meer in de kerk worden begraven, maar het kerkhof of de wijze van begraven veranderde niet of nauwelijks. Gemeenten waar dit het geval was, zullen in de meerderheid zijn geweest want Nederland telde er toen ruim 1.200. Na 10 april 1869 werd dat voor alle toen bestaande gemeenten (ruim 1.100) wel anders. In de vanaf die datum geldende Wet tot vaststelling van bepalingen omtrent het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten was namelijk opgenomen dat elke gemeente tenminste over één algemene begraafplaats diende te beschikken. Daarmee startte voor grote en kleine gemeenten een traject van plannen, organiseren en aanleggen van begraafplaatsen. Sommige gemeenten interpreteerden de wet zodanig dat ze over algemene graven konden beschikken op een bestaande begraafplaats, maar waar dat niet mogelijk was, moest daadwerkelijk een nieuwe begraafplaats worden aangelegd. Zo ging het ook in de gemeente Grootegast in de provincie Groningen.

 

Grootegast

Op 16 maart 1870 vergaderden B&W van de gemeente Grootegast over de aankoop van een perceel. Dat perceel, 26 are en 40 centiare, was gelegen tussen het dorp Opende en het gehucht Topweer, langs de weg naar Surhuisterveen. Het stuk grond kon gekocht worden voor 200 gulden en zou geschikt zijn om een begraafplaats aan te leggen. Alleen de raad moest er nog zijn goedkeuring aan geven. Die raad kwam op 4 april van dat jaar bijeen en besliste dat het stuk grond geschikt was voor een algemene begraafplaats, voldoende groot was en de prijs niet bovenmatig. Onder voorbehoud van goedkeuring door Gedeputeerde Staten (GS) ging de raad akkoord met de aankoop van het perceel en de aanleg van de begraafplaats.

Op 17 februari 1871 is de begraafplaats kennelijk al aangelegd, want een inwoner van Opende maakte bezwaar tegen de aanleg bij GS. Die laatste informeerde namelijk met een brief van die datum bij de gemeente naar de situatie rond de begraafplaats. Kennelijk bestond er onduidelijkheid over de 50 meter grens tot de bebouwde kom. Het lijkt erop dat GS snel besloten hebben, want al op 3 maart 1871 stond ze de oprichting toe. De bezwaarmaker richtte zich vervolgens tot de Raad van State, maar kennelijk is alles in den minne geschikt want er werd daarna gewoon gebruik gemaakt van de begraafplaats.

 


Geschreven: 24 juli 2009
Aangepast: 26 maart 2022
Auteur: Leon Bok
Categorie: Fryslân

 

Eeuwenlang heeft men in Leeuwarden begraven op de plek waar ook de eerste mensen in deze omgeving kwamen wonen. Dat die eerste mensen hier in de eerste eeuw na Christus zijn komen wonen, is vastgesteld bij het laatste archeologische onderzoek dat hier plaatsvond. Dit onderzoek vond plaats omdat op deze plek een grote ondergrondse parkeergarage wordt gebouwd. Zonder twijfel kan het Oldehoofsterkerkhof worden aangeduid als de oudste en belangrijkste begraafplaats van Leeuwarden. Meer dan 1000 jaar is hier begraven, terwijl nog meer dan anderhalve eeuw daarna de doden (min of meer) op deze plek rusten.

Vroegste geschiedenis

Het gebied waarin het Oldehoofsterkerkhof ligt is onderdeel van een grote terp die in verschillende fasen vanaf de Romeinse Tijd is gegroeid. Al vroeg werd de terp bewoond, zoals blijkt uit sporen van een boerderij uit de eerste eeuw na Christus. Aan het einde van de Romeinse periode was de situatie door de stijging van de zeespiegel langzamerhand onhoudbaar geworden want tot in de vijfde eeuw zijn er geen sporen gevonden. Vanaf de vijfde eeuw zijn er weer sporen van met plaggen gebouwde huizen of gebouwen te vinden. De terp werd steeds verder uitgebreid, er kwamen waterputten en er verschenen meer gebouwen. Rond de negende of tiende eeuw ontstond de noodzaak om een kerk te bouwen. Men heeft altijd gedacht dat hier eerst een houten kerk heeft gestaan, maar daar zijn geen sporen van gevonden. Wat wel werd gevonden zijn de houten paaltjes die dienden als versteviging van de fundering van de Romaanse kerk. Deze uit tufsteen opgetrokken kerk kan wellicht de eerste kerk zijn geweest, maar nader onderzoek moet dat nog uitwijzen. De kerk werd gesticht vanuit het klooster van het Westfaalse Corvey op de terp Oldehove. Het godshuis was gewijd aan St. Vitus en de bewoners zullen al snel hun doden in de kerk en op het kerkhof hebben begraven.
Over het kerkhof in de middeleeuwen is bijzonder weinig bekend, maar we mogen veronderstellen dat hier inderdaad al vroeg begraven werd bij of in de kerk die hier stond. De bouw van de kerk zorgde ervoor dat de bevolking moest uitwijken naar nabij gelegen terpen zoals Nijehove en de Minnematerp, wat allerlei ontwikkelingen in gang zette die uiteindelijk leidden tot de stad Leeuwarden.

Tot de sluiting in 1833

Container vol met stoffelijke resten die opgegraven werden uit oude knekelputten. Het botmateriaal werd uit de stort gesorteerd en vervolgens bijgezet op de Noorderbegraafplaats (foto SHG bouwcombinatie en Vestigia BV)Het kerkhof bij de St. Vitus was niet het enige kerkhof in de binnenstad, maar wel de grootste. In eerste instantie lag het kerkhof rondom de kerk, maar daar kwam in de zestiende eeuw verandering in. Maar aanvankelijk leek de kerk een grootse toekomst tegemoet te gaan. In de twaalfde eeuw bouwde men twee beuken aan de kerk. De muren hiervoor werden gemetseld van grote bakstenen, zogenaamde reuzenmoppen. De vergroting van de kerk weerspiegelde de gestage toename van de bevolking. In de loop van de veertiende eeuw onderging de kerk nogmaals een uitbreiding.
In de jaren 1529-1533 werd gewerkt aan een nieuwe toren waarvan het in de bedoeling lag dat deze met de bestaande kerk verenigd zou worden. Daartoe zou de kerk flink vergroot worden. De geschiedenis besliste echter anders voor de St. Vituskerk. In de zestiende eeuw raakte Leeuwarden betrokken bij de heersende godsdienstconflicten in de Nederlanden. Het katholicisme werd teruggedrongen ten gunste van de hervormde leer. Om de gelovigen beter in de grip te houden, besloot paus Pius IV tot de instelling van kleinere bisdommen, waarvoor ook Leeuwarden werd aangewezen. Het bisdom zou heel Friesland omvatten. In 1564 werd de eerste bisschop benoemd, maar de heersende anti-katholieke stemming weerhield hem naar het noorden af te reizen. Tijdens de afwezigheid van de stadhouder in 1566, gaf het Leeuwarder stadsbestuur toestemming om de St. Vitus in te richten voor de hervormde leer. Het jaar daarop werd op gezag van de stadhouder de kerk echter weer in gebruik genomen voor de katholieke dienst. Het jaar 1569 was wellicht het hoogtepunt voor de kerk, want toen wijdde de nieuwe bisschop, Cunerus Petri, de St. Vitus tot kathedraal. Een jaar later werd de kersverse kathedraal getroffen door een storm en in 1576 nog een keer. Er was nauwelijks geld om de zware schade te herstellen en in 1580 sloeg de balans door ten gunste van de hervormingsgezinden. De bisschop werd kortstondig gevangen gezet, weer vrijgelaten, en verliet Friesland nog dat jaar. Dit betekende het einde van het bisdom Leeuwarden en ook het einde van de kathedraal.
In 1595 werd het schip van de kerk afgebroken, waarbij men alleen de muren liet staan. De plek was echter wel gewild voor begravingen. Rijke Leeuwarders kochten graven binnen de kerkmuren, terwijl op het kerkhof nog steeds de arme stadsgenoten werden begraven.
Aan het begin van de zeventiende eeuw begon het kerkhof kennelijk vol te raken, of men stuitte te vaak op resten van oude graven. Daarom werd in 1613 aan de zuidzijde van de toren een zogenaamde 'benekouw' gebouwd. Op verschillende tekeningen en plattegronden is deze beenderbewaarplaats te zien als een vierkante ommuring. In sommige gevallen lijkt het een huisje, maar vaker wordt het afgebeeld als een eenvoudige bak. Aan de wand van de benekouw werd een gedenksteen geplaatst, waarvan het opschrift luidde:

Och Adams kinderen, bedenk U regt,
Hier legt de Heere bij de Knegt,
Edel, onedel, arm ende rijk,
Zijn alle geworden eerde en slijk,
Als gij nu zijt, zijn wij geweest,
Keert u tot God, dat is u best,
Als wij nu sijn, soo moet gij worden,
Verlaet de zonden, 't zijn swaere borden,
Bereijd U huis en leert nu sterven,
So mogt gij na dit leeven het rijk Gods beërven.

Anno 1613

Situatie op het Oldehoofsterkerkhof in 1622, naar een latere tekening (afbeelding collectie Historisch Centrum Leeuwarden)In de loop der tijd werd het kerkhof meer en meer afgeschermd van de omringende bebouwing. In 1661 werd aan de noordkant van het kerkhof een stenen wal uit de doorgegraven binnengracht, die de Boterhoek van het kerkhof scheidde, opgemetseld. Aan de westzijde werd het kerkhof door middel van een ringmuur van de Torenstraat afgescheiden. Nog in 1843 kenden enkele woningen tussen de noordwesthoek van de Kleine Kerkstraat en het Oldehoofsterkerkhof de aanduiding 'Bij den Sluitboom'. Vanaf deze kant kon destijds via een sluitboom het kerkhof met rijdend materieel worden bereikt.
In 1679 werd aan de oostzijde van het kerkhof een fraaie nieuwe poort als toegang naar het kerkhof gebouwd. Het oorspronkelijke kerkhof bestond uit een noordelijk en een zuidelijk gedeelte, ieder met een afzonderlijke regel- doch doorlopende grafnummering. Het onderscheid tussen het deel tussen de muren en daarbuiten, verdween in 1706 toen het stadsbestuur de muurrestanten liet vervangen door een kring lindebomen. Verder werden alle graven welke niet met zerken gedekt waren met bakstenen bevloerd. In 1752 werd door het stadsbestuur een bedrag van 2.000 gulden uitgetrokken om het gehele kerkhof op te hogen en andere herstelwerkzaamheden uit te voeren. Het aantal graven op het kerkhof werd in 1754 op zo'n 4.700 geschat. In 1786 werd besloten om het Uitsnede van de plattegrond van A. Hansum uit 1822 met het gebied rond het Oldehoofsterkerkhof toen er nog begraven werd. (afbeelding collectie Historisch Centrum Leeuwarden).gehele kerkhof, voorzover de graven niet met zerken waren gedekt, met gele klinkers te bevloeren. Dat hield dus in dat bij elke begrafenis eerst de klinkers gelicht moesten worden en dat na de begrafenis de vloer weer bestraat moest worden!

Nadat Friesland in het najaar van 1826 werd getroffen door een malaria-epidemie met als gevolg een explosieve stijging van het aantal sterfgevallen, werden er eindelijk maatregelen getroffen die het begraven in oude binnensteden onmogelijk zouden maken. Allereerst werden op 13 november 1826 de gemeentebesturen in Friesland 'op last van de Koning' door de Gouverneur aangeschreven, 'om zoo spoedig immer mogelijk, plaatsen buiten de Kerken aan te wijzen, geschikt om de lijken ter aarde te bestellen, en om te zorgen, dat niet meer in de Kerken begraven worde'. Nadat het gemeentebestuur kennis had genomen van dit besluit werd op 9 april 1827 een raadscommissie samengesteld die moest nagaan of het noodzakelijk was om naast het Oldehoofsterkerkhof nog een tweede begraafplaats aan te leggen. Op 28 augustus 1827 - toen de commissie reeds druk met haar onderzoek bezig was - werd andermaal een besluit uitgevaardigd, waarbij het begraven in kerken algemeen werd verboden. Gemeenten met meer dan duizend inwoners dienden zo spoedig mogelijk begraafplaatsen buiten de bebouwde kom aan te leggen. Dit besluit moest voor 1 januari 1829 uitgevoerd te zijn.

Ondanks het feit dat het gemeentebestuur in het geheel niet enthousiast was om geld uit te geven voor een nieuwe begraafplaats - het Oldehoofsterkerkhof was nog geen jaar eerder voor 1.725 gulden verbeterd - werd het laatste besluit doorgegeven aan de door haar ingestelde raadscommissie. Deze bracht in september 1827 verslag uit. Het was haar gebleken dat de lokatie van het Oldehoofsterkerkhof geen nadelige gevolgen voor de volksgezondheid zou hebben. Daarnaast zou het aantal graven op het kerkhof in combinatie met een sterftecijfer van circa 500 per jaar en een gemiddelde 'rottingstijd' van zeven jaar een tweede begraafplaats overbodig maken. Hierop besloten Burgemeester en Wethouders om een verzoekschrift bij de koning in te dienen 'ten einde de thans bij de Oldehoof alhier bestaande begraafplaats voorlopig te mogen behouden'. Dit verzoekschrift wordt op 2 februari 1829 van de hand gewezen, waardoor de raad zich gedwongen zag de burgemeester te verzoeken om een voordracht te doen 'ten aanzien van de plaats waar, en de wijze hoe eene nieuwe begraafplaats aan te leggen'. Hoewel er officieel vanaf 1 januari 1829 geen doden meer binnen de stad mochten worden begraven, was er van enige haast geen sprake. Uiteindelijk werd gekozen om de nieuwe begraafplaats aan te leggen op de terp Fiswerd ten noorden van de Spanjaardslaan. Er zou nog tot 3 juli 1833 op het Oldehoofsterkerkof worden begraven.

Kerkhof in verval en eerste ruiming

In de jaren die volgden, raakte het Oldehoofsterkerkhof snel in verval. Op 25 september 1837 werd door de gemeenteraad besloten tot de sloop van de nabijgelegen Vrouwenpoort en het afgraven van de stadswal tussen de Oldehoofster- en Vrouwenwaterpoort. Hierna zou het hele gebied samen met het Oldehoofsterkerkhof 'tot eene groote beplanting' moeten worden aangelegd volgens een door stadsarchitect Lucas Pieter Roodbaard (1782 - 1851) ontworpen plan. Hiertoe dienden de nog aanwezige grafzerken na toestemming van de eigenaren te worden verwijderd. De graven zelf zouden echter onaangeroerd blijven. In de winter van 1837/38 toog men voortvarend aan het werk, maar dat ging niet helemaal zonder slag of stoot.

Het merendeel van de graven op het Oldehoofsterkerkhof was eigendom van de stad, terwijl vele andere particuliere graven zonder morren werden afgestaan. Het aantal graven dat met zerken was gedekt en waarvan de eigenaren in het grafregister konden worden getraceerd bedroeg 33 in totaal. In het voorjaar van 1838 bereikten alarmerende geruchten over het 'amoveren van graven op het Oldehoofsterkerkhof' het landelijk gelegen Oudeschoot. Hier woonde de oud grietman (benaming voor Friese burgemeester) van Hemelumer Oldeferd, Tjalling Minne Watze van Asbeck (1795-1855). Hem was ter ore gekomen 'dat men op last van de burgemeester van Leeuwarden de hand had geslagen aan het Oudehoofdster Kerkhof, aldaar graven amoverende, doodkisten openende, de doodsbeenderen verroerende etc.'. Van Asbeck nam dit alles zo hoog op, dat hij zelfs Koning Willem I van zijn ongenoegen deelgenoot maakte. Dit werd hem door de Burgemeester van Leeuwarden niet bepaald in dank afgenomen. Deze vond de toonzetting van de brief van groot onfatsoen en gebrek aan respect jegens Zijne Majesteit getuigen, om maar niet te spreken van hoe enorm geschoffeerd het toenmalige gemeentebestuur van Leeuwarden zich moet hebben gevoeld toen zij een afschrift van deze brief onder ogen kreeg. Hoogst verontwaardigd had Van Asbeck de koning laten weten dat hij op 2 mei 1838 de Burgemeester van Leeuwarden door een deurwaarder had laten aanzeggen dat hij als mede-eigenaar van graven en grafkelders protesteerde dat men met de 'amotie' van de graven voortging, waarmee men zonder zijn toestemming was begonnen. Verder eiste hij dat 'men deze liet in status quo en herbragte in dien toestand waarin dezelve waren, als verkiezende dat de rustplaatze van het gebeente of asche zijner voorouders werd onaangeroerd'. Bovendien zouden er volgens Van Asbeck zerken op de graven liggen van de aanzienlijkste en alleroudste Friese geslachten zoals de Dekema's en wel zeer waarschijnlijk van de laatste potestaat (legeraanvoerder) van Friesland Julius van Dekema, van wie hij beweerde in de 15e graad een afstammeling te zijn. Zelfs schroomde Van Asbeck niet om de koning pijnlijk te herinneren aan hetgeen er tijdens de roerige omwentelingsjaren 1795-1798 was gebeurd, namelijk: 'Dat het zwakheid genoemd zoude kunnen worden indien men thans zwijgende bleef, toen men ook in deze zelfde stad Leeuwarden de heiligschennende handen aan de grafplaatzen van het doorluchtig huis van Nassau durfde te slaan en met de overblijfselen van Leeuwarden's weldoeners en weldoensters - uit hunne laatste rustplaatzen op een cannibaalsche wijze gehaald - omsmeet'. Om het gemeentebestuur van Leeuwarden nog een trap na te geven voegde Van Asbeck hier nog aan toe: 'Hetgeen in 1795 geschiedde wordt thans hernieuwd, doch met dit verschil, dat de geest die thans beveelt, destijds misschien zelf handelende werkzaam was'. Het gemeentebestuur werd dus beticht van grafschennis, gepleegd aan de graftombe van de Nassau's in de Jacobijnerkerk. Op 25 mei 1838 deed het gemeentebestuur van Leeuwarden zijn beklag over Van Asbeck bij Gedeputeerde Staten. Zo zouden de gewraakte zerken waar Van Asbeck op doelde nog steeds onaangeroerd op dezelfde plaats op het Oldehoofsterkerkhof liggen. En wat de zerk van de Dekema's aanging - het betreft hier naar alle waarschijnlijkheid de grafzerk voor Pieter van Dekema (†1568) en Catharina van Loo (†1581) die tegenwoordig zit ingemetseld in de zuidmuur van de Oldehove - kon worden aangetoond dat men deze niet had verwijderd, doch slechts had laten verzinken om hem met aarde te bedekken. Overigens was het nog maar de vraag of Van Asbeck nog steeds rechthebbende van het graf was, aangezien niemand zich bij een oproep in 1821 als zodanig had aangemeld. In 1806 zouden 'Eijssinga en Vrouw Lintloo' als eigenaren te boek hebben gestaan. Ook werd bestreden dat men graven zou hebben geschonden. Waarschijnlijk zou Van Asbeck bij geruchte hebben vernomen dat er kisten bloot lagen. Een mogelijke verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat deze kisten reeds voordat men met de werkzaamheden begonnen was boven de grond uitstaken en dat die door de tand des tijds zo waren vermolmd dat ze door een of ander toeval waren opengeraakt. Er zou echter terstond opdracht zijn gegeven om eventuele doodkisten of stoffelijke resten die boven de grond uitstaken opnieuw te bedekken. Ook zou er dag en nacht zijn wachtgelopen om in geval van ongeregeldheden meteen in te kunnen grijpen. Op de gedane beledigende uitlatingen van Van Asbeck wilde het stadsbestuur verder niet ingaan 'daar het zich te zeer beleedigd gevoelt'. Wel was zij van oordeel 'dat deze hoogst onbescheiden aantijging eenen hoon en laster inhoudt, waarover men het recht voorbehoudt om zich bij afzonderlijk adres tot Zijne Majesteit te wenden'. De afloop is geweest dat Van Asbeck's verzoek niet werd ingewilligd en dat B. en W. van Leeuwarden het er wat betreft een strafrechtelijke vervolging wegens smaad uiteindelijk maar bij hebben laten zitten. Hiervoor zou het nodig zijn geweest om het originele verzoekschrift aan de koning aan justitie te overleggen. Dit kon echter niet van Zijne Majesteit worden 'opgevordert'.

Ondanks het verzet van Van Asbeck werden de werkzaamheden uitgevoerd en daarbij werd het knekelhuis, dat op tal van afbeeldingen van de Oldehove en op stadsplattegronden is weergegeven, niet vergeten. Het Leeuwarder gemeentebestuur vermeldde in het aan Gedeputeerde Staten gerichte schrijven inzake de kwestie Van Asbeck de sloop van dit knekelhuis: 'Ten einde de aan te leggen wandelplaats op het Oldehoofdster Kerkhof van het gezigt eener verzameling van menschenbeenderen - die gewis meer dan twee eeuwen in een knekelhuis of beenderenkooi waren bijeengebragt en opgestapeld en hoog boven de muren uitstaken - te ontdoen, deze gelegenheid mede te baat is genomen, om die beenderen in de aan die beenderenkooi belendende gegraven kuilen over te brengen, en met aarde te bedekken, even gelijk zulks in andere Steden en plaatsen bij de ontruiming en vernietiging der knekelhuizen of beenderenkooien is bewerkstelligd'. Daarmee volgde de benekouw hetzelfde lot als honderden, zoniet duizenden andere verzamelplaatsen van beenderen bij kerkhoven. In Nederland zijn deze bijzondere funeraire elementen dan ook nauwelijks meer te vinden.

Kerkhof krijgt andere functies

Nadat eerst in 1838 een wandelpark was aangelegd op het kerkhof, kreeg in het voorjaar van 1862 een deel van het kerkhof een andere bestemming. Het gemeentebestuur had bij haar zoektocht naar een geschikte lokatie voor een te bouwen armenschool het oog laten vallen op het uitgestrekte Oldehoofsterkerkhof. Na het verkrijgen van de Koninklijke goedkeuring, werd het werk op 15 maart van dat jaar voor fl. 17.000,- aanbesteed. Na aanhoudende klachten over stank - 'men meende er den reuk van het oude kerkhof in te bespeuren' - werden na 1878 de klaslokalen stuk voor stuk opengebroken, uitgegraven en opnieuw bevloerd. Het gebouw heeft nog tot 1933 dienst gedaan, de laatste jaren als schippersschool, waarna het werd gesloopt in verband met het aan te leggen bodenterrein. Op dit terrein werd tot 1968 het goederenvervoer in en rond Leeuwarden geregeld, waardoor het vaak een drukte van belang was op het plein.
Tot 1933 had het Oldehoofsterkerkhof er een volle eeuw ongebruikt en nagenoeg verlaten bijgelegen. Alleen het personeel van de aldaar gevestigde lijnbanen zag men er dag in dag uit hun baan achterwaarts aflopen. Verder diende het tot speelplaats voor de kinderen uit de nabijgelegen buurten en graasde er een enkele geit. Bij de opgraving in 1933 worden grote zerken boven de grond gehaald. (afbeelding collectie Historisch Centrum Leeuwarden).Na verloop van tijd was het vlakke terrein echter steeds meer kuilen en gaten gaan vertonen doordat vele vermolmde doodkisten in de ondergrond de last niet meer konden dragen. Met name in het natte jaargetijde bleef het regenwater lange tijd in deze kuilen en gaten staan, waardoor het kerkhof in een onbegaanbare modderpoel veranderde en door iedereen angstvallig werd gemeden.

Pas in 1933 kwam er een eind aan deze situatie. In de maanden juli, augustus en september vonden er grondwerkzaamheden plaats, waarbij het terrein - zij het slechts zeer oppervlakkig - werd afgegraven om het vervolgens met zand te egaliseren en met keien te bestraten. Alleen daar waar riolering moesten worden aangelegd moest dieper worden gegraven. Desalniettemin werden de werkzaamheden met meer dan gemiddelde belangstelling gevolgd door zowel beroepsmatig geïnteresseerden als door de burgerij. Regelmatig deed de plaatselijke pers verslag van hetgeen er aan de oppervlakte kwam. Zo kwamen er enkele oude grafzerken aan het licht, waarvan er in ieder geval één het vermelden waard is. Na eeuwen werd de grafzerk van de beroemde Friese kunstschilder en Franeker burgemeester Jacobus Sibrandi Mancadan ontdekt. De tekst luidde:

'ANNO 1680 DEN 4EN OCTOBER IS IN DEN HEERE GESTORVEN DEN EERSAMEN CONSTRIJKEN JACOBUS MANCADAN, IN LEVEN OLD-BORGEMEESTER DER STEDE FRANEQUER, OUDT 78 JAAR EN LEIT HIER BEGRAVEN'

Het totale aantal gevonden grafzerken viel echter behoorlijk tegen. Waarschijnlijk ging het hier om de in 1837 'vergeten zerken' die eerder reeds onder de grond waren geraakt en daardoor over het hoofd werden gezien. Voor zover kon worden nagegaan waren de doodkisten, op een enkele uitzondering na, compleet vergaan. Maar liefst 33 vrachtwagens vol schedels en beenderen werden afgevoerd naar de oude begraafplaats aan de Spanjaardslaan om aldaar te worden herbegraven. Echter tal van schedels raakten in particuliere handen en dat waren vaak de handen van kwajongens. De zeventiende-eeuwse grafkelder van de familie Bouricius met daarin de grafkisten, in 1933 nog intact (afbeelding collectie Historisch Centrum Leeuwarden).De meest opzienbarende ontdekking vormde wel de zeventiende-eeuwse grafkelder van het patriciërsgeslacht Bouricius. In de kelder werden vier 'spitsverheven', van zes centimeter dik eikenhout vervaardigde, doodkisten gevonden, waarop gegraveerde loden platen waren bevestigd met de namen van de overledenen. De kisten bevatten achtereenvolgens de gebeenten van Jacobus Bouricius 'de oude' (1542-1622), Hector Bouricius (1592-1636), Kempo van Hillema (1618-1653) en Houkje Hillema, de vrouw van Hector. Ook bevond zich nog een kinderkistje in de grafruimte, dat spontaan inelkaar viel toen het naar buiten werd gebracht. Het bevatte echter niets anders meer dan het zeegras dat eens voor het hoofdkussentje had gediend. De kelder werd in 1933 in tact gelaten, zij het dat het boven het straatniveau uitstekende deel van het gewelf werd verwijderd en door een betonnen plaat werd afgedekt.

De heer Tj. Postma uit Veenwouden deelde in 1933, als reactie op de verslaggeving van de opgravingen, mee dat hij in zijn jeugd vaak had horen vertellen dat zijn grootvader samen met diens drie broers, allen schippers, in de eerste helft van de vorige eeuw de zerken van het op te ruimen Oldehoofsterkerkhof hebben Luchtfoto van het bodenterrein op het Oldehoofsterkerkhof in de jaren 50 van de twintigste-eeuw (collectie auteur)opgekocht en naar een of andere zeewering in Friesland hebben vervoerd. Tenslotte ging het Oldehoofsterkerkhof in juli 1968 voorlopig voor de laatste maal op de schop. Dit ten behoeve van een reconstructie van het plein, die speciaal tot doel had aanpassing te verkrijgen bij de moderne bebouwing in deze omgeving. Nu werd echter behoedzamer te werk gegaan. Tijdens het archeologisch onderzoek kwamen de fundamenten van twee kerken te voorschijn, namelijk die van de in 1595 gesloopte St. Vituskerk en zijn uit plusminus de elfde eeuw daterende tufstenen voorganger. Ook dit keer werden nog enkele grafmonumenten, sarcofagen en andere herinneringen aan het kerkhof gevonden. 

Het kerkhof verdwijnt definitief

Kleine grafsteen die werd aangetroffen bij de opgravingen in 2005 (foto SHG bouwcombinatie en Vestigia bv).In 1999 verscheen het voorgaande verhaal, in grote lijnen, in een boekje dat uitgegeven werd ter gelegenheid van de Open Monumentendag. Die was dat jaar gewijd aan het begraven en de begraafplaatsen van Leeuwarden. Aan het eind van het verhaal werd in het boekje destijds verontrust gereageerd op de plannen die net bekend waren gemaakt voor het Oldehoofsterkerkhof. Gevreesd werd dat de plannen voor de bouw van een parkeergarage geheel voorbij zouden gaan aan het bodemarchief.
Eind 2004 werd de eerste schop in de grond gezet voor de te bouwen parkeergarage onder het voormalige kerkhof. Niet lang daarna gingen op het terrein de archeologen aan de slag. Het terrein kon telkens voor een deel onderzocht worden, terwijl direct daarna verder gebouwd werd aan de parkeergarage. De restanten van het laat middeleeuwse grafveld werden tijden de opgravingen niet Bovenzijde van een grafkist die werd aangetroffen bij de opgravingen in 2005 (foto SHG bouwcombinatie en Vestigia bv).onderzocht. De aandacht ging met name uit naar de ontstaansgeschiedenis van de terpenreeks op deze plek. Uiteraard stuitte men bij de graafwerkzaamheden op veel zaken die te maken hadden met het oude kerkhof.

Zo werd ook voor de tweede maal de grafkelder van de familie Bouricius blootgelegd. Dit keer werden de restanten van de kelder geheel verwijderd om onderzoek te kunnen doen aan de hieronder gelegen terplagen.

Bij de opgravingen kwamen verder een woonstalboerderij uit de Midden Romeinse periode aan het licht. Van het kerkhof trof men grote hoeveelheden beenderen aan die er op duiden dat de benekouw alleen niet genoeg was voor de botten van duizenden doden die hier in de loop der eeuwen begraven werden. Alle gevonden botresten zijn overgebracht naar de Noorderbegraafplaats.

De situatie tijdens de bouw van de parkeergarage (still van de webcam d.d. 5 maart 2006)Vanaf eind 2006 kan men in de parkeergarage de auto parkeren op de plek waar honderden jaren lang talloze Leeuwarders hun laatste rustplaats vonden. Een rare gedachte, maar tweeduizend jaar geschiedenis van deze plek laat zien dat de ontwikkeling nooit stilstaat.

 

 

In 1999 verscheen een verhaal over het Oldehoofsterkerkhof in het boekje dat toen uitgegeven werd ter gelegenheid van de Open Monumentendag. Sindsdien is er het nodige gebeurd met het Oldehoofsterkerkhof vanwege het feit dat hier nu een parkeergarage is gebouwd. Die gebeurtenis en het artikel waren daarom in het voorjaar van 2006 aanleiding voor een lezing en een nadere bewerking van het verhaal voor dodenakkers.nl.

 

 

Met dank aan: Klaas Zandberg van het Historisch Centrum Leeuwarden en Jan-Willem Oudhof, stadsarcheoloog bij de gemeente Leeuwarden.

 

Literatuur

  • Eekhof, W., Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden van den vroegsten tijd tot den jare 1846, originele uitgave uit 1846, herdruk 1967 Leeuwarden.
  • Zandberg, Klaas (eindredactie), 'Hier wordt U, voor gij sterft, een lusthof aangeboden'. Begraven en begraafplaatsen, uitgave Open Monumentendag 11 september 1999, Leeuwarden

 

Internet

 

 


Geschreven: 23 juli 2009
Aangepast: 10 januari 2022
Auteur: Leon Bok
Categorie: Fryslân

 

vijf_kinderenHoe diep kan verdriet zijn? Peilloos, maar wat is daar voor nodig? Iedereen kan dan wel wat bedenken, maar concrete voorbeelden, daar denken we liever niet aan. Laat staan aan de aanleiding voor zulk verdriet. Veel van die concrete aanleidingen zijn te vinden op begraafplaatsen. Ontelbare dierbaren: echtgenoten, ouders, kinderen, broers en zussen, weggerukt uit het leven, te vroeg gestorven, soms na een ondraaglijk lijden. De troost is onvoldoende om het verdriet te doen verminderen en de hoop op eeuwige rust kan het ook niet doen vervagen. Op het kerkhof van Bears in de huidige gemeente Littenseradiel is zo'n ondraaglijk verdriet letterlijk zichtbaar gemaakt in een rijtje grafstenen. Een van de grafstenen vermeldt het jaartal 1860, maar is waarschijnlijk zelf wat minder oud. Op de steen staan vijf namen vermeld, allen kinderen van Pieter Hanzes Bosma en Janke Bruins van der Hem, die zelf hier ook liggen begraven. Achter dat aantal en dat jaartal zit een onbeschrijflijk verdriet verborgen. Alleen de feiten kunnen verteld worden.

 


Geschreven: 23 juli 2009
Aangepast: 27 maart 2022
Auteur: Dirk Swierstra †
Categorie: Fryslân

 

Het voormalige armendeel van de begraafplaatsIn 1884 was Leeuwarden een van de grotere steden in Nederland. Er woonden toen bijna 70.000 mensen wat voor die tijd al een behoorlijk aantal was. Net als in zoveel andere steden heerste armoede aan de ene kant en rijkdom aan de andere. In een dergelijke stad gebeurden zaken die ons ook vandaag de dag nog bekend voorkomen. Wie kent bijvoorbeeld niet het verhaal uit 2005 van de "pianoman" in Engeland? De man was stom en niemand wist wie hij was. In 1884 vond een dergelijke gebeurtenis ook in Leeuwarden plaats, echter met een meer dramatische afloop.


Geschreven: 22 juli 2009
Aangepast: 10 januari 2022
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Fryslân

 

Het bezoek, dat Paus Johannes Paulus II in 1985 bracht aan Nederland, wekte niet dat enthousiasme, dat de oproep van Paus Pius IX in de 19e eeuw wel deed. Hij vroeg toen jonge mannen de Kerkelijke Staat te komen verdedigen. Met name onder de Nederlandse katholieken was het enthousiasme groot. Dat bleek wel uit het contingent Nederlanders in het regiment der zogenaamde Zouaven. Dat contingent telde ruim 3000 man.

 

De Kerkelijke Staat

Om iets te begrijpen van de Kerkelijke Staat moeten we terug in de geschiedenis. In de 8e eeuw hebben de moslims een deel van Spanje in handen en is de rest van Europa uiteengevallen in drie machtsblokken. Het Oost-Romeinse rijk (Byzantium) met Constantinopel als hoofdstad omvatte Turkije, grote delen van de Balkan, Ravenna, Rome, Zuid-Italië en Sicilië.


Geschreven: 08 november 2003
Aangepast: 05 januari 2022
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Fryslân

 

KlokkenstoelEen tekening uit 1722 toont de ruïne en de klokkenstoel te Brongerga in het Schoterland. Voor het eerst wordt Brongerga als dorp genoemd in 1408. De kerk, gewijd aan de heilige Agatha, moet in de zeventiende eeuw al in verval zijn geraakt. Oude kaarten uit de zeventiende eeuw geven het al als vervallen kerk aan. Nu treffen we alleen nog de klokkenstoel aan op het kerkhof, waar een oude zerk het jaartal 1711 vermeldt. Het kerkhof ademt een rijke historie, zoals heel Oranjewoud.


Geschreven: 23 juli 2003
Aangepast: 10 januari 2022
Auteur: Leon Bok
Categorie: Fryslân

 

Graf_04_regel_25_nummer_8Oude begraafplaatsen, oude grafmonumenten en van die laatste vooral veel en in allerlei vormen. De namen op die zerken zeggen ons meestal niet zoveel, behalve wanneer het gaat om bekenden. In veel gevallen zit er een verhaal achter een grafmonument dat niemand kan vermoeden. Zo ook met bovenstaand graf op de Oude Stadsbegraafplaats in Leeuwarden, afdeling 4, regel 25, graf 8. De namen van de overledenen op dit grafmonument wijzen er op dat hier twee personen liggen begraven. De eerste die volgens de steen hier begraven ligt is Antje Wilhelmina van der Zee, geboren te Hilversum in 1881 en overleden in Leeuwarden in 1918. Misschien was ze slachtoffer van de Spaanse Griep? Hilles de Vries, officieel Jelle geheten was kennelijk haar echtgenoot. Hij overleefde zijn vrouw bijna 25 jaar! Maar het verhaal van dit graf is daarmee niet verteld.

Daarvoor gaan we terug naar Leeuwarden in de nacht van zaterdag op zondag, en wel die van 6 juli 1890. Overdag was schipper Minne Wielenga met zijn praamschip aangemeerd aan de Sneekerkade in de stad. Die nacht sliep hij met zijn vrouw Jaaike en zeven kinderen in het vooronder van zijn schip dat diep in het water lag omdat het een lading klei aan boord had. In de krant van dinsdag 8 juli kon men lezen hoe het relaas verder ging:

"Omstreeks 1 uur in den nacht werd hij door zijn vrouw gewekt, daar het hevig stormde en zij meende, dat er gevaar voor het schip was. De schipper ijlde naar boven en wilde de praam naar de overzijde der vaart duwen, om zoodoende meer beveiligd tegen den stormwind te zijn. Terwijl hij hiermede bezig was en zijne vrouw met twee andere kinderen ook boven was gekomen, zonk het vaartuig, dat met klei diep geladen was, eensklaps in de diepte weg. Inmiddels waren twee schippers, die daar in de buurt lagen, op het angstgeschrei te hulp gekomen, zij slaagden er slechts in den schipper en twee kinderen, een jongen en een meisje te redden. De moeder met twee der kinderen zagen zij op eens verdwijnen, en door het hevig stormweder op dat oogenblik bleven alle verdere middelen tot redding vruchteloos. Twee andere kinderen, die in het schip waren gebleven, zijn waarschijnlijk slapende verdronken. Den toestand van den vader te schetsen, die daar zoo eensklaps zijne vrouw en vier kinderen zag verloren gaan, is niet mogelijk. De vrouw werd al spoedig in de nabijheid van het gezonken vaartuig opgevischt, terwijl het jongste kind, dat zij op den arm droeg, gisteren in den loop van den dag in het naburige Huizum kwam aanspoelen. Het vaartuig werd gisteren namiddag boven water gehaald, waarbij bleek, dat slechts het lijk van één kind in het vooronder aanwezig was, zoodat nog twee kinderen werden vermist. Volgens een later door ons ontvangen bericht is later nog het lijk van een der kinderen opgevischt. Er ontbreekt nu nog een meisje van drie jaren."


Er had zich die nacht een vreselijke ramp afgespeeld in Leeuwarden. Dat het jongste kind, destijds 10 maanden oud, kwam aanspoelen in het naburige Huizum toont dat de stroming in het kanaal groot was. Dat zal ook de reden zijn dat de driejarige Maaike pas na drie dagen gevonden werd. In de krant van donderdag 10 juli 1890 was een bericht te lezen over de begrafenis van de doden. In de ochtend van 9 juli werden de schippersvrouw en drie van haar kinderen begraven op de vierde afdeling van de algemene begraafplaats. Het was volgens de correspondent een aandoenlijk gezicht: "die vier doodkisten en daarachter de treurende vader met de hem overgebleven drie kinderen twee jongens van 10 en 12 jaar en een meisje van 13 jaar".
Bij de open groeve sprak dominee P.J. Romijn over de noodlottige nacht, om daarna de bedroefde man en diens kinderen "op te wekken tot onderwerping in hun droevig lot". Er waren veel mensen aanwezig bij de begrafenis die volgens het bericht in de krant allen innig bewogen waren, zowel door de treurige plechtigheid zelf, als door de toespraak van de dominee. Kort voor de begrafenis was ook het lijkje van de driejarige Maaike in een van de grachten gevonden. Haar stoffelijk overschot werd een dag later, de tiende juli, begraven in hetzelfde graf als haar moeder en broertjes. Vijf leden van één familie in een graf. De moeder 39 jaar oud, Sjoerd van 8, Jan van 6, Maaike van 3 en baby Hendrik, nog maar 10 maanden oud.

Daarmee is het verhaal achter het grafmonument op de vierde afdeling eigenlijk nog niet af, want in het graf vonden nog meer Leeuwarders hun laatste rustplaats. Als eerste vond op 1 juni 1857 Wiebe Boorsma hier zijn laatste rustplaats, 20 jaar oud. Twee weken later volgde het lijkje van Antje Meijer, slechts vijf maanden oud. Een dag later nog een baby, de 9 maanden oude Japke de Vries. Op 23 juni 1857 werd Rudolf Graatsma hier begraven, 15 jaar oud. Hiermee was het graf voor lange tijd vol. Een eenvoudig teken zal het graf hebben gedekt. In 1875 werden weer drie lijken begraven. Als eerste Jan de Vries, 33 jaar oud op 19 april 1875. Daarna volgden aan het eind van de maand nog twee baby 's, Johannes van Lingen van 5 maanden en Maria Frenken van 10 maanden. Daarna volgde in 1890 de vier kinderen en hun moeder die in de nacht van 5 op 6 juli het leven lieten. Jaren later werd het graf door de familie De Vries gekocht, waarschijnlijk om het stoffelijk overschot van Antje Wilhelmina van de Zee te kunnen begraven. Haar man werd als laatste in het graf op 16 juli 1943 begraven. Zou hij geweten hebben met wie hij deze plek deelde en zou hij de verhalen hebben gekend?

Veertien stoffelijke overschotten op één plaats begraven. Wat zegt dan dat ene grafmonument met slechts twee namen. Zo gaat het met vele graven, zij rusten in anonimiteit...

  

Met dank aan Dirk Swierstra

 

Literatuur

  • Bericht in de Leeuwarder Courant van dinsdag 8 juli 1890
  • Bericht in de Leeuwarder Courant van donderdag 10 juli 1890

 


Geschreven: 13 juli 2003
Aangepast: 07 januari 2022
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Fryslân

 

* Britsum, maart 1641 - † Den Haag 17 maart 1704

 

Tegen de bosrand van het voormalig lusthof Meerenstein van Menno van Coehoorn ligt op een verhoogd kerkhof de hervormde kerk van Wyckel (Friesland). Een robuuste toren met zadeldak rest van wat ooit een veertiende eeuwse kruiskerk was. Nu zoekt een zeventiende eeuwse zaalkerk als het ware bescherming bij de machtige toren, uit wiens galmgaten de sonore klanken komen van een luidklok uit 1388. De tekst op de klok maakt ons duidelijk, dat we te maken hebben met een kerk gewijd aan Sint Gregorius. Gregorius de Grote, later bekend als Sint Gregorius, was paus van 590 tot 604. Hij stichtte zeven kloosters, die je wel vestingwerken van geestelijk leven kunt noemen. Gregorius was het ook, die de basis legde voor de wereldlijke macht van het Pausdom.

Grafmonument Menno van CoehoornIn de kerk van Wyckel, gewijd aan deze stedehouder van Christus op aarde, bevindt zich het praalgraf van Menno baron van Coehoorn, dienaar van de stadhouder der Republiek. Een marmeren praalgraf naar het ontwerp van Daniël Marot (1663-1752), uitgevoerd door de Amsterdamse beeldhouwer Pieter van der Plas (1647-1708).

Op een zwartmarmeren sarcofaag, versierd met een in reliêf gebeeldhouwde belegeringsscène, ligt de krijgsman te midden van een aantal krijgsattributen. Achter hem een rood geaderd marmeren obelisk met banieren en het in 1795 zwaar beschadigde familiewapen.

Voor de sarcofaag een omfloerst schild met opschrift, waarvan een oudhollandse vertaling van de Latijnse tekst luidt:

"Ter gedachtenisse van den hoogadelen, dapperen,vroomen, gelukkigen en manhaften Veldheere,

MENNO baron VAN COEHOORN

Lieutenant-generaal van het voetvolk, gouverneur van Staats-Flaanderen en de sterkten aan de Schelde; vanwegens hun hoogmogende de Staaten der Verenigde Nederlanden, opperbestierder van de werken en vestingen, beneffens het geschut en verdere krygsgereedschap; die de hoogste eerbewyzen en Detail grafmonumentbelooningen van dapperheid, hem door de grootste vorsten van Europa op gedraagen, minder schattende dan zyn vaderland, hetzelve 47 achtereenvolgende jaaren in de kryg heeft gediend, en na het doorworstelen van zoveel arbeid en moeite, hoogbejaard en overlaaden met krygseere, Godzaliglyk in Christus ontslaapen is, op den 17 van Lentemaand des jaars 1704, in het 63-ste jaar van zynen ouderdom, hebben kinders, aan dien besten der vaderen grootelyks verpligt, en door zyn afsterven hartelyk bedroefd, dit Gedenkteken ter plaatse zyner begraavenisse opgericht en toegewijd."

Wie dit schild nader beschouwd, ontdekt dat de adellijke titel is weggekrast. Dit op last van de Franse overheid in 1795.

 Toestand van het grafmonument

In 1982 onderzocht de architect J.W.C. Besemer het grafmonument en concludeerde destijds dat het grafmonument hard aan restauratie toe was. Naast vuilophoping was het duidelijk dat in het verleden vaak water was gebruikt bij het schoonmaken. Dit heeft roestvorming veroorzaakt aan de aanwezige verankering. Ook een nogal hardhandige wijze van verwijderen van spinrag met een ragebol had schade veroorzaakt aan kleine, fragiele onderdelen van het monument. In de loop der tijd waren ook diverse reparaties aan het monument uitgevoerd, niet altijd op professionele wijze. Het grafmonument is verankerd aan de muur van de koorsluiting met behulp van smeedijzeren ankers. Besemer zag in 1982 dat jarenlange lekkages sterke corrosie hadden veroorzaakt aan deze ankers. De uitzetting die daarmee gepaard ging, veroorzaakte zelfs scheuren in de muren. Samen met zettingsscheuren van de muur door funderingsproblemen leverde dit een zeer ongunstig beeld op. Naast deze problemen constateerde Besemer ook dat de vochtproblemen hadden geleid tot het uittreden van kalk- en steenzouten op het monument zelf. Daardoor trad onder andere aan de roodmarmeren onderdelen van de obelisk een sterke verwering op.

GrafmonumentKort na 1982 zijn de lekkages verholpen en bij de restauratie van de kerk is de muur en de verankering van het monument hersteld. Daarmee waren echter de problemen van de fundering van het monument nog niet opgelost. Ook daarover rapporteerde Besemer al in 1982. De fundering was volgens Besemer aangebracht op een vaste ondergrond hetgeen volgens hem zou kunnen wijzen op een meer omvangrijke fundering of zelfs een overwelfde kelder. Sporen van een kelderingang of van een luik vond Besemer echter niet en ook bij de latere restauratie zijn daarvoor geen aanwijzingen gevonden. Het gewicht van het gehele monument werd door Besemer geschat op 5 à 6 ton, en hoewel deels verankerd aan de muur, rust dit gewicht grotendeels op een fundering waarvan de omvang en constructie onbekend zijn. Het monument scheen destijds geen druk uit te oefenen op de fundering van de kerkmuren zelf, maar wel op de eigen fundering. Hierdoor was het monument aan de linkerzijde verzakt zodat onderdelen onder druk kwamen te staan.

Bij de latere restauratie is grote aandacht besteed aan de fundering van de kerk en zijn de zettingscheuren en de verankering, zoals gezegd, hersteld. De suggestie van Besemer om daarbij ook de fundering van het grafmonument van Menno van Coehoorn te verbeteren is daarbij waarschijnlijk niet uitgevoerd. Vandaag de dag is voor een eenieder goed te zien dat er aan de linkerzijde schade optreedt aan de marmeren pootjes van de sarcofaag waar de gisant van Menno van Coehoorn op ligt.

Wie was deze Menno van Coehoorn?

Hij werd geboren in 1641 als zoon van een beroepsmilitair. Zijn vader had de rang van kapitein. Menno liet al snel blijken in de voetsporen van zijn vader te willen treden, kreeg onderricht in het krijgswezen en studeerde wiskunde en vestingbouwkunde aan de hogeschool te Franeker. Op negentienjarige leeftijd was hij al kapitein bij een infanterieregiment. Bij de inname van Maastricht tijdens de oorlog 1672-1678 door de Fransen raakte Menno ernstig gewond, maar vocht weer mee in de slag bij Seneffe en werd kort daarop bevorderd tot majoor. Bij de belegering van Grave, waaraan hij deelnam, ontmoette hij stadhouder Willem III. Op hem maakte hij indruk door zijn uitvinding van de Coehoornmortier. Een draagbaar stuk geschut, dat zeer bijdroeg aan de vuurkracht van de infanterie. Van infanterist ontwikkelde hij zich tot artillerist en ingenieur. Voorstander van verrassingsaanvallen ook als er een vesting te verdedigen was, hield hij zich steeds meer bezig met theorieën over vestingbouw. In 1682 verscheen zijn eerste publicatie op dit gebied, drie jaar later gevolgd door: Nieuwe vestingbouw op een natte of lage Horisont. Het systeem van verdediging, dat hij presenteerde, werd bekend als het Nieuw-Nederlands stelsel.

Groot respect genoot Van Coehoorn bij zijn tegenstanders. Toen tijdens de Negenjarige Oorlog Namen door de Fransen werd ingenomen en zo werd versterkt, dat het niet meer in te nemen zou zijn, werd een fort uit respect voor de Nederlandse vestingbouwer Coehoorn genoemd. Maar Namen werd heroverd en Van Coehoorn's optreden daar bezorgde hem bevordering en de titel van baron. Als ingenieur-generaal van de fortificatiewerken stond Van Coehoorn voor een geweldige uitdaging. Een nieuwe oorlog met de Fransen lag in het verschiet. De grenzen van de Republiek moesten veilig worden gesteld. Het eerste wat hij deed was een soort Dienst van Genie opzetten, die werd ingezet voor het werk, dat moest worden uitgevoerd. Steden werden versterkt volgens zijn inzichten. Waar niet geïnundeerd (onderwater-zetting) kon worden, werden forten gebouwd. Tijdens al die werkzaamheden brak in 1702 de Spaanse Successieoorlog uit. De Fransen rukten op naar de Republiek, maar Van Coehoorn's werk was niet vergeefs geweest, ze werden tegengehouden en teruggeslagen.

In 1704 stierf Menno baron van Coehoorn een natuurlijke dood. Aan weerszijden van het praalgraf van Menno van Coehoorn treffen we grafstenen aan van Menno's zonen Hendrik Casimir (overleden in 1756) en Gozewijn Theodoor (overleden in 1736). En stenen voor een schoonzoon van Gozewijn Theodoor van Coehoorn, Frederik Willem van Limburg Stirum (overleden in 1747) en Menno's dochter Geertruyd Alegonde (overleden in 1737). 

 

Literatuur

  • Monumenten in Nederland Fryslân, Rijksdienst voor de monumentenzorg; Zwolle (2002)
  • De Herv. kerk te Wyckel, uitgave Hervormde Gemeente (z.j.)
  • Vestingen in Nederland, ANWB (1998)
  • Kunstreisboek voor Nederland, Amsterdam (1969)
  • Kijken naar Monumenten in Nederland (2e boek), Rijksdienst Monumentenzorg, (1982)
  • Beeldengids Nederland, Mirjam Beerman e.a.; Rotterdam (1994)
  • Rapport Algemene toestand van het grafmonument, ing. J.W.C. Besemer, 1982