Skip to main content

Begraafplaatsen


Geschreven: 07 juli 2009
Aangepast: 10 januari 2022
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Groningen


Het is niet teveel gezegd, wanneer we stellen, dat het dorp Wagenborgen, even ten zuiden van Delfzijl gelegen, zijn bekendheid dankte aan het psychiatrisch ziekenhuis Groot Bronswijk. Inmiddels behoort deze instelling sinds 2004 tot het verleden. Groot Bronswijk paste niet meer binnen de ontwikkelingen op het gebied van psychiatrische zorg. De paviljoens en de markante watertoren, jarenlang beeldbepalend voor het dorp, zijn gesloopt. Een aantal gebouwen kreeg een andere bestemming of wacht nog op de sloop. Het terrein werd eigendom van Woonzorg Nederland, die ongetwijfeld een aantal ideeën heeft met betrekking tot de ontwikkelingen van deze locatie. Voor het dorp betekende het verdwijnen van Groot Bronswijk een behoorlijke aderlating. Velen uit het dorp hadden er werk en de patiënten, voor zover ze zich vrij mochten bewegen, werden gezien als mededorpelingen.


Geschreven: 30 augustus 2008
Aangepast: 24 januari 2022
Auteur: Laura Fokkema
Categorie: Utrecht

 

In 2007 startte Laura Fokkema met de cursus "Tuinkunst en Parken: Historie en instandhouding" [1]. Omdat ze zich al jaren bezig hield met begraafplaatsen koos ze voor een historisch onderzoek naar een begraafplaats. Om precies te zijn de begraafplaats Brandenburg in Bilthoven. De reden daarvan was dat min of meer beweerd wordt dat deze begraafplaats is aangelegd door Copijn. Hiervan is echter nooit sluitend bewijs geleverd. Haar onderzoek richtte zich dan ook op het ontstaan en de ontwikkeling van de begraafplaats met name van het groen.


Geschreven: 11 augustus 2007
Aangepast: 03 juni 2024
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Groningen

Het Blauwe HuisDe geschiedenis van het geslacht Cleveringa biedt funerair veel stof, ook al zijn er zerken verloren gegaan of slecht leesbaar geworden. In dit artikel beperk ik me tot hun "Damster" periode. De interesse voor deze periode heeft zeker te maken met een aantal redenen. Ten eerste bracht ik jarenlang mijn vakanties door in het Blauwe Huis te Appingedam, dat na de Tweede Wereldoorlog eigendom van mijn grootouders was geworden.


Geschreven: 27 oktober 2006
Aangepast: 25 december 2020
Auteur: René ten Dam
Categorie: Noord-Holland

 

In het begin van de zeventiende eeuw kregen een aantal Portugese joden toestemming om in Haarlem te wonen en daar hun godsdienst vrijelijk en openlijk te belijden. Waarschijnlijk waren deze joden liever in Amsterdam gaan wonen, maar kregen ze daar geen toestemming voor. Nadat in de eerste helft van de achttiende eeuw Hoogduitse joden zich in Haarlem vestigden, verschenen de eerste tekenen van een georganiseerd joods leven in de stad. In 1742 kreeg, de uit Hamburg afkomstige, Samson Abrahams toestemming om zich in Haarlem te vestigen en een joodse school te openen. In 1765 werd het de joodse gemeente gegund om officieel een synagoge te openen aan de Begijnhof, het huidige Goudsmidspleintje. Een jaar later kreeg Simon Boas opdracht van de stadsraad om de joodse gemeente van Haarlem te organiseren. Boas was een belangrijke man, want alleen wanneer hij een bewijs van goed gedrag afgaf, kon een jood zich in Haarlem vestigen. En na zijn aftreden in 1774 werd de joodse gemeente regelmatig geteisterd door tal van ongeregeldheden, zowel financieel als bestuurlijk. Dit leidde in 1804 zelfs tot de tijdelijke sluiting van de synagoge door de stadsraad.

In 1770 had de joodse gemeente een terrein aan het Bolwerk gekocht om daar een begraafplaats aan te leggen. Nog hetzelfde jaar werd de begraafplaats in gebruik genomen. Voor die tijd werden de doden in Amsterdam begraven, een tijdrovende en dure aangelegenheid. Om de armlastige Haarlemse joden tegemoet te komen, hoefden deze vanaf 1764 al geen recognitiegeld meer te betalen, het bedrag dat verschuldigd was om een overledene buiten de eigen stadsgrenzen te betalen. De kleine begraafplaats op het Bolwerk was gelegen ten oosten van de Nieuwpoort. Omdat de begrenzing van de begraafplaats slecht was afgebakend, kon het gebeuren dat iemand in de grond naast de begraafplaats werd begraven. In 1785 werd daarom het aangelegen stuk grond aan de begraafplaats toegevoegd en werd het geheel van een haag voorzien. Via een deur in de stadswal kon men op de begraafplaats komen.

In 1796 werd het genootschap Gemieloet Chasadiem (het verrichten van weldaden) opgericht. Dergelijke genootschappen of broeder- en zusterschappen, chewre's genaamd, zijn gebruikelijk binnen de joodse gemeenschap. De leden bezoeken zieken, reinigen doden, vergezellen de rouwbedrijven bij de begrafenis en verschaffen de rouwenden de eerste maaltijd. In voorkomende gevallen dragen zij ook de dode naar de begraafplaats.

Eind 18de eeuw vestigden zich wederom een aantal Portugese joden in Haarlem, maar alleen voor de zomermaanden. Waarschijnlijk waren het rijke Amsterdamse joden, die zich in de warme zomermaanden terugtrokken uit het benauwde Amsterdam. De Hoogduitse joodse gemeenschap in Haarlem was duidelijk armlastiger. In 1819 was een kwart van de joden op steun aangewezen. In hetzelfde jaar werd een joodse armenschool opgericht. Ondanks de armoede wist de joodse gemeenschap zich te handhaven en zelfs te groeien. Met hulp van de koning, het stadsbestuur en de provinciale autoriteiten werd in 1841 een nieuwe synagoge gebouwd in de Lange Begijnenstraat.

Intussen was de begraafplaats aan het Bolwerk gesloten in 1833. Sinds 1832 had de joodse gemeente namelijk de beschikking over een nieuwe begraafplaats, welke een onderdeel vormde van de nieuwe algemene begraafplaats aan de Schoterweg, tegenwoordig ligt de ingang van de algemene begraafplaats aan de Kleverlaan. De joodse gemeenschap wilde eigenlijk de grond van de begraafplaats kopen, zodat ze zelf volledige zeggenschap zouden hebben. Het Haarlemse stadsbestuur ging niet akkoord, maar beloofde plechtig dat "de gedeponeerde Lijken nimmer zullen worden geroerd, verplaatst of op eene andere wijze over het Terrein beschikt zal worden strijdig bij de verordeningen bij de Nederlandsch Israeliten dan aanwezig".

De waterpartij rondom de joodse begraafplaatsBij de aanleg in 1832 lag de joodse begraafplaats aan de rand van de begraafplaats, omgeven door water, als ware het een eiland. De begraafplaats had destijds een eigen toegang over een dam, maar na een tweede uitbreiding van de algemene begraafplaats werd de kleine joodse begraafplaats geheel omsloten door de algemene begraafplaats. De waterpartij zorgt echter nog steeds voor een strikte scheiding van de rest van de begraafplaats. De joodse begraafplaats is hierdoor nog steeds slechts van één kant bereikbaar.

MetaheerhuisjeIn 1835 werd het begrafenisfonds Machziekee Chesed opgericht, dat in 1887 zou opgaan in het al genoemde genootschap Gemieloet Chasadiem. Tussen 1836 en 1923 zijn er 654 mensen begraven op de kleine joodse begraafplaats.

Centraal op de begraafplaats, recht achter de ingang, staat het metaheerhuisje (of 'Metaar'huisje in het West-Jiddisch). Voor de begrafenis werd hier gesproken over de goede daden van de dode en gebeden.

Rondom het metaheerhuisje bevinden zich tientallen stèles. Sommige met enkel teksten in het Hebreeuws, maar de meeste met zowel het Hebreeuws als het Nederlands. Een enkele steen heeft een Franstalig opschrift. De meeste stenen zijn sober vormgegeven, zoals ook voorgeschreven, maar sommigen bevatten toch niet-joodse symboliek.

Grafstenen rechts van het MetaheerhuisjeHalverwege de 19de eeuw raakte de joodse gemeenschap in Haarlem minder armlastig en in 1877 was het in staat om zelf een stuk terrein aan te schaffen aan de Amsterdamsche Straatweg, nu Amsterdamse Vaart geheten, voor de aanleg van een begraafplaats. Nog steeds begraven de Haarlemse joden hun doden hier. In de oorlog werd deze begraafplaats door de Duitsers gebruikt als machinegeweerstelling. Op de begraafplaatsen werden kuilen gegraven en zijn veel van de grafstenen kapotgemaakt.

In 1960 werd op verzoek van het rabbinaat en onder haar toezicht, de oude begraafplaats aan het Bolwerk geruimd. Het bleek onmogelijk deze plek intact te laten. De resten van 121 doden en de grafstenen werden overgebracht naar de begraafplaats aan de Amsterdamsche Straatweg. 

 

 

Literatuur

  • Jozeph Michman, Hartog Beem, Dan Michman, Pinkas - Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland (Amsterdam, 1999) p. 404-409
  • Margreeth Pop en Jaap Temminck, Kleverlaan - geschiedenis van een begraafplaats; Haarlem 2002.
  • Nechamah Mayer-Hirsch, Het huis van de levenden - Beth Hachajiem - Joodse gebruiken bij de dood; Baarn 1989

 

 

 


Geschreven: 27 oktober 2006
Aangepast: 25 december 2020
Auteur: Leon Bok
Categorie: Noord-Holland

 

Ten noorden van de oude binnenstad van Haarlem ligt de zeer fraaie begraafplaats Kleverlaan, ook wel Akendam genoemd naar de voormalige buitenplaats die hier ooit lag. De laatste bewoner van deze buitenplaats was de bekende tuin- en landschapsarchitect J.D. Zocher jr. (1791 - 1870). Hij ontwierp ook de begraafplaats, toen nog gelegen in de gemeente Schoten (opgeheven 1927). Zocher koos voor een ontwerp in landschapsstijl met veel reliëf en een waterpartij waarin een eiland gelegen was. Op dit eiland werd een joodse begraafplaats aangelegd met een eenvoudig metaheerhuisje. Verder werd de begraafplaats verdeeld in een Katholiek gedeelte en een Protestants gedeelte. In 1832 werd hier voor het eerst begraven. Sindsdien is er behoorlijk wat veranderd aan de begraafplaats onder andere door twee grote uitbreidingen. Maar deze begraafplaats was niet de eerste buitenbegraafplaats van Haarlem. 


Geschreven: 16 juli 2006
Aangepast: 13 januari 2022
Auteur: René ten Dam
Categorie: Utrecht

 

In de Domkerk in Utrecht bevindt zich op het hoogkoor het praalgraf van vice-admiraal Van Ghent. Het is een fraai grafmonument met de beeltenis van Van Ghent, een sculptuur van de hand van Rombout Verhulst, een van 's lands meest vermaarde beeldhouwers. Het grafmonument is om meerdere redenen opvallend te noemen, maar velen die de beeltenissen op het monument bekijken, zullen zich afvragen waarom een vice-admiraal, gestorven in dienst van de Amsterdamse admiraliteit, ligt begraven in de Domkerk in Utrecht. Het lijkt misschien een eenvoudige vraag, maar eigenlijk weet niemand de precieze redenen waarom Van Ghent in Utrecht ligt begraven. De omstandigheden van zijn dood zijn bekend, maar over zijn begrafenis doen verschillende verhalen de ronde.


Geschreven: 25 juli 2005
Aangepast: 30 januari 2022
Auteur: Wim Timmer en Leon Bok
Categorie: Utrecht

 

Een gemeente is Abcoude niet meer, maar dat maakt de (funeraire) historie van het dorp er niet minder op. Sinds 2011 is de gemeente Abcoude samengevoegd met de gemeente de Ronde Venen en dat is ook de definitieve naam van de nieuwe gemeente geworden. De gemeente Abcoude heeft daarmee zeventig jaar bestaan. Ze ontstond in 1941 door samenvoeging van de gemeente Abcoude-Proosdij en Aasdom met de gemeente Abcoude-Baambrugge en omvatte twee dorpskernen, Abcoude en Baambrugge. Op de eerste richten we ons nu.

Het ontstaan van Abcoude

Abcoude is ontstaan op de oeverwallen van Angstel en Gein, op het punt waar deze twee riviertjes samenkomen. De naam Abcoude wordt voor het eerst genoemd in 1085. In een oorkonde van Koenraad - bisschop van Utrecht - wordt dan gesproken over ’habitatores de Abecenwalde’, ofwel ’de inwoners van Abecenwalde’. Op de grens van het graafschap Holland en het bisdom Utrecht, nu in een iets andere vorm bekend als de scheidslijn tussen de provincies Noord-Holland en Utrecht, werd slot Abcoude gebouwd. De oudste vermelding van het kasteel dateert uit circa 1260. In 1274 werd het kasteel verwoest door de Hollandse buurman Gijsbrecht van Amstel, leider van de Kennemer, Westfriese en Waterlandse boeren. Nadien werd het slot herbouwd, maar in de loop der tijd verviel het tot een ruïne. De laatste resten van het slot werden in 1860 gesloopt. De fundamenten zijn geheel onder het maaiveld verdwenen, hoewel ze als vorm nog wel te herkennen zijn in het landschap. Vanaf de zeventiende eeuw ontstonden langs de riviertjes veel buitenplaatsen.


Geschreven: 08 november 2004
Aangepast: 12 januari 2022
Auteur: René ten Dam
Categorie: Noord-Brabant

 

De familie De Girard de Mielet van Coehoorn heette oorspronkelijk De Girard en is een oude Franse adellijke familie waarvan de stamboom teruggaat tot 1355. Sinds de zeventiende eeuw bezat de familie het landgoed Mielet in Frankrijk. De eerste De Girard die zich De Girard de Mielet noemde, was Victor de Girard de Mielet. Hij kwam als militair naar de Republiek der Verenigde Nederlanden en werd in 1761 officier in Statendienst. Hij trouwde in 1761 in St. Oedenrode met Aldegonda Petronella van Coehoorn. Haar overgrootvader Gideon van Coehoorn was een broer van de bekende vestingbouwkundige Menno van Coehoorn. De zoon van het echtpaar De Girard de Mielet-Van Coehoorn nam de naam van zijn moeder erbij aan en heette daarna voluit: Lodewijk François de Girard de Mielet van Coehoorn. Het was zijn zoon die in 1828 werd ingelijfd in de Nederlandse adel en in 1829 de titel van baron bij eerstgeboorte kreeg. Deze Jan Philip baron de Girard de Mielet van Coehoorn en zijn echtgenote Jonkvrouwe Elisabeth Wilhelmina de Bye waren de eersten die hun laatste rustplaats vonden op de familiebegraafplaats en van hen stammen alle begraven De Girard de Mielet van Coehoorns af.


Geschreven: 26 oktober 2004
Aangepast: 03 januari 2022
Auteur: Marten Mulder
Categorie: Drenthe

 

Toegangshek Oude begraafplaats van Eelde.{seog:disable}Grenzend aan een grote parkeerplaats ten behoeve van grootgrutters en andere middenstanders bevindt zich de Oude begraafplaats van Eelde (Dr.), in het hart van het dorp. De tegenstelling is groot. Auto's rijden af en aan, volle winkelwagentjes met tegenstribbelende wieltjes en daardoor veel lawaai worden richting auto geduwd. Op de begraafplaats zelf heerst serene rust, ook al wordt er druk gewerkt aan het vervangen van oude zerken van een familiegraf, die aan onderhoud toe zijn.

Omgeven door een hoge beukenhaag en toegankelijk via een wit hekwerk aan de westzijde zien we een begraafplaats met een afwisseling van oude en nieuwe zerken en grafstenen. Er wordt nog steeds begraven. Een breed pad vanaf het hek verdeelt de begraafplaats in twee duidelijke helften.

Nederlands oorlogsmonument voor Stoffer Holtjer.Enigszins smallere paden verdelen deze helften op hun beurt. Iets meer naar achteren is nog een lage beukenhaag over de breedte geplaatst, waarachter zich graven van recenter datum bevinden. Links achterin, door haag- en hekwerk gescheiden, maar wel binnen het geheel van de begraafplaats, bevindt zich een door grafmonumenten herkenbaar rooms-katholiek deel. Het baarhuisje bevindt zich aan de noordzijde van de begraafplaats. Vlakbij het baarhuisje bevinden zich een aantal oorlogsgraven van omgekomen militairen van de Royal Canadian Air Force.

Indrukwekkend mag het Nederlandse oorlogsmonument voor Stoffer Holtjer worden genoemd: een geknielde vrouwenfiguur geplaatst op witte sokkel met de tekst: ALLEN GEDENKEN WIJ IN U / STOFFER HOLTJER / DIE VOOR DE VRIJHEID VIELEN. Stoffer Holtjer was gemeenteveldwachter en lid van het verzet.

Een aantal andere monumenten trekt eveneens de aandacht. 

Het grafmonument van het echtpaar Bähler-Boerma

Het grafmonument van het echtpaar Bähler-Boerma.Het is een monument vol van symboliek, die enigszins te begrijpen valt als men zich verdiept in de levens van het echtpaar Bähler-Boerma. Op de vier hoeken van het monument staan obelisken, die door kettingen met elkaar zijn verbonden. Deze kettingen vormen als het ware de afbakening van het domein van de doden en dat van de levenden. Aan de kettingen zijn bollen van beton gehangen door middel van metalen hengsels in de vorm van het ankhteken. Het ankhteken is een lusvormig kruis, dat als oud Egyptisch symbool staat voor leven.

Midden op het monument draagt een vijfde obelisk, die ver uitsteekt boven de vier op de hoeken, de namen van Dr. Louis Adriën Bähler en zijn echtgenote Gezina Boerma. Symboliseert de obelisk, bekend vanuit het oude Egypte, met zijn vier zijden de vier windstreken en macht, hij wordt ook in verband gebracht met de scheppingsheuvel uit de godsdienst van oud-Egypte. Soms werden obelisken, voorzien van namen, aangetroffen bij de ingang van rotsgraven. De vraag rijst wat de bollen betekenen, die door twee gekruiste banden of cirkels omgeven zijn. Symboliseren zij de wereld, die door het leven-teken wordt vastgehouden of zijn het mandala's, cirkels met daarin andere cirkels, die symbool staan voor verdieping, verinnerlijking?

Dr. Louis Adriën Bähler werd in 1867 geboren in Kesteren als zoon van ds. L.H.A. Bähler, een geslacht van Zwitserse origine. Louis Adriën Bähler studeerde van 1886 tot 1893 theologie aan de Groninger Academie. Een studie, die hij afsloot met een promotie. De titel van zijn proefschrift luidde: De Messiaanse heilsverwachting en het Israëlitisch koningschap. Van 1895 tot 1902 was hij predikant van de hervormde gemeente Schiermonnikoog. In deze periode gaf hij lezingen voor de eilandbewoners over de natuur, de Indische mystiek en het Boeddhisme. Herhaaldelijk waren er conflicten met de kerkelijke autoriteiten vanwege zijn vrijzinnigheid en zijn politiek sociale inzichten. Moderne theologen en schrijvers als Ibsen en Tolstoj hebben Bähler in zijn denken gevormd. Op vele manieren droeg hij het vrijzinnige gedachtengoed uit, terwijl hij zich bewoog in de kring van christen-anarchisten. Zijn stellingname voor het weigeren van militaire dienst resulteerde in 1915 in het Manifest der Dienstweigeraars, dat ook werd ondertekend door de dichteres Henriette Roland Holst. Dit leverde hem een veroordeling op wegens een poging tot opruien. Inmiddels had een conflict met de classis Dokkum van de Nederlandse Hervormde kerk hem Schiermonnikoog doen verlaten. In 1902 werd hij predikant te Oosterwolde, voor hem een gelukkige tijd al werd hij in 1904 door de provinciale kerkvergadering bij de synode aangeklaagd vanwege de ideeën, die hij had neergelegd in een uit het Duits vertaald geschrift Het "christelijk" barbarendom in Europa. In het voorwoord schreef Bähler, dat het Christendom nog wat kon leren van het Boeddhisme. Door de synode werd hij vrijgesproken. Deze vrijspraak werd echter de aanleiding tot het oprichten van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde kerk in 1906. Aduard werd in 1909 zijn volgende gemeente. Twee jaar later legde hij het ambt neer na conflicten met de kerkenraad inzake zijn barmhartige houding jegens een zedendelinquent en vestigde hij zich op het landgoed Lemferdinge te Eelde. Zowel enkele preken uit de periode Aduard als berichten in dagbladen duiden er echter op dat Bähler juist kritisch was tegenover de te lankmoedige houding van de kerkenraad en zelfs van ouders van gedupeerde kinderen. Zeer grote belangstelling had Bähler voor de niet-christelijke godsdiensten en in 1919 verscheen van zijn hand het standaardwerk Het Boeddhisme. Op Lemferdinge heeft Bähler zich samen met een huisarts beziggehouden met iriscopie en dat met redelijk succes. Louis Adriën Bähler overleed 22 maart 1941. Op zijn naamplaat lezen we: VAN LICHT TOT LICHT.

In 1894 trouwde Gezina Boerma, die toen 20 jaar oud was, met Dr. L.A. Bähler. In het Groningse Warffum had zij, een boerendochter, de drie-jarige HBS gevolgd. Met haar echtgenoot was ze diep onder de indruk van de werken van Tolstoj. Dit leidde tot zeer bewuste keuzes met betrekking tot hun leefwijze: nadruk op de vrijheid van het individu en diens innerlijke, zedelijke en sociale motivatie om tot een betere wereld te komen. Dat hield in: geen geweld, geen drank, geen vlees, absolute geweldloosheid, de vrouw gelijkwaardig aan de man en tegen vivisectie. Bewust heeft het echtpaar gekozen voor kinderloosheid. Zij beschouwden seksualiteit als een "lagere" begeerte. Daar moest je bovenuit groeien. Gezina Bähler-Boerma heeft men wel genoemd de eerste maatschappelijk werkster ten plattelande. Zij was het, die de stoot gaf tot de oprichting van een dorpshuis in Paterswolde. Dat was in 1915 en het was daarmee het eerste dorpshuis in Nederland. Doel was "het verpauperde proletariaat door allerlei vormen van ontwikkelingswerk op te heffen en deel te laten hebben aan het cultuurbezit, dat toen slechts toegankelijk was voor de zogenaamde hogere klassen van de samenleving". Niet in het minst baarde haar het drankgebruik grote zorgen en de TBC, waaraan velen leden. Het is dan ook te begrijpen, dat zij de aanzet gaf tot de oprichting van een vereniging ter bestrijding van de tuberculose. Tot de oprichting van een woningbouwvereniging nam zij eveneens het voortouw. Haar grote maatschappelijke betrokkenheid leidde ertoe, dat de toenmalige Commissaris van de Koningin J. T. Linthorst Homan haar advies vroeg over de oprichting van een opbouwvereniging voor Drenthe. Die vereniging kwam er en met de vereniging de buurthuizen. In vele besturen had Gezina Bähler-Boerma zitting. Maatschappelijk werksters werden op haar advies aangesteld als directrices van die buurthuizen. Naast het maatschappelijk engagement, was zij ook politiek zeer betrokken. Van 1923 tot 1927 was zij wethouder voor de SDAP in de gemeente Eelde, waaronder Paterswolde viel. Makkelijk was zij allerminst, maar wel zeer betrokken bij de samenleving. De toenmalige gemeente besefte dat en begiftigde haar in 1949 met de eremedaille van de gemeente. Gezina Bähler-Boerma overleed op 21 oktober 1953. Op haar naamplaat lezen we: HEILIGE RICHTING / DAT IS DES LEVENS EERSTE / ZEGE AAN TE NEMEN DAT / ZIJ IS.

De graven van de familie Camphuis

Grafmonument voor de familie Camphuis.

De familie Camphuis bewoonde het huis Vennebroek op het landgoed met dezelfde naam te Paterswolde. Het was een van de vele adellijke huizen, die het tweelingdorp Eelde-Paterswolde telde. Landgoed en huis hebben een lange en rijke historie. Geslachten van naam hebben het bewoond. Het huidige huis Vennebroek dateert van 1848 en werd gebouwd op de fundamenten van het huis, dat met het landgoed was gekocht door J. H. van Iddekinge en zijn echtgenote B.E.H. Polman Gruys. In 1912 kocht P. A. Camphuis Vennebroek. De handel in steenkool legde hem geen windeieren door de opkomst van de industrie en het groeiend gebruik van steenkool. Nadat Camphuis in 1907 het Friesche Veen in Paterswolde had gekocht om er in 1909 een zomerhuis te bouwen, verwierf hij in 1912 het aangrenzende Vennebroek. Heimwee van zijn tweede echtgenote naar de grote stad deed het echtpaar Camphuis in 1919 vertrekken naar Den Haag. Zijn eerste echtgenote Hermina Kuiper was overleden op 2 februari 1914.  Bij vertrek van de ouders in 1919 vestigde zich de zoon Feico Pieter Jan Camphuis, die in dat jaar trouwde met Petronella Adriana Pierson, op Vennebroek. Naast zijn bedrijf als kolenhandelaar was Feico Camphuis ook op politiek gebied actief. In de gemeente Eelde was hij wethouder. Tijdens de 2e wereldoorlog is hij in 1942 een tijd gevangen gehouden als gijzelaar in het Brabantse Haaren. Vrijgekomen is hij werkzaamheden voor de illegaliteit gaan verrichten. Met zijn echtgenote sprak hij daar nooit over. Door verraad kwam er een eind aan. Ondergedoken in Bakkeveen, werd hij daar in 1944 gearresteerd en afgevoerd naar het concentratiekamp Neuengamme. Aan het eind van de oorlog nog naar Lübeck weggevoerd, overleed hij daar op 27 april 1945. In Eelde werd hij herbegraven.

Petronella Adriana Pierson stamde uit een predikantenfamilie. Haar vader Ds. H. J. G. Pierson was predikant geweest te Ressen bij Nijmegen, haar oom Louis Pierson predikant in de stad Groningen. Via deze oom hadden Feico en Petronella Adriana elkaar leren kennen. Bekende leden van de familie Pierson waren Ds. Pierson, predikant-direkteur van de Heldring-gestichten in Zetten en de theoloog, letterkundige en kunsthistoricus Allard Pierson. Een aantal Piersons kwamen terecht in de handel en het bankwezen: Pierson, Heldring en Pierson. Vele jaren is mevrouw Camphuis-Pierson bestuurslid geweest van het Hervormde Diakonessenhuis in Groningen. In de gemeenteraad van Eelde zat ze na de oorlog een jaar of tien als lid van de CHU. Bijzonder was, dat ze tijdens de raadsvergaderingen altijd haar hoed ophield. Op vragen hierover maakte ze de vragenstellers duidelijk, dat het niet was uit een zekere deftigheid, maar omdat er in de vergaderingen altijd zo enorm werd gerookt en die lucht in je haar bleef hangen. Kerkelijk was zij ook zeer betrokken, jaren was zij ouderling in de Hervormde gemeente van Eelde-Paterswolde. Hoewel huis en landgoed overgingen naar Natuurmonumenten, mocht mevrouw Camphuis-Pierson er blijven wonen zo lang ze dat wenste. Op 19 februari 1994 overleed ze op Vennebroek en werd ze begraven in het familiegraf te Eelde. 

De zerk van Dr. Mr. Jhr. Rengers Hora Siccama

De zerk van Dr. Mr. Jhr. Rengers Hora SiccamaIn de naam Rengers Hora Siccama herkent men de namen van de adellijke geslachten Rengers en Hora Siccama. Beide geslachten hebben vooral in Groningen, Stad en Ommeland, hun betekenis gehad. In de voornaam van Jhr. Duco Gerrold Rengers Hora Siccama herkent men de voorvader Duco Gerrolt Rengers (1750-1810), de laatste heer van Farmsum. Jhr. Duco Gerrold Rengers Hora Siccama werd op 2 december 1876 geboren in Den Haag als zoon van Jhr. Willem Adolf Werner Rengers Hora Siccama en Alida Maria Cornelia Verkuyl. Hij overleed op 7 juni 1962 te Utrecht en werd begraven te Eelde. Dit laatste zal verband houden met Eelde als woonplaats van een aantal leden van zijn familie. Zijn vader zelf heeft te Eelde huize Wilderveen bewoond. De plaat met de naam van Dr. Mr. Jhr. Duco Gerrold Rengers Hora Siccama is op het hoofdeinde geplaatst van de bestaande zerk van zijn overgrootvader Mr. Wiardus Hora Siccama, heer van Farmsum, Ten Post en Oosterbroek. Deze was notaris te Hoogezand en woonde op huize Oosterbroek te Eelde, waar hij op 4 december 1849 overleed en begraven werd. De zerk ernaast is die van zijn tweede echtgenote Anna Maria Catharina Modderman. Zij overleed op 3 mei 1841 op Oosterbroek. Beide zerken met de toegevoegde plaat dekken drie graven. De zerken zijn voorzien van de familiewapens, waarbij het wapen van de familie Modderman in het alliantiewapen erg beschadigd is. Dat wapen moet een drijvende watermoddermolen voorstellen. De horizontale strepen, die nog enigszins zichtbaar zijn, zijn van de schuit, waarop de moddermolen stond.

Duco Gerrold Rengers Hora Siccama promoveerde in Utrecht op het proefschrift De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht. Al snel na zijn promotie in de rechten in 1905 werd hij hoogleraar in Utrecht met als opdracht de encyclopaedie der rechtswetenschap, het oud-vaderlandse recht en zijn geschiedenis. In 1942 legde hij het ambt van gewoon hoogleraar neer en werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de rechtsfilosofie. Zijn benoeming tijdens de bezetting tot buitengewoon adviseur bij het departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming en een benoeming tot lid van de Nederlandsche Kultuurraad leidde in 1945 tot ontslag en aanvankelijk met intrekking van alle pensioenrechten. Men oordeelde, dat hij in ernstige mate tekort was geschoten in het betrachten van de juiste houding in verband met de bezetting. Wel erkende men, dat hij blijk had gegeven van goede vaderlandse gezindheid en in bepaalde opzichten tegenover de bezetter een afwijzende houding had aangenomen. Uit zijn eerste huwelijk met Maria Dorothea Elfriede Nielbeck, dat uitliep op een scheiding, werd een zoon geboren, die in het verzet de dood vond. Deze zoon Wiardus Jacob Hendrik Duco Rengers Hora Siccama, die werd geboren in 1916 in Düsseldorf, diende als 2e luitenant bij de Cavalerie, was actief in het verzet tijdens de 2e wereldoorlog en overleed te Apeldoorn op 1 februari 1945. Hij werd aanvankelijk begraven te Ugchelen, maar later herbegraven in Loenen (Gld.) Vak D grafnummer 389.

Het tweede huwelijk met Jacqueline Adriènne Justine baronesse van Nagell bleef kinderloos. Hoewel men meer publicistisch werk van hem had verwacht, verschenen van zijn hand een aantal doorwrochte boekbesprekingen, een aantal artikelen en het essay Natuurlijke waarheid en historische bepaaldheid. De uitvoerige studie Homo iuridicus werd opgenomen in zijn Verspreide Geschriften, dat zijn opvolgers het licht lieten zien. In het jaar van zijn overlijden gaf hij nog het essay Paradox uit. Wat van deze rechtshistoricus en rechtsfilosoof gezegd kan worden is, dat hij in zijn levensbeschouwing en zijn levenshouding een duidelijk onderscheid maakte tussen het standpunt van de speler en dat van de toeschouwer. Omwille van de zuiverheid van de wetenschapsbeoefening stelde hij zich zeer beslist op dat van de toeschouwer. Het brak hem op, toen hij zich tijdens de bezetting bewoog op dat van de speler. Door zijn hoog en breed ontwikkelde eruditie moet hij een fascinerend leermeester en gesprekspartner zijn geweest. 

 

Literatuur

  • Herma Kamphuis; Groninger borgen en Drentse Havezathen, Walburg Pers 1995
  • W.R. Foorthuis e.a.; Drenthe, gids voor cultuur en landschap De Ploeg 2002
  • J.J.M. van der Ven; 'Rengers Hora Siccama, Jhr. Duco Gerrold (1876-1962)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. Den Haag 1979
  • S.J. Visser, 'Bähler, Louis Adriën (1867-1941)', in Biografisch Woordenboek van Nederland
  • Marion Hoogendijk e.a. Krüderige Wieven, Drentse vrouwen in de 20e eeuw Zutphen 1991
  • Encyclopedie van Drenthe, Koninklijke van Gorcum 2003 

Bronnen

  • Dhr. E. Stapelveld Gegevens mbt Jhr. D.G. Rengers Hora Siccama
  • Mr. E. Wolleswinkel, secretaris van de Hoge Raad van Adel: Gegevens Rengers Hora Siccama
  • Afd. Burgerzaken Gemeente Tynaarloo: gegevens met betrekking tot de graven der Hora Siccama's 

Websites

  • Over leden geslacht Rengers Hora Siccama (RED: niet meer raadpleegbaar)
  • Drents Landschap

 

 

 


Geschreven: 05 september 2004
Aangepast: 08 januari 2022
Auteur: Leon Bok
Categorie: Limburg

 

Overzicht grafkapel en ingangDe oude katholieke begraafplaats van Valkenburg in Zuid-Limburg is een bijzondere begraafplaats vanwege een aantal bijzondere funeraire kwaliteiten. De begraafplaats, waarvan het oudste gedeelte in september 1836 werd ingewijd, is nu in beheer bij de gemeente Valkenburg aan de Geul. Naast het katholieke deel vinden we hier vandaag de dag ook een joodse begraafplaats, een algemeen deel en een grafveld voor een kloosterorde. De funeraire kwaliteiten van de begraafplaats zijn vooral te danken aan de geografische en geologische omstandigheden ter plekke. Ligt het oude deel van de begraafplaats nog redelijk vlak, de nieuwere delen liggen allemaal hoger op en in de hellingen van de Cauberg. Die hellingen, geheel van mergel, maakten het mogelijk om galerijgraven aan te leggen, terrasvormig tegen de helling op. Op het oude deel nog heel voorzichtig maar even verderop is de hele heuvel inmiddels veranderd in een terrassenbegraafplaats met een hoogteverschil van bijna 30 meter. Andere bijzonderheden zijn de kapel, toegewijd aan het Heilig Kruis van Jezus Christus, en de vier familiegrafkelders op het oude gedeelte, uitgehakt in de mergel van de Cauberg. De mergel duikt hier op tot aan de oppervlakte. Dit deel van de begraafplaats was voordien waardeloos, totdat men begon met het aanleggen van de grafkelders. Vooral opvallend is de kelder van de familie Habets-Willems, met name door de grafkapel die boven de kelder werd gebouwd. De kapel is goed zichtbaar vanaf de weg en valt op voor eenieder die de Cauberg op of af gaat.