Skip to main content

Als bloemen bij het graf


Geschreven: 09 juni 2020
Aangepast: 26 december 2020
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf


Jan Oosting, geboren 15 januari 1883, overleden 6 mei 1902

Hij werd in t bloeien
afgesneden,
Voorbeeldig werkzaam,
zacht van aard.
De ouders missen
hem van ’t viertal,
De liefling was te
goed voor d’aard.
De schulp rust

hier in ’t somber graf,
De ziel bij God
die ’t aanzijn gaf.

Grafdicht Jan Oosting, Oostwijtwerd.Jan Oosting was schoenmaker, net als zijn vader, zijn broer Pieter en zijn grootvader van vaderszijde. Het werk zal hoofdzakelijk hebben bestaan uit het weer herstellen van schoenen. Schoenen gingen immers in vroeger tijden een mensenleven lang mee. Schoenen waren duur en men was er dus zuinig op. Schoenmaken was een gewaardeerd ambacht. Doen wat zijn vader deed, daarvoor koos Jan Oosting. En het vak beoefende hij met inzet, zoals we kunnen opmaken uit de derde regel van het grafdicht: voorbeeldig werkzaam

Een zachtaardige jongen, die maar 19 jaar oud werd. In ’t bloeien afgesneden luiden de eerste regels. Zien we op de zijde van het grafdicht een gevleugelde zandloper als symbool van de vergankelijkheid, op de voorzijde van de stèle zien we als grafsymboliek de gevallen twijg aan de voet van de stam. Het grafdicht vermeldt Jan als één van de vier kinderen van het echtpaar Oosting- Bolsman. Hij was de jongste. Het zouden er echter vijf geweest kunnen zijn als deze vijfde bij de geboorte ook al niet gestorven was, naamloos op 18 februari 1886, zoals blijkt uit de geboorte- en overlijdensakte.

Welke gedachten gaan er schuil achter de dichtregels: De liefling was te goed voor d’aard? Moeten we deze woorden duiden in het licht van de laatste dichtregels of zag men in Jan een jongen die nauwelijks opgewassen zou zijn tegen de hardheid die het bestaan nu eenmaal ook met zich meebrengt? Daarop zou ook de dichtregel zacht van aard kunnen wijzen. Spreekt de voorzijde van de stèle van het stoffelijk overschot, in het grafdicht wordt het lichaam dat hier begraven ligt poëtischer geduid als de schulp, de schelp. Zoals een schelpdier de schelp verlaten heeft, zo heeft de ziel het lichaam verlaten en rust bij God, die, zoals de dichtregel zegt, ’t aanzijn gaf.

De stèle op het graf van de moeder van Jan is ook voorzien van een grafdicht.

Vol van zorgen
vol van smarten
Was haar leven
hier beneden,
Tot het den
Heer behaagde,
Haar van onze
zijde weg te nemen.
De rijkste troost,
die zij ons gaf
Is, dat Jezus
hare Heiland was.

Grafdicht Hilje Bolsman, Oostwijtwerd.Hilje Oosting-Bolsman is op 26 september 1843 geboren te Leermens en overleed op 13 september 1911 te Oosterwijtwerd. Het jonge overlijden van haar zoon Jan en het naamloos doodgeboren kindje, ze vormen ongetwijfeld de bron van zorgen en smarten waar het grafdicht van spreekt. Want wat is er aan het overlijden van Jan vooraf gegaan? Mogelijk een ongeneeslijke ziekte? En wat was de oorzaak van de dood van het kindje dat niet levensvatbaar bleek? Heeft Hilje geleden aan een ziekte tijdens de zwangerschap? Of heeft het allemaal zo diep ingegrepen in de rest van haar leven, dat verdriet de boventoon is blijven voeren?

Hilje Bolsman heeft het zwaar gehad, maar ze heeft de nabestaanden de troost gegeven van haar geloof. Het geloof, dat ze van huis uit zal hebben meegekregen. Weliswaar zal het er bij haar geboorte niet feestelijk aan toe zijn gegaan. Haar moeder Anna Gillis Veendijk, dochter van de schoolmeester van Leermens, 26 jaar oud, werd zwanger van Theodor Lucas Bolsman, 45 jaar oud, afkomstig uit Beesten (Koninkrijk Hannover), toen ze nog niet getrouwd waren. Ruim drie maanden na haar geboorte trouwde het paar op 3 januari 1844 en werd Hilje geëcht, zoals de akte vermeldt. Van de grootvader van Hilje weten we dat hij, Gillis Egberts, al op 13-jarige leeftijd schoolmeester werd als opvolger van zijn vader toen deze overleed in 1803. Was de laatste naast schoolmeester ook koster en organist, Gillis werd in 1806 benoemd tot voorzanger. De kerk bezat op dat moment geen orgel meer. Het oude orgel was gesloopt. In 1807 moest Gillis, reeds enige jaren werkzaam als schoolmeester, alsnog een examen doen. Hij slaagde en werd schoolmeester in ”den derden rang”. In 1860 nam hij afscheid van de school, die tot die tijd slechts uit één lokaal bestond. Tijdens zijn gouden jubileum in 1854 werd er uitgebreid feestgevierd, waarbij de kinderen de toespraken afwisselden met het zingen van een aantal gezangen (uit de bundel 1807) en psalmen. De band tussen school en kerk was in die tijd nog heel sterk. De naam Veendijk nam Gillis Egberts als geslachtsnaam aan in de Franse Tijd. Veendijk was een buurtschap bij het dorp Siddeburen waar Egberts vader vóór Leermens schoolmeester was geweest. Wat de laatste regels van het grafdicht betreft, geloof en leven van de grootvader zullen zeker  hebben doorgewerkt in het leven van Hilje Oosting-Bolsman.


Geschreven: 29 april 2020
Aangepast: 01 mei 2020
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf

 

Op de rooms-katholieke begraafplaats van Uithuizen werd hij begraven: Cornelis Gerhardus Georgius Bos. Geboren op 17 maart 1915 te Uithuizermeeden, werd hij op 25 april 1944 in het Groninger Zuidwolde doodgeschoten door de SD-handlanger Jan Ale Visser. De aanslag met dodelijk gevolg op de fanatieke NSB’er, oberleutnant bij de Germaanse SS en chef Bijzondere Recherche Jannes Luitje Keijer, leidde tot een represaille die onder anderen Kees Bos het leven kostte.


Geschreven: 21 maart 2020
Aangepast: 23 maart 2020
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf

Grafdicht op de stèle van Johannes Kraaima (1846-1890)

De stèles voor de gebroeders KraaimaDe begraafplaats van het Groningse Sint Annen, gesticht in 1874, bevindt zich even buiten het dorp aan de weg naar Thesinge. Een enkel graf is getooid met een grafdicht, maar vaak niet meer goed leesbaar. Een paar graven valt op door een hekwerk. In een dubbelgraf, voorzien van hekwerk, liggen de ongetrouwde broers Kraaima. Het waren landbouwers. Jan Kraaima, geboren op 23 januari 1842, overleed 30 maart 1920.  Zijn stèle met funeraire symboliek is niet voorzien van een grafdicht. Dit in tegenstelling tot dat van zijn broer Johannes. Johannes werd geboren op 19 november 1846 en overleed op 11 mei 1890. We lezen op de stèle: 


Geschreven: 08 februari 2020
Aangepast: 26 december 2020
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf

Grafdicht op de zerk van Kornelia Bleeker (1895-1922)


Grafzerk voor Kornelia BleekerAan de zuidzijde op het kerkhof van de Mariakerk in Oosterwijtwerd bevindt zich een aantal zerken die rijk versierd zijn met symbolen en grafdichten. Zoals de zerk met het grafdicht voor molenaarsdochter Kornelia Bleeker. Zij werd geboren op 10 april 1895 en overleed op 3 maart 1922, bijna 27 jaar oud. Het grafdicht op haar zerk luidt:

Hier ligt het lichaam in een huis,
Ontslagen van ellende en kruis.
Totdat het God opwekken zal
Met Engelenbazuingeschal.


Geschreven: 19 december 2019
Aangepast: 19 december 2019
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf

Het familiegraf van het echtpaar Steenge-Lambers

De begraafplaats van Annerveen ligt tussen het veenkoloniaal dorp Annerveenschekanaal en het dorp Spijkerboor. De vervening van het gebied, begonnen in 1771, trok arbeiders uit de wijde omgeving van Groningen, Friesland en ook uit Duitsland. Langzaam maar zeker ontstond er een dorp met middenstand, school en boerderijen. Tot de bouw van een kerk werd in 1834 besloten en deze werd in 1835 gerealiseerd.


Geschreven: 06 oktober 2019
Aangepast: 26 december 2020
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf

Grafdicht op de zerk van Ds.Christopher Knowles (1634-1690)

 

Van ver is reeds de toren van de kerk van Farmsum te zien bij het naderen van de havenstad Delfzijl, waar het dorp Farmsum toe behoort. Ooit was Farmsum een plaats van belang. Van hieruit oefende het geslacht Ripperda zijn macht uit als erfgenamen van de proostdij Farmsum. Een proostdij was een kerkelijk bestuurlijk gebied, geleid door een proost namens de bisschop van het bisdom waaronder de proostdij viel. Onder de proostdij van Farmsum ressorteerden zo’n 30 kerspelen in de gewesten het Oldambt en Fivelingo. Een kerspel is een parochie, een kerkelijke gemeente.


Geschreven: 07 augustus 2019
Aangepast: 09 augustus 2019
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf

 

Bij het grafdicht op de stèle van het graf van Trijntje Kuik (1860-1918)

Grafmonument Trijntje Kuik{seog:disable}Verveners, veenbazen en veenarbeiders; hun graven treffen we aan op de oude begraafplaats van Veenoord aan de Boerdijk. Het rusthof wordt omsloten door industriële bedrijvigheid van uiteenlopende aard. Opvallend is het grafdicht op de stèle van Trijntje Kuik.

Rust zacht, rust zacht, geliefde doode,
Uw geest is reeds in ’s Vaders hand.
Nu zijt ge vrij van alle nooden,
(Daar in) ’t Hemelsch Vaderland.

Het begin van de laatste regel ontbreekt door beschadiging van de stèle. Het grafdicht is getuigenis van dat vaste geloof, dat men in die tijd en in dat gebied niet direct verwacht. Drenthe was overwegend vrijzinnig, zeker wat de oude zanddorpen op de hoger gelegen zandgronden betrof, zoals Sleen waartoe het ontginningsdorp Veenoord behoorde.

De tweede regel van het grafdicht brengt ons bij Psalm 31, een Psalm van David en bij het laatste woord, dat Jezus sprak aan het kruis. In deze psalm wendt David, achtervolgd door koning Saul, zich tot God om bescherming en zegt in het zesde vers: “In Uw hand beveel ik mijn geest…”. Als Jezus aan het kruis hangt, is zijn laatste woord: “Vader, in Uw handen beveel ik Mijn geest” (Lucas 23:46). Het gaat hier niet om geest als het denk- of voorstellingsvermogen, maar om het woord, dat in de oorspronkelijke taal van het Oude Testament, het Hebreeuws, luidt: RUACH. We kunnen dat vertalen met wind, adem, geest of leven. Wanneer David zegt: “In Uw handen beveel ik mijn geest”, dan wil dat zoveel zeggen als: ik leg mijn leven in Uw handen. Hetzelfde geldt ook het zevende kruiswoord. De tweede regel van het grafdicht mogen we dan ook in die zin verstaan. De gelovige belijdt het leven uit Gods hand te hebben ontvangen. Met het sterven legt hij het als het ware terug in Zijn hand. De joods-christelijke achtergrond van de uitdrukking 'iemand heeft de geest gegeven' is evident.

Wie was Trijntje Kuik?

Ze werd op 27 mei 1860 te Smilde geboren als dochter van Harm Kuik en Helena Pomper. Haar eerste echtgenoot was Arie Matena, zoon van een kolonist van de Proefkolonie Frederiksoord van de Maatschappij van Weldadigheid. Arie overleed op 19 maart 1900. Op de stèle komen we niet zijn naam tegen, wel die van haar tweede echtgenoot Pieter Piek. Deze was afkomstig uit het Friese Engwirden. Getrouwd met Trijntje op 12 oktober 1901, overleed hij op 9 oktober 1911.

Arbeiders, zo staan ze te boek in de registers van de gemeenten Emmen en Sleen. Het bijzondere is namelijk, dat het tweelingdorp Nieuw Amsterdam-Veenoord, de woonkernen in dit veengebied, valt onder twee gemeenten: Nieuw Amsterdam onder Emmen en Veenoord onder Sleen. In het tweelingdorp getuigen imposante villa’s en landhuizen van de rijkdom en aanzien van de verveners van weleer. Eén van die verveners was Marinus Adrianus Hoogerbrugge. Hij was afkomstig uit Schiedam. Zijn vader was in die regio een vermogend vervener, maar daar, in Zuid-Holland, was er voor de zoon weinig toekomst meer. Het bezit aan veengrond van de Hoogerbrugges daar raakte, zoals dat heette, “uitgeveend”. Daarom kocht Hoogerbrugge senior in 1862 ten behoeve van de zoon honderden hectares veengrond in Drenthe.  Marinus Adrianus Hoogerbrugge, die te Smilde inmiddels ook zeer veel grond had verworven en daar de nodige aandacht aan gaf, ging niet in Nieuw-Amsterdam wonen, maar op Smilde. Daar behoorde hij tot de Hervormde kerk. Grote sympathie koesterde hij desondanks voor hen, die waren meegegaan met de Afscheiding van 1834 en zich van de plaatselijke kerkelijke gemeente hadden losgemaakt.

Op 20 november 1834 werd door Ds. Hendrik de Cock, voorman van de Afscheiding, op Smilde de eerste Afgescheiden gemeente in Drenthe geïnstitueerd. Centrale figuur was er de oefenaar en veenbaas Luitsen J. Dijkstra.  Zeer veel van de gemeenteleden van deze nieuwe kerkelijke gemeenschap behoorden tot de arbeidersstand. De burgerlijke gemeente Smilde bestond omstreeks 1830 voor tweederde uit armen en minvermogenden. Van deze bevolkingsgroep uit Smilde nu treffen we een groot aantal aan in de vervening bij Nieuw Amsterdam-Veenoord. Hoogerbrugge, die uiteindelijk ook nog burgemeester van Smilde werd, zal daar zeker op enigerlei wijze een hand in hebben gehad. Eén van die Smildegers was Trijntje Kuik van wie we de stèle met grafdicht tegenkomen op de oude begraafplaats aan de Boerdijk te Veenoord.

 

Literatuur:

  • Wim Visscher, Bumaveen, Nieuw Amsterdam – Veenoord, geschiedenis van een tweelingdorp. (2001)
  • Drs. H. Veldman, Hendrik de Cock, afgescheiden en toch betrokken. (2004)

Internet:


Geschreven: 29 april 2019
Aangepast: 26 december 2020
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf

 

Beeldbepalend op het kerkhof rond de zestiende-eeuwse kerk van Tjamsweer is de grafkelder van de adellijke familie Alberda van Ekenstein. Deze tak van het geslacht Alberda noemde zich naar hun buitenverblijf Ekenstein te Tjamsweer. Op het kerkhof bevindt zich een grote verscheidenheid aan grafmonumenten. Sommige zijn er voorzien van grafdichten, zoals dat van Jan Aeilts Bosma.

‘k Had op mijn oude dagen,
Somstijds veel stof tot klagen,
Vanwege smart en pijn,
Die haast ondraaglijk zijn.
Maar ‘k ben er van ontbonden,
Ik heb mijn graf gevonden.


Jan Aeilts Bosma, geboren op 6 februari 1800, was landbouwer in Hellum (gemeente Slochteren) en getrouwd met Antje Jans Koning. Zij overleed op 40-jarige leeftijd op 31 oktober 1836. Op 19 april 1839 hertrouwde Bosma in Appingedam met Harmina Jans Bos, weduwe van Gerhard Jacobus Tichelaar. Harmina was na het overlijden van haar eerste man meierse* geworden van de boerderij “Keerweer” op Garreweer onder Tjamsweer met ruim 40 ha landbouwgrond. Eigendomhouders van deze landerijen waren in die tijd de erven van de Tjamsweerster predikant Nicolaas Johannes Kruizinga. Kruizinga stond van 1785 tot zijn overlijden in 1830 als predikant te Tjamsweer en was in 1809 in bezit gekomen van genoemde landerijen. Allerminst wenselijke situaties in de verhouding tussen predikant en gemeenteleden. De geschiedenis der kerk bevat legio voorbeelden hoe mensen “afhaakten” op grond van het pachten van landerijen in bezit van kerk of predikant.

Na het overlijden van Harmina Jans Bos op 14 maart 1863 werd de boerderij “Keerweer” in datzelfde jaar toebedeeld aan Jan Aeilts Bosma, haar weduwnaar. De boerderij in Hellum was hem in 1829 al toebedeeld. Hij werd daarmee beklemde meier* van twee boerderijen. Op 4 januari 1882 overleed hij. Het grafdicht spreekt van een haast ondragelijke smart en pijn in “zijn oude dagen”. Hij moet erg geleden hebben, zodat de dood als een verlossing moet zijn gevoeld: ‘k ben er van ontbonden. Ik heb mijn graf gevonden. Mogelijk duiden smart en pijn zowel op lichamelijk lijden als op geestelijk lijden. Hij verloor immers tweemaal een echtgenote, van wie de namen op de zerk zijn aangebracht, en ook met kindersterfte was hij niet onbekend. Was het met de dood uit voor Bosma? We weten het niet.

Grafzerken gebroeders WesterhofGrafdichten op het Tjamsweerster kerkhof laten ook een ander geluid horen, zoals op de zerken van de ongetrouwde broers Westerhof, ook landbouwers op Garreweer. Op de zerk van Hendrik Westerhof lezen we:

Het graf zal u ten rustbed strekken,
Haast Christen breekt dien morgen aan,
Dat Jezus zelf ook u zal wekken,
En gij voor eeuwig op zult staan.


Hendrik was geboren op 17 december 1873 en overleed op 12 september 1921. Op de zerk van Wolter Westerhof  werd als grafdicht aangebracht:

Het lichaam rust in ’t graf,
Bevrijd van moeite en zorgen,
En sluimert in het stof,
Tot aan de jongste morgen.


Wolter was geboren op 17 december 1876 en overleed op 24 februari 1926.

 

*  Een beklemde meier was eigenaar van huis, schuur en beplanting, de landerijen daarentegen waren niet van hem. Hij huurde, pachtte die met de bevoegdheid die landerijen te mogen bebouwen. Het is het zogenaamde beklemrecht, dat “vast en altoosdurend”, onveranderlijk en onopzegbaar is. Het recht eindigt niet met de dood van de meier, maar gaat over op de erfgenamen. Het beklemrecht kan bij de verkoop van de boerderij ook worden overgedragen. Wel is er in die gevallen een bedrag verschuldigd aan de eigenaar van de landerijen. Vaak is dat een extra jaarsom, geschenk geheten. Men moest het al heel bont maken om het beklemrecht te verliezen, bijvoorbeeld door ernstige verwaarlozing van één en ander. Beklemming kwam eigenlijk alleen voor in de provincie Groningen.
 


Geschreven: 05 februari 2019
Aangepast: 07 februari 2019
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf

 

Bij het grafmonument voor Berend Dijk te Ter Apel

Stèle Ter ApelEen zerk in een kruidentuin van een klooster? De geschiedenis van het klooster in Ter Apel begint wanneer een pastoor van Garrelsweer zijn bezit in Westerwolde schenkt aan de Orde van het Heilige Kruis (Ordo Sanctae Crucis). Wel verbond hij er de voorwaarde aan dat er op die plek een klooster moest worden gesticht. In 1465 benoemde het Generaal Kapittel van de Kruisheren het klooster St. Gertrudis in het Duitse Bentlage tot moederklooster. Van daaruit werden enkele priesters en lekenbroeders naar Apell, zoals het werd genoemd, gezonden om er een klooster te stichten. Het klooster zou de naam krijgen Huis van het Nieuwe Licht (Domus Novae Lucis). Tussen 1465 en 1561 is er gewerkt aan de bouw en uitbreiding van het klooster met de nodige bijgebouwen.

De reformatie betekende in 1593 het einde van het katholieke kloosterbestaan. Het hield ook de neergang in van de kloostergebouwen in Ter Apel. Een deel werd gesloopt omdat de onderhoudskosten te hoog waren geworden. De resterende ruimte voldeed als kerk en woonruimte voor de kerkelijke gemeente van reformatorische signatuur. Tussen 1930 en 1933 werd op initiatief van de stad Groningen, eigenaar van het klooster en het gebied eromheen, een conservering en restauratie uitgevoerd. De drie in stand gebleven gevels met de in 2001 klaar gekomen westgevel omsluiten de  kloosterhof, waarin een kruidentuin werd aangelegd. Het was de ruimte die jarenlang dienst had gedaan als begraafplaats van het dorp Ter Apel. De zerk herinnert daar aan. Maar is het wel een zerk?

Nadere beschouwing maakt duidelijk dat het een stèle is, die men neergelegd heeft tussen de kruiden van de kruidentuin. Enerzijds is het de herinnering aan de periode dat zich hier zeer lange tijd een begraafplaats heeft bevonden. Anderzijds legt het door het hernieuwd aanleggen van een kruidentuin de verbinding met kruidentuinen van kloosters. Deze kruidentuinen leverden kruiden tegen allerlei ongemakken, kwalen en ziekten. Onderbouwing van de werking van deze kruiden vindt men bijvoorbeeld in de werken van de in haar tijd zeer beroemde abdis en mystica Hildegard van Bingen (1098-1179). Was het opzet om juist deze stèle hier neer te leggen tussen al die  geneeskrachtige planten? Het is immers de stèle die op het graf heeft gestaan van de genees- en heelkundige Berend Dijk. Geboren te Veendam op 24 februari 1800 overleed hij op 29 april 1870 in Ter Apel. Zijn echtgenote Frouwke Addens, die op 3 augustus 1879 overleed, was drogiste. Dijk was een gewaardeerd en bemind arts, zoals we lezen in het grafdicht. 

Hij stierf, bemind van elk,
die op zijn bijstand hoopte.
’t Gemis van dezen vriend,
die tot erkent’nis noopte
Is elk bekend!
Toch meer treurt nu de gade,
die met haar eenigst kind
Den Vader diep betreurt
en haren huwelijks vrind!
’t Was Godes wil.
Zijn assche ruste zacht
ook onder ’t lijk gesteente.
Hij was een edel man!
Treurt niet bij dit gebeente.
Hij ging naar hooger sfeer.


Geschreven: 14 december 2018
Aangepast: 14 december 2018
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Als bloemen bij het graf

 

Grafmonument Jan Heres TammesEen stèle voorzien van symboliek en een grafdicht hebben de nabestaanden laten plaatsen op het graf van Jan Heres Tammes op de zeer verzorgde begraafplaats van Veele (gemeente Westerwolde). De landbouwer Jan Heres Tammes was 82 jaar toen hij overleed op 21 maart 1909. Zijn echtgenote Engeltje Bruins Velthuis was al overleden in 1898.

Een prachtige symbolische voorstelling siert het monument. Een eik met een stevige tak vol eikenblad aan de linkerzijde begroet de opkomende zon, die met haar stralen land en omgeving in het volle licht zet. De tak aan de rechterzijde is afgebroken, de zon is niet meer te zien en de aarde is donker. Symbolen van licht en duister, leven en dood. Mogelijk wilden de nabestaanden in deze voorstelling van de eik ook laten zien waar de eik als symbool voor stond: voor mannelijke kracht, macht, vruchtbaarheid en een lang leven.

Het grafdicht laat ook die tegenstelling van licht en duister zien.

Nog zweeft ons in
’t beminnelijk licht
Uw dierbre beelte-
nis voor ’t gezicht.
Al rust uw stof in
’t duister graf,
Nog leeft uw mensch
heid hier op aard.

Het is nog niet zo eenvoudig om te duiden wat de dichter heeft bedoeld met de eerste twee regels. We komen de uitdrukking ’t beminnelijk licht wel tegen in 19e eeuwse literatuur en oude preken. Personen komen dan in dat aangename licht te staan, dat laat zien hoe ze de achting van allen waard zijn door de wijze waarop zij zich toonden in handel en wandel. 

Wil de dichter vertolken hoe de nabestaanden de dierbare overledene voor ogen hebben als één, die door de wijze waarop hij in het leven stond de achting en waardering van allen verdiende? De laatste regels bevestigen het in elk geval. Jan Heres Tammes mag dan overleden en begraven zijn, maar prijsgegeven worden aan het duister van de vergetelheid zal hij zeker niet.